Nieuwsblog Advocaten.nl

€ 82.158 verbeurd door geld te verzwijgen bij scheiding

Een vrouw nam kort voor de ontbinding van haar geregistreerde partnerschap in totaal € 82.158,70 contant op. Zij stelde dat zij het grootste deel in twee maanden had uitgegeven, maar overlegde geen bonnetjes, facturen of reserveringen. De rechtbank concludeerde dat zij het geld verborgen hield en bepaalde dat het volledige bedrag aan de man toeviel.

Uitspraak: 26 augustus 2026, Rechtbank Den Haag
Gepubliceerd: 2 oktober 2026
Rechtsgebied: Personen- en familierecht, verdeling en huwelijksvermogensrecht

Een vrouw nam kort voor de ontbinding van haar geregistreerde partnerschap in totaal € 82.158,70 contant op. Zij stelde dat zij het grootste deel in twee maanden had uitgegeven, maar overlegde geen bonnetjes, facturen of reserveringen. De rechtbank concludeerde dat zij het geld verborgen hield en bepaalde dat het volledige bedrag aan de man toeviel.

Grote contante opnamen vóór de scheiding

De partners waren in 2015 zonder partnerschapsvoorwaarden een geregistreerd partnerschap aangegaan. Daardoor bestond tussen hen een algehele gemeenschap van goederen. Bij de ontbinding moesten de gemeenschappelijke bezittingen in beginsel bij helfte worden verdeeld.

De vrouw had in de periode van oktober tot en met december 2024 bedragen van € 56.150 en € 26.008,70 contant opgenomen van twee bankrekeningen. Zij erkende de opnamen, maar stelde dat zij ongeveer € 67.000 had besteed aan onder meer kleding, cadeaus, restaurants, hotels, beautybehandelingen, weekendjes weg en huishoudelijke kosten. Ook zou zij bedragen voor de kinderen en een privé ontvangen schenking hebben veiliggesteld.

Geen bewijs van de gestelde uitgaven

Volgens de rechtbank lag het op de weg van de vrouw om uit te leggen en zo nodig te bewijzen waar het opgenomen geld was gebleven. Zij overlegde echter geen bonnetjes, facturen, boekingen of andere stukken. De rechtbank vond het bovendien niet aannemelijk dat in ongeveer twee maanden vrijwel het gehele bedrag aan consumptieve uitgaven was besteed.

De rechtbank concludeerde daarom dat de vrouw het geld verborgen hield. Daarmee was volgens de rechtbank voldaan aan de voorwaarden van artikel 3:194 lid 2 BW. Deze bepaling houdt in dat een deelgenoot die opzettelijk een gemeenschappelijk goed verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, zijn aandeel daarin aan de andere deelgenoot verbeurt.

Gevolg is meer dan alleen terugbetalen

De sanctie betekende in deze zaak dat niet alleen de helft van het geld in de verdeling werd betrokken. De vrouw verbeurde het volledige bedrag van € 82.158,70 aan de man. De rechtbank hoefde daardoor niet meer te beslissen over zijn subsidiaire beroep op benadeling van de gemeenschap.

De beslissing over het verzwegen geld maakte deel uit van een omvangrijkere procedure waarin onder meer de woning, bankrekeningen, ondernemingen, auto’s, kinderalimentatie en zorgregeling werden behandeld.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW is ingrijpend. Vereist is wel dat sprake is van opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden. Een enkele vergissing of onduidelijkheid in de administratie leidt daarom niet automatisch tot verlies van een aandeel.

Bij een scheiding of verdeling is het belangrijk volledige opgave te doen van bankrekeningen, contant geld, beleggingen en andere bezittingen. Wie stelt dat grote bedragen vóór de peildatum zijn uitgegeven, moet rekening houden met de noodzaak die uitgaven met afschriften, facturen of andere stukken te onderbouwen. De andere partij doet er goed aan tijdig volledige bankafschriften en saldi rond de peildatum op te vragen.

Bron: Rechtbank Den Haag, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 2 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:28339.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Achteraf betalen: koopprijs verlaagd door ontbrekende consumentenbescherming

Een consument kocht in 2021 kleding via een webwinkel en koos voor achteraf betalen via Klarna. De schuldeiser kon niet aantonen dat de toen geldende regels voor consumentenkrediet en online koop waren nageleefd. De kredietovereenkomst werd vernietigd en de consument hoefde slechts 80 procent van de koopprijs te betalen.

Uitspraak: 16 september 2026, Rechtbank Midden-Nederland
Gepubliceerd: 28 september 2026
Rechtsgebied: Consumentenrecht, consumentenkrediet en online koop

Een consument kocht in 2021 kleding via een webwinkel en koos voor achteraf betalen via Klarna. De schuldeiser kon niet aantonen dat de toen geldende regels voor consumentenkrediet en online koop waren nageleefd. De kredietovereenkomst werd vernietigd en de consument hoefde slechts 80 procent van de koopprijs te betalen.

Incasso van een oude webwinkelaankoop

De consument had voor € 163,33 aan kleding gekocht en daarbij gekozen voor uitgestelde betaling via Klarna. Nadat de factuur onbetaald bleef, werd de vordering overgedragen aan een incassobedrijf. Dat bedrijf vorderde betaling van de koopprijs, rente en buitengerechtelijke incassokosten.

De consument verscheen niet in de procedure. Toch moest de kantonrechter uit eigen beweging onderzoeken of de dwingende regels van consumentenbescherming waren nageleefd.

Achteraf betalen kan consumentenkrediet zijn

Uitstel van betaling is een vorm van krediet. Voor een kosteloos of zeer kortlopend krediet kan een uitzondering gelden, maar daarvoor moet voldoende informatie over het verdienmodel van de kredietaanbieder worden verstrekt. Daarbij kan van belang zijn of de aanbieder inkomsten haalt uit rente en kosten bij betalingsachterstand.

De schuldeiser overlegde informatie over de werkwijze van Klarna vanaf 2023 en vooral vanaf 2025. De aankoop was echter in juli 2021 gedaan. Uit de overgelegde stukken kon niet worden afgeleid dat in 2021 aan de voorwaarden voor de uitzondering was voldaan.

Daarom behandelde de kantonrechter de betalingsregeling als een consumentenkredietovereenkomst waarop de beschermende bepalingen van titel 2A van Boek 7 BW van toepassing waren. Ook moest vóór de kredietverlening de kredietwaardigheid worden beoordeeld. Die verplichting staat onder meer in artikel 4:34 Wft.

Omdat niet kon worden vastgesteld dat de vereiste informatie was verstrekt en een kredietwaardigheidstoets was uitgevoerd, vernietigde de kantonrechter de kredietovereenkomst. De consument hoefde daardoor geen rente en incassokosten te betalen.

Ook webwinkel voldeed niet aantoonbaar aan informatieplicht

Daarnaast moest worden onderzocht of de webwinkel de consument correct had geïnformeerd over onder meer het herroepingsrecht. De bestelbevestiging bevatte niet alle noodzakelijke informatie. Een hyperlink naar een afzonderlijke factuur was onvoldoende, omdat informatie achter een hyperlink later kan worden gewijzigd.

Vanwege de niet aantoonbaar nageleefde informatieverplichtingen werd de koopprijs met twintig procent verminderd. De consument moest € 130,66 betalen. Hij werd wel veroordeeld in de proceskosten, omdat een deel van de oorspronkelijke vordering terecht was ingesteld.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak betekent niet dat iedere schuld uit achteraf betalen vervalt. De uitkomst hangt af van de datum en inhoud van de overeenkomst en van het bewijs dat de kredietaanbieder en webwinkel over de verstrekte informatie en kredietwaardigheidstoets kunnen overleggen.

Bij een incassovordering uit een online aankoop moet daarom niet alleen worden gecontroleerd of de producten zijn geleverd. Ook de totstandkoming van de kredietovereenkomst, de informatie over bedenktijd en retournering, de bevestiging op een duurzame gegevensdrager en de grondslag voor rente en incassokosten kunnen van belang zijn.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 28 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2026:6471.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Ex-partner erft niet na beëindiging van de samenleving

Een vrouw was in het testament van haar ongehuwde partner als erfgenaam en executeur aangewezen. Door een vervalbeding eindigden die aanspraken als hun samenleving vóór het overlijden was beëindigd. Volgens het hof was daarvan sprake, hoewel de samenlevingsovereenkomst formeel nog niet was ontbonden.

Uitspraak: 23 juli 2026, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gepubliceerd: 28 september 2026
Rechtsgebied: Erfrecht, testament en samenlevingsovereenkomst

Een vrouw was in het testament van haar ongehuwde partner als erfgenaam en executeur aangewezen. Door een vervalbeding eindigden die aanspraken als hun samenleving vóór het overlijden was beëindigd. Volgens het hof was daarvan sprake, hoewel de samenlevingsovereenkomst formeel nog niet was ontbonden.

Partner en kinderen als erfgenamen benoemd

De man en de vrouw hadden in 2008 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Op dezelfde dag liet de man een testament opstellen. Daarin benoemde hij zijn partner en zijn twee kinderen ieder voor een gelijk deel tot erfgenaam. De partner werd bovendien tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd.

Het testament bevatte echter een vervalbeding. Alle beschikkingen ten gunste van de partner zouden vervallen wanneer de man ongehuwd zou overlijden en hun samenleving al vóór zijn overlijden was beëindigd. Voor een opname in een verpleeg- of verzorgingsinstelling was een uitzondering opgenomen.

Feitelijke situatie was beslissend

Voor het overlijden verbleven de partners niet meer gezamenlijk in de woning. Uit berichten bleek dat zij tegenover familieleden, vrienden en medewerkers hadden meegedeeld dat de relatie voorbij was. Ook waren stappen gezet voor de verkoop van de woning en de onderneming en was een boedelbeschrijving opgesteld.

Dat de samenlevingsovereenkomst nog niet volgens de daarin opgenomen formaliteiten was beëindigd, vond het hof niet doorslaggevend. Uit de formulering van het testament volgde dat met de beëindiging van de samenleving het feitelijk samenleven als partners werd bedoeld.

Het hof paste bij de uitleg van het testament artikel 4:46 BW toe. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verhoudingen die de erflater met het testament wilde regelen en naar de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Poging tot herstel veranderde de uitkomst niet

De man had kort voor zijn overlijden laten weten dat hij de relatie mogelijk wilde herstellen. De vrouw wilde dat op dat moment echter niet. Volgens het hof veranderde deze eenzijdige wens niets aan het feit dat de samenleving toen al daadwerkelijk was beëindigd.

Het vervalbeding was daarom van toepassing. De vrouw was geen erfgenaam meer en kon evenmin als executeur of afwikkelingsbewindvoerder optreden. Het hof bekrachtigde de eerdere beslissing van de kantonrechter.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij samenwoners worden erfrechtelijke aanspraken niet automatisch op dezelfde manier geregeld als bij gehuwden. De precieze tekst van het testament is daarom van groot belang. Een vervalbeding kan ertoe leiden dat aanspraken al eindigen door een feitelijke relatiebreuk, ook als de samenlevingsovereenkomst nog niet formeel is opgezegd en gezamenlijke financiële zaken nog niet zijn afgewikkeld.

Na een relatiebreuk is het verstandig niet alleen de samenlevingsovereenkomst, maar ook testamenten, begunstigingen bij verzekeringen en eventuele executeursbenoemingen te controleren. Voor erfgenamen kan correspondentie over de beëindiging van de relatie, afzonderlijke huisvesting en de voorgenomen verdeling van bezittingen belangrijk bewijs opleveren.

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 28 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2026:1966.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Vattenfall mag terugleverkosten niet eenzijdig invoeren

Vattenfall mocht bij een klant met zestien zonnepanelen niet eenzijdig terugleverkosten invoeren. In de afzonderlijke terugleverovereenkomst stond alleen dat de klant een vergoeding zou ontvangen en waren geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. De uitspraak betekent niet dat terugleverkosten in iedere overeenkomst verboden zijn.

Uitspraak: 25 september 2026, Rechtbank Amsterdam
Gepubliceerd: 2 oktober 2026
Rechtsgebied: Consumentenrecht, energierecht en overeenkomstenrecht

Vattenfall mocht bij een klant met zestien zonnepanelen niet eenzijdig terugleverkosten invoeren. In de afzonderlijke terugleverovereenkomst stond alleen dat de klant een vergoeding zou ontvangen en waren geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. De uitspraak betekent niet dat terugleverkosten in iedere overeenkomst verboden zijn.

Afzonderlijke overeenkomst voor teruglevering

De consument had al sinds 2002 een overeenkomst voor de levering van gas en elektriciteit. Nadat hij zonnepanelen had laten plaatsen, kwam in 2020 daarnaast een afzonderlijke terugleverovereenkomst tot stand. Daarin stond dat hij voor teruggeleverde elektriciteit jaarlijks een vergoeding zou ontvangen.

Vanaf 1 juli 2024 bracht Vattenfall bij klanten met zonnepanelen vaste terugleverkosten in rekening. De energieleverancier beriep zich onder meer op haar algemene voorwaarden en op de kosten die de teruglevering van zonnestroom voor haar meebracht.

Geen contractuele basis voor nieuwe kosten

De kantonrechter stelde vast dat de terugleverovereenkomst losstond van de oorspronkelijke leveringsovereenkomst. De algemene voorwaarden bij de leveringsovereenkomst waren daarom niet automatisch van toepassing op de teruglevering.

In de terugleverovereenkomst werd uitsluitend gesproken over een vergoeding voor de geleverde elektriciteit. Vattenfall had de consument bij het sluiten van die overeenkomst niet duidelijk gemaakt dat later ook terugleverkosten konden worden ingevoerd. Als professionele partij had Vattenfall die mogelijkheid uitdrukkelijk in de overeenkomst of in toepasselijke algemene voorwaarden moeten opnemen.

Volgens de kantonrechter mocht de consument rekening houden met een verandering van de hoogte van zijn vergoeding. Hij hoefde echter niet te verwachten dat de contractuele structuur zo zou veranderen dat hij per saldo voor het terugleveren van energie moest betalen.

Beroep op onvoorziene omstandigheden slaagt niet

Vattenfall voerde ook aan dat de sterke groei van het aantal zonnepanelen en de bijbehorende kosten onvoorziene omstandigheden vormden. De kantonrechter vond dat onvoldoende. Niet was concreet aangetoond dat het achterwege laten van terugleverkosten bij deze klant een ernstige verstoring van de contractuele verhouding veroorzaakte.

Een rechter kan een overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden wijzigen op grond van artikel 6:258 BW, maar deze mogelijkheid wordt terughoudend toegepast.

De kantonrechter verbood Vattenfall daarom om bij deze consument eenzijdig terugleverkosten in te voeren. Over de vraag of het algemene voorwaardenbeding waarmee Vattenfall voorwaarden kan wijzigen oneerlijk is, werd nog niet definitief beslist. De procedure werd op dat onderdeel voortgezet.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak is geen algemeen verbod op terugleverkosten. Beslissend is wat in de individuele terugleverovereenkomst staat, welke algemene voorwaarden geldig van toepassing zijn en welke informatie de consument bij het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen.

Consumenten die terugleverkosten betwisten, doen er daarom goed aan de oorspronkelijke overeenkomst, bevestigingsbrieven, algemene voorwaarden, latere addenda en jaarafrekeningen te bewaren. Alleen uit het feit dat een energieleverancier kosten redelijk vindt of aan alle klanten met zonnepanelen berekent, volgt nog niet dat daarvoor in iedere individuele overeenkomst een geldige grondslag bestaat.

Bron: Rechtbank Amsterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 2 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2026:9661.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Huurwoning ontruimd na jarenlange ernstige overlast

Een woningcorporatie mocht de huurovereenkomst ontbinden vanwege langdurige en ernstige overlast. Meldingen van vrijwel het gehele appartementencomplex, politiegegevens en beeld- en geluidsmateriaal ondersteunden de klachten. Omdat waarschuwingen en gesprekken geen verbetering brachten, moest de huurder de woning binnen veertien dagen ontruimen.

Uitspraak: 24 september 2026, Rechtbank Oost-Brabant
Gepubliceerd: 5 oktober 2026
Rechtsgebied: Huurrecht woonruimte, ontbinding en ontruiming

Een woningcorporatie mocht de huurovereenkomst ontbinden vanwege langdurige en ernstige overlast. Meldingen van vrijwel het gehele appartementencomplex, politiegegevens en beeld- en geluidsmateriaal ondersteunden de klachten. Omdat waarschuwingen en gesprekken geen verbetering brachten, moest de huurder de woning binnen veertien dagen ontruimen.

Klachten van verschillende bewoners

De huurder woonde sinds 2020 in een appartement van woningcorporatie Wooninc. De verhuurder ontving vanaf eind 2024 veel meldingen over onder meer geschreeuw, bonken, slaan met deuren en intimiderend gedrag. Ook na brieven, een huisbezoek, gesprekken en aanvullende afspraken bleef de overlast volgens de corporatie voortduren.

De politie vermeldde in een bestuurlijke rapportage dat zij gedurende vijf jaar regelmatig bij het adres was ingezet. Uit zes van de zeven andere woningen in het appartementencomplex waren meldingen of aangiften afkomstig. Daarmee ging het volgens de kantonrechter niet om één uit de hand gelopen burenruzie.

Uitgebreid dossier gaf de doorslag

De verhuurder overlegde een groot aantal afzonderlijke meldingen, politiegegevens en beeld- en geluidsbestanden. Op camerabeelden was onder meer te zien dat de huurder aan camera’s van omwonenden zat. Een verklaring van een huisarts ondersteunde dat de langdurige overlast bij een omwonende tot slaap- en gezondheidsklachten had geleid.

De huurder ontkende de overlast en stelde dat hij juist zelf door andere bewoners werd lastiggevallen. Hij onderbouwde dat standpunt volgens de kantonrechter echter onvoldoende.

Geen uitzicht op verbetering

Een huurder moet zich op grond van artikel 7:213 BW als goed huurder gedragen. Een ernstige tekortkoming kan op grond van artikel 6:265 BW ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.

De kantonrechter woog mee dat de corporatie herhaaldelijk had geprobeerd de situatie te verbeteren. De overlast ging ook na het uitbrengen van de dagvaarding door. Verder bleek uit de bestuurlijke rapportage dat hulpverleners geen passende hulp konden inzetten, omdat de huurder zijn eigen aandeel niet onderkende en zij zich in het contact niet veilig voelden.

De huurovereenkomst werd daarom ontbonden. De huurder moest de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis ontruimen en tot de daadwerkelijke ontruiming een gebruiksvergoeding ter hoogte van de huur betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Niet iedere klacht over geluid of gedrag is voldoende voor ontbinding. De aard, ernst, duur en frequentie van de overlast zijn belangrijk, evenals de vraag van hoeveel verschillende bewoners de klachten afkomstig zijn en welke pogingen zijn gedaan om de situatie op te lossen.

Voor een verhuurder is een zorgvuldig dossier essentieel. Daarin kunnen afzonderlijke meldingen, waarschuwingen, gespreksverslagen, politiegegevens en objectieve beeld- of geluidsopnamen worden opgenomen. Een huurder die klachten betwist, doet er eveneens goed aan concreet en met stukken te reageren en aangeboden begeleiding serieus te overwegen.

Bron: Rechtbank Oost-Brabant, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 5 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2026:7008.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Huur campingstandplaats mag eindigen voor herontwikkeling

Een campingeigenaar mocht de huur van standplaatsen met stacaravans en chalets beëindigen vanwege een concreet herontwikkelingsplan. De huurders hadden niet dezelfde huurbescherming als huurders van woonruimte. Het hof liet de opzegging in stand, maar verlaagde de opgelegde dwangsommen.

Uitspraak: 22 september 2026, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Gepubliceerd: 22 september 2026
Rechtsgebied: Huurrecht, huur van onbebouwde grond en duurovereenkomsten

Een campingeigenaar mocht de huur van standplaatsen met stacaravans en chalets beëindigen vanwege een concreet herontwikkelingsplan. De huurders hadden niet dezelfde huurbescherming als huurders van woonruimte. Het hof liet de opzegging in stand, maar verlaagde de opgelegde dwangsommen.

Huur van grond en geen huur van woonruimte

De huurders huurden al langere tijd standplaatsen op camping De Fontein. De stacaravans en chalets op de plaatsen waren hun eigendom. Volgens het hof ging het juridisch om huur van onbebouwde grond en niet om huur van woonruimte.

Daarom gold niet de reguliere huurbescherming voor woonruimte. De huurovereenkomsten waren in beginsel opzegbaar op grond van artikel 7:228 lid 2 BW.

Wel aanvullende eisen aan de opzegging

De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een verhuurder alleen mag opzeggen wanneer daarvoor een zwaarwegende grond bestaat, een redelijke opzegtermijn wordt gebruikt of een vergoeding wordt aangeboden. Dat volgt uit de omstandigheden van de overeenkomst en artikel 6:248 BW.

In deze zaak had de campingeigenaar een concreet en uitvoerbaar plan voor herstructurering. De huurovereenkomsten waren ruim een jaar van tevoren opgezegd en aan de huurders was een vergoeding aangeboden. De later aangebrachte wijzigingen in het plan maakten de eerdere opzegging niet ongeldig.

Schadevergoeding en lagere dwangsom

De opzegging en de verplichting tot ontruiming bleven in stand. De huurders hadden wel recht op een nader vast te stellen vergoeding. Het hof verlaagde bovendien de dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 50.000 naar € 100 per dag met een maximum van € 10.000.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Wie een chalet of stacaravan bezit, is niet automatisch eigenaar van de grond en heeft niet vanzelf dezelfde bescherming als een huurder van een woning. De juridische positie hangt af van de huurovereenkomst, de aard van de standplaats, de toepasselijke voorwaarden, de reden voor opzegging en de aangeboden termijn en vergoeding.

Bij een voorgenomen beëindiging is het verstandig de opzeggingsbrief, het herontwikkelingsplan, de huurvoorwaarden en eventuele RECRON-voorwaarden tijdig juridisch te laten beoordelen. Een rechtsgeldige opzegging kan namelijk samengaan met een recht op vergoeding.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 22 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2026:6033.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Koper krijgt € 148.000 terug na misleidende grondspeculatie

Een consument kocht voor € 148.000 percelen landbouwgrond in de verwachting dat deze door een toekomstige bestemmingswijziging meer waard zouden worden. Volgens het hof gaven de brochures, website en verkoopgesprekken een te rooskleurig beeld en werd onvoldoende gewaarschuwd voor het risico op verlies. De verkoper moet de koopsommen terugbetalen en krijgt de percelen teruggeleverd.

Uitspraak: 1 september 2026, Gerechtshof Amsterdam
Gepubliceerd: 23 september 2026
Rechtsgebied: Consumentenrecht, koop en oneerlijke handelspraktijken

Een consument kocht voor € 148.000 percelen landbouwgrond in de verwachting dat deze door een toekomstige bestemmingswijziging meer waard zouden worden. Volgens het hof gaven de brochures, website en verkoopgesprekken een te rooskleurig beeld en werd onvoldoende gewaarschuwd voor het risico op verlies. De verkoper moet de koopsommen terugbetalen en krijgt de percelen teruggeleverd.

Landbouwgrond aangeboden als investering

De grondverkoper presenteerde de percelen als een waardevaste investering met kans op een hoog rendement. In de brochures werd gewezen op woningnood, bevolkingsgroei, bouwplannen en de mogelijke ontwikkeling van nieuwe woongebieden in de omgeving van de percelen.

De informatie was volgens het hof op onderdelen feitelijk niet onjuist, maar de combinatie en presentatie daarvan wekte wel de indruk dat bebouwing en een bestemmingswijziging reële mogelijkheden voor de nabije toekomst waren.

Onvoldoende concrete waarschuwingen

De brochures vermeldden niet duidelijk dat de koper speculeerde met landbouwgrond, dat er geen garantie op winst bestond en dat een aanzienlijk verlies mogelijk was. Algemene waarschuwingen in de koopovereenkomsten en op de website waren onvoldoende om het optimistische verkoopverhaal te corrigeren.

Een consument moet volgens het hof niet alleen begrijpen dat een investering onzeker is, maar ook in staat worden gesteld een redelijke inschatting te maken van het concrete risico. De professionele verkoper moest daarom duidelijke informatie geven over de vooruitzichten voor juist deze percelen.

De relevante regels over misleidende en oneerlijke handelspraktijken staan onder meer in artikel 6:193b BW en artikel 6:193c BW.

Waarschuwing door de notaris kwam te laat

De verkoper voerde aan dat de notaris de koper vóór de levering nog op het speculatieve karakter van de belegging had gewezen. Volgens het hof kon de verkoper zich daarachter niet verschuilen. De koopovereenkomsten waren toen al gesloten op basis van de informatie die de verkoper zelf had verstrekt.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij aanbiedingen van landbouwgrond als belegging moet kritisch worden gekeken naar de concrete planologische situatie. Algemene verwijzingen naar woningnood of bouwplannen in een regio zeggen nog niet dat juist het aangeboden perceel binnen afzienbare tijd een bouwbestemming krijgt.

Een consument die door misleidende informatie tot aankoop is bewogen, kan onder omstandigheden aanspraak maken op terugbetaling of schadevergoeding. Bewaar daarom brochures, e-mails, vragenlijsten, gespreksnotities en oude versies van de website. Deze stukken kunnen beslissend zijn voor de vraag welke verwachtingen vóór het sluiten van de overeenkomst zijn gewekt.

Bron: Gerechtshof Amsterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 23 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Verkoop vastgoed onder waarde telt mee voor legitieme portie

Een moeder verkocht meerdere onroerende zaken aan één dochter voor een bedrag dat volgens deskundigen € 70.000 onder de werkelijke waarde lag. Het hof behandelt dit voordeel als een gift die meetelt bij de berekening van de legitieme portie van de andere dochter. Ook een renteloze lening en ontbrekende financiële informatie speelden in de procedure een belangrijke rol.

Uitspraak: 11 augustus 2026, Gerechtshof Den Haag
Gepubliceerd: 25 september 2026
Rechtsgebied: Erfrecht, giften en legitieme portie

Een moeder verkocht meerdere onroerende zaken aan één dochter voor een bedrag dat volgens deskundigen € 70.000 onder de werkelijke waarde lag. Het hof behandelt dit voordeel als een gift die meetelt bij de berekening van de legitieme portie van de andere dochter. Ook een renteloze lening en ontbrekende financiële informatie speelden een belangrijke rol.

Verkoopprijs lager dan de werkelijke waarde

De moeder had vier onroerende zaken voor in totaal € 621.000 aan één dochter verkocht. Drie door het hof benoemde deskundigen waardeerden deze zaken op de relevante peildatum gezamenlijk op € 691.000. Het hof neemt het deskundigenrapport over en stelt vast dat de dochter daardoor een voordeel van € 70.000 heeft ontvangen.

Dat voordeel wordt als gift betrokken bij de berekening van de legitimaire massa. Daarnaast had de moeder de koopsom van € 621.000 renteloos aan dezelfde dochter geleend. Het rentevoordeel was in een eerder arrest al als een gift van € 37.260 aangemerkt.

Berekening van de legitieme portie

Door de giften van € 70.000 en € 37.260 verhoogde het hof de legitimaire massa met in totaal € 107.260. De legitieme portie van de andere dochter werd vervolgens berekend op € 410.122. Na aftrek van giften die zij zelf eerder had ontvangen, resteerde volgens het hof een aanspraak van € 288.981.

De executeur moest uit de nalatenschap nog een aanvullend bedrag van € 25.815 betalen, vermeerderd met wettelijke rente. De wettelijke uitgangspunten voor de berekening van de legitimaire massa en het meetellen van giften zijn te vinden in artikel 4:65 BW en artikel 4:67 BW.

Bankafschriften en andere stukken moesten worden verstrekt

Het hof verplichtte de dochter die tevens executeur was om onder meer bankafschriften van Nederlandse, Franse en Zwitserse rekeningen en de koopovereenkomst van een Franse woning te verstrekken. Bij niet-tijdige afgifte verbeurt zij een dwangsom van € 1.000 per dag, met een maximum van € 100.000.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Een verkoop aan één kind tegen een te lage prijs kan gedeeltelijk een gift zijn, ook wanneer formeel een koopovereenkomst is gesloten. Ook het renteloos verstrekken van een groot geldbedrag kan een bevoordeling opleveren die bij de legitieme portie moet worden betrokken.

Voor een legitimaris zijn taxaties, bankafschriften, koopovereenkomsten en informatie over leningen daarom vaak essentieel. Het is verstandig deze stukken vroegtijdig op te vragen en de waarde van vastgoed op de juiste peildatum deskundig te laten vaststellen. Het informatierecht van een legitimaris is onder meer geregeld in artikel 4:78 BW.

Bron: Gerechtshof Den Haag, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 25 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Hoge Raad: AVA 2013-vervaltermijnen moeten opnieuw worden beoordeeld

De Hoge Raad vernietigt een oordeel dat vervaltermijnen in de AVA 2013 oneerlijk waren. Het eerdere hof had de werking van de bedingen niet juist uitgelegd en te weinig betekenis toegekend aan vergelijkbare voorwaarden die met consumentenorganisaties zijn opgesteld. Of de vervaltermijnen uiteindelijk standhouden, moet het gerechtshof Den Haag opnieuw beoordelen.

Uitspraak: 25 september 2026, Hoge Raad
Gepubliceerd: 25 september 2026
Rechtsgebied: Aanneming van werk, consumentenrecht en algemene voorwaarden

De Hoge Raad vernietigt een oordeel dat de vervaltermijnen in artikel 16.3 van de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 oneerlijk waren. Volgens de Hoge Raad had het gerechtshof de werking van de bedingen niet juist uitgelegd en onvoldoende rekening gehouden met vergelijkbare voorwaarden die in overleg met consumentenorganisaties zijn opgesteld. Daarmee staat nog niet vast dat de vervaltermijnen geldig zijn: het gerechtshof Den Haag moet de voorwaarden opnieuw beoordelen.

Geschil over gebreken aan een nieuwbouwwoning

Een aannemer bouwde in 2014 en 2015 een vrijstaande woning voor particuliere opdrachtgevers. Na de oplevering ontstonden klachten over onder meer de cementdekvloer en de dakconstructie. De opdrachtgevers stelden de aannemer aansprakelijk en begonnen in 2021 een procedure.

De aannemer beriep zich op de AVA 2013. Deze voorwaarden bevatten termijnen van twee, vijf of tien jaar waarbinnen een rechtsvordering wegens bepaalde gebreken moet worden ingesteld. De rechtbank honoreerde dat beroep, maar het gerechtshof Amsterdam vond de vervalbedingen onredelijk bezwarend en oneerlijk.

Wat oordeelt de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelt niet definitief dat de vervalbedingen geldig of ongeldig zijn. Wel constateert hij drie gebreken in de eerdere beoordeling:

  • Het gerechtshof had ten onrechte aangenomen dat het verstrijken van de termijn automatisch tot verval van alle rechten van de consument leidde.
  • Bij de beoordeling mag betekenis worden toegekend aan het feit dat vergelijkbare voorwaarden in overleg met consumentenorganisaties zijn opgesteld.
  • De verschillende vervaltermijnen mochten niet zonder nadere motivering allemaal op dezelfde gronden oneerlijk worden verklaard.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag. Dat hof moet opnieuw onderzoeken of de bedingen onredelijk bezwarend zijn in de zin van artikel 6:233 BW en oneerlijk zijn volgens de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij gebreken na oplevering kunnen naast de wettelijke klacht- en verjaringsregels ook contractuele vervaltermijnen gelden. Een vervaltermijn kan ingrijpender zijn dan een verjaringstermijn, omdat het vaak niet voldoende is alleen een aansprakelijkstelling of stuitingsbrief te versturen. De precieze gevolgen hangen echter af van de formulering en geldigheid van het beding.

Consumenten moeten daarom niet aannemen dat een vervalbeding vanzelf ongeldig is. Aannemers kunnen er evenmin zonder meer van uitgaan dat ieder beding in de AVA 2013 standhoudt. Bij bouwgebreken blijft het belangrijk tijdig te klagen, bewijs vast te leggen en vóór het verstrijken van mogelijke termijnen juridisch advies in te winnen. De wettelijke verjaringsregeling voor aanneming van werk staat onder meer in artikel 7:761 BW.

Bron: Hoge Raad, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 25 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Opdrachtgever mocht betaling aannemer opschorten wegens gebreken

Een particuliere opdrachtgever betaalde een deel van een termijnfactuur niet vanwege gebreken aan een verbouwing. De aannemer legde daarop het werk stil, maar het hof oordeelt dat de opdrachtgever de betaling mocht opschorten. De aannemer moet bijna € 30.000 aan herstelkosten en andere schade vergoeden.

Uitspraak: 15 september 2026, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Gepubliceerd: 22 september 2026
Rechtsgebied: Aanneming van werk, opschorting, ontbinding en schadevergoeding

Een particuliere opdrachtgever betaalde een deel van een termijnfactuur niet vanwege gebreken aan een verbouwing. De aannemer legde daarop het werk stil, maar het hof oordeelt dat de opdrachtgever de betaling mocht opschorten. De aannemer moet bijna € 30.000 aan herstelkosten en andere schade vergoeden.

Geschil tijdens verbouwing van een woning

De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 72.800 inclusief btw. De opdrachtgever had € 54.035,30 betaald en hield een deel van de derde termijn in. Er waren klachten over onder meer het tegelwerk in de badkamer en toiletten.

De aannemer wilde het tegelwerk alleen tegen betaling van € 2.000 aan meerwerk aanpassen. Toen het resterende deel van de factuur niet werd betaald, legde de aannemer de werkzaamheden stil.

Opdrachtgever mocht betaling opschorten

Volgens het hof had de aannemer moeten begrijpen dat de opdrachtgever de betaling opschortte vanwege zijn klachten over de uitvoering. De weigering om de tegels zonder extra kosten te herstellen gaf de opdrachtgever een gegronde reden om te vrezen dat het werk niet deugdelijk zou worden opgeleverd.

De opdrachtgever mocht daarom een deel van de betaling uitstellen. De aannemer mocht vervolgens niet zelf het werk stilleggen. Door dat toch te doen, kwam de aannemer in verzuim en mocht de opdrachtgever de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden.

Het wettelijke opschortingsrecht is onder meer geregeld in artikel 6:262 BW. Het recht op ontbinding bij een tekortkoming volgt uit artikel 6:265 BW.

Vergoeding van herstelkosten en verblijf elders

De aannemer moest niet alleen bijdragen in de kosten voor het afmaken en herstellen van de verbouwing. Het hof kende ook schadevergoeding toe voor de extra kosten die ontstonden doordat het gezin langer buiten de woning moest verblijven. Daaronder vielen onder meer tijdelijke huisvesting, vervoer, opslag en opvang van huisdieren.

Het totale door de aannemer te betalen schadebedrag werd vastgesteld op € 29.723,36. Bij de berekening werd wel rekening gehouden met het gedeelte van de oorspronkelijke aanneemsom dat de opdrachtgever door de ontbinding niet meer hoefde te betalen.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Een opdrachtgever mag bij gebreken niet zonder meer iedere betaling stopzetten. Het ingehouden bedrag moet in een redelijke verhouding staan tot de tekortkoming en de aannemer moet duidelijk worden geïnformeerd over de klachten en het verlangde herstel.

Leg gebreken daarom direct schriftelijk vast, maak foto’s en geef de aannemer een redelijke mogelijkheid tot herstel. Laat bij een ernstig geschil zo nodig een onafhankelijk bouwkundig rapport opstellen voordat een andere aannemer de gebreken herstelt. Ook de wettelijke klachtplicht van artikel 6:89 BW kan daarbij van belang zijn.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 22 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.