Nieuwsblog Advocaten.nl

Woning verkopen als mede-eigenaar onbereikbaar is: vonnis vervangt handtekening

Een man ontdekte kort voor de levering van zijn verkochte woning dat zijn voormalige echtgenote nog als mede-eigenaar stond geregistreerd. Zij was sinds 2011 onbereikbaar. De voorzieningenrechter bepaalde dat het vonnis haar ontbrekende toestemming en handtekening voor de notariële levering verving.

Datum: 16 september 2026, gepubliceerd op 5 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem
Rechtsgebied: Onroerend goed, eigendom en verdeling

Korte samenvatting: Een man ontdekte kort voor de levering van zijn verkochte woning dat zijn voormalige echtgenote nog als mede-eigenaar stond geregistreerd. Zij was sinds 2011 onbereikbaar. De voorzieningenrechter bepaalde dat het vonnis haar ontbrekende toestemming en handtekening voor de notariële levering verving.

Een woning verkopen zonder handtekening van een mede-eigenaar is normaal gesproken niet mogelijk. In een kort geding bij de Rechtbank Noord-Holland bood een vervangend vonnis uitkomst toen de levering van een verkochte woning op korte termijn moest plaatsvinden.

Ex-echtgenote stond nog als eigenaar geregistreerd

De man had de woning verkocht, maar ontdekte dat zijn voormalige echtgenote nog steeds als mede-eigenaar stond geregistreerd. Zij was in 2011 naar Cuba vertrokken. Sindsdien was er geen contact meer geweest en haar actuele woon- of verblijfplaats was onbekend.

Omdat voor de notariële eigendomsoverdracht de medewerking van alle eigenaren nodig is, vroeg de man de voorzieningenrechter om een oplossing. De voormalige echtgenote verscheen niet in de procedure. De rechter oordeelde dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond was.

Vonnis vervangt toestemming en handtekening

De voorzieningenrechter bepaalde dat het vonnis in de plaats trad van de toestemming en handtekening van de vrouw voor de notariële levering. De wettelijke termijn die geldt voordat een dergelijk vonnis kan worden ingeschreven, werd op grond van artikel 3:301 lid 1 BW verkort tot één dag na betekening. Daardoor hoefde de reeds geplande overdracht niet langdurig te worden uitgesteld.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak onderstreept dat de juridische eigendomssituatie vóór verkoop bij het Kadaster moet worden gecontroleerd. Een echtscheiding, vertrek uit de woning of mondelinge afspraak verandert de eigendomsregistratie niet automatisch.

Wanneer een mede-eigenaar niet wil meewerken of onvindbaar is, kan onder omstandigheden aan de rechter worden gevraagd om vervangende medewerking te verlenen. Daarvoor is een gerechtelijke procedure nodig. Spoed, een concrete koopovereenkomst en een naderende leveringsdatum kunnen aanleiding geven voor een kort geding. De precieze oplossing blijft afhankelijk van de eigendomsverhouding, eerdere afspraken en de wijze waarop de afwezige mede-eigenaar wordt opgeroepen.

Uitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2026:12397.

Bron: Rechtbank Noord-Holland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 5 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Onduidelijke advocaatkosten: rechtbank vernietigt oneerlijk kostenbeding

Een advocatenkantoor vermeldde wel een uurtarief, maar gaf de consument geen bruikbare raming van de te verwachten werkzaamheden en totale kosten. De rechtbank vernietigde het kostenbeding en verminderde de betalingsverplichting met 40%. Uiteindelijk moest het kantoor € 5.456,84 aan de cliënt terugbetalen.

Datum: 30 september 2026, gepubliceerd op 5 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied: Consumentenrecht en overeenkomstenrecht

Een oneerlijk kostenbeding voor advocaatkosten kan verstrekkende gevolgen hebben. Dat blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over de kosten van juridische bijstand aan een consument in verschillende procedures rond een echtscheiding.

Wel een uurtarief, maar geen kostenraming

In de opdrachtbevestiging stond een uurtarief van € 210 exclusief btw en kantoorkosten. Ook was bepaald dat andere medewerkers tegen uiteenlopende tarieven konden worden ingeschakeld en dat de tarieven periodiek konden worden aangepast. Het advocatenkantoor gaf bij het begin van de opdracht echter geen raming van het verwachte aantal uren, de te verrichten werkzaamheden of de totale kosten.

Volgens de rechtbank konden de maandelijkse facturen dit gebrek niet herstellen. Facturen worden immers pas verstuurd nadat de werkzaamheden zijn verricht. Bovendien liepen de maandbedragen in deze zaak sterk uiteen, van ongeveer € 131 tot ruim € 11.600. De cliënt kon daardoor onvoldoende voorspellen welke kosten nog zouden volgen en niet tijdig beslissen of zij bepaalde werkzaamheden wilde beperken.

Waarom was het kostenbeding oneerlijk?

De overeenkomst tussen het kantoor en de particuliere cliënt was een consumentenovereenkomst. De rechtbank moest daarom toetsen of het kostenbeding duidelijk, begrijpelijk en eerlijk was. Daarbij sloot de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 over advocatenhonoraria op uurbasis.

Een uurtarief is niet automatisch verboden. Een consument moet vóór het sluiten van de overeenkomst echter wel informatie krijgen waarmee de financiële gevolgen bij benadering kunnen worden ingeschat. Dat kan bijvoorbeeld met een raming of bandbreedte van het aantal uren, een begroting per procesfase of duidelijke periodieke waarschuwingen wanneer de kosten hoger dreigen te worden.

In deze zaak ontbrak dergelijke informatie. Het kantoor wist bovendien dat de financiële positie van de cliënt verslechterde en dat zij geld moest lenen om de declaraties te betalen. De rechtbank oordeelde daarom dat het beding niet alleen onvoldoende transparant, maar ook oneerlijk was.

Vernietiging van de opdracht en vermindering met 40%

Het kostenbeding vormde een essentieel onderdeel van de opdracht. Door vernietiging van dat beding kon volgens de rechtbank ook de rest van de overeenkomst niet in stand blijven. Dat betekende echter niet dat alle juridische werkzaamheden gratis waren. Omdat de reeds geleverde diensten niet konden worden teruggedraaid, kon het kantoor op grond van onverschuldigde betaling vergoeding van de waarde daarvan vragen.

Die vergoeding moest wel een doeltreffende en afschrikkende reactie op het oneerlijke beding bevatten. De rechtbank verminderde de betalingsverplichting daarom met 40%. Daarnaast bleken verschillende declaratieregels onvoldoende gespecificeerd. Over alle werkzaamheden en voorschotten was € 68.335,13 gefactureerd. Na de vermindering en correcties had de cliënt € 5.456,84 te veel betaald. Het kantoor moest dit bedrag terugbetalen; zijn vordering tot betaling van de openstaande facturen werd afgewezen.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak laat zien dat een duidelijke vermelding van het uurtarief niet altijd voldoende is. Voor cliënten is het verstandig om vooraf schriftelijk te vragen naar:

  • een begroting of realistische bandbreedte van de totale kosten;
  • de werkzaamheden en medewerkers die worden ingezet;
  • het moment waarop een nieuwe kostenraming wordt gegeven;
  • de voorwaarden voor verhoging van het uurtarief;
  • de gevolgen van het beëindigen van de opdracht.

Een onverwacht hoge factuur is niet zonder meer ongeldig. De opdrachtbevestiging, tussentijdse informatie, factuurspecificaties en concrete omstandigheden bepalen of met succes een beroep kan worden gedaan op consumentenbescherming. De uitspraak is bovendien afkomstig van een rechtbank in eerste aanleg en vormt geen algemeen verbod op declareren per uur.

Uitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2026:9276.

Bron: Rechtbank Amsterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 5 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Waarborgsom bedrijfsruimte: verhuurder moet extra huur en herstelkosten bewijzen

Een verhuurder hield een deel van de waarborgsom voor een praktijkruimte in vanwege een extra maand huur en vermeende herstelkosten. De verhuurder kon niet bewijzen dat de late sleuteloverdracht aan de huurder lag of dat daadwerkelijk herstelkosten waren gemaakt. De huurder kreeg het resterende bedrag van € 873,06 met rente terug.

Datum: 30 september 2026, gepubliceerd op 12 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht
Rechtsgebied: Huurrecht bedrijfsruimte en bewijsrecht

Een huurder wilde haar waarborgsom voor bedrijfsruimte terugkrijgen. De verhuurder stelde dat zij nog recht had op een extra maand huur en vergoeding van herstelkosten, maar kon die tegenvorderingen onvoldoende onderbouwen.

Verrekening met extra huur en herstelkosten

De huurder had een praktijkruimte gehuurd en daarvoor een waarborgsom van € 1.647,11 betaald. Na beëindiging van de huur betaalde de verhuurder slechts een deel terug. De huurder vorderde het resterende bedrag van € 873,06.

Volgens de verhuurder was de ruimte te laat opgeleverd en was daarom nog € 600,81 huur over oktober verschuldigd. Daarnaast zou € 272,25 zijn uitgegeven aan het verwijderen van bedrijfsbelettering en het herstellen van de ramen. Deze bedragen waren met de waarborgsom verrekend.

Verhuurder kon tegenvorderingen niet bewijzen

De kantonrechter stelde voorop dat een waarborgsom na het einde van de huur in beginsel moet worden terugbetaald. Verrekening is mogelijk als de verhuurder een opeisbare tegenvordering heeft, maar het bestaan daarvan moet wel voldoende worden onderbouwd.

Uit de correspondentie bleek dat de beheerder aanvankelijk zelf een voorinspectie zou plannen. De verhuurder kon niet aantonen dat herhaaldelijk concrete afspraken voor een eerdere sleuteloverdracht waren aangeboden. Daarom kwam het feit dat de overdracht pas op 17 oktober plaatsvond voor rekening van de verhuurder.

Ook de herstelkosten werden niet bewezen. Er was geen factuur van het externe bedrijf en evenmin een betaalbewijs of andere controleerbare onderbouwing. Het aanbod om daar later nog bewijs voor te leveren kwam volgens de rechter te laat, omdat de verhuurder haar verweer al eerder met stukken had moeten onderbouwen.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak toont het belang aan van een zorgvuldig dossier bij het einde van een zakelijke huur. Zowel huurder als verhuurder doet er verstandig aan om:

  • tijdig en schriftelijk een voor- en eindinspectie af te spreken;
  • de datum van de sleuteloverdracht vast te leggen;
  • een gezamenlijk opleveringsrapport en foto’s te maken;
  • de huurder zo nodig gelegenheid tot herstel te geven;
  • facturen en betaalbewijzen van herstelwerkzaamheden te bewaren.

Een verhuurder kan niet uitsluitend op basis van een eigen kostenopgave geld op de waarborgsom inhouden. Tegelijkertijd blijft verrekening mogelijk wanneer extra huur, schade of herstelkosten deugdelijk kunnen worden bewezen. Deze zaak betrof een praktijkruimte; voor woonruimte kunnen aanvullende wettelijke regels gelden.

De kantonrechter veroordeelde de verhuurder tot betaling van € 873,06, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 december 2025. Ook moest de verhuurder € 722,54 aan proceskosten betalen.

Uitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2026:6795.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 12 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

€ 82.158 verbeurd door geld te verzwijgen bij scheiding

Een vrouw nam kort voor de ontbinding van haar geregistreerde partnerschap in totaal € 82.158,70 contant op. Zij stelde dat zij het grootste deel in twee maanden had uitgegeven, maar overlegde geen bonnetjes, facturen of reserveringen. De rechtbank concludeerde dat zij het geld verborgen hield en bepaalde dat het volledige bedrag aan de man toeviel.

Uitspraak: 26 augustus 2026, Rechtbank Den Haag
Gepubliceerd: 2 oktober 2026
Rechtsgebied: Personen- en familierecht, verdeling en huwelijksvermogensrecht

Een vrouw nam kort voor de ontbinding van haar geregistreerde partnerschap in totaal € 82.158,70 contant op. Zij stelde dat zij het grootste deel in twee maanden had uitgegeven, maar overlegde geen bonnetjes, facturen of reserveringen. De rechtbank concludeerde dat zij het geld verborgen hield en bepaalde dat het volledige bedrag aan de man toeviel.

Grote contante opnamen vóór de scheiding

De partners waren in 2015 zonder partnerschapsvoorwaarden een geregistreerd partnerschap aangegaan. Daardoor bestond tussen hen een algehele gemeenschap van goederen. Bij de ontbinding moesten de gemeenschappelijke bezittingen in beginsel bij helfte worden verdeeld.

De vrouw had in de periode van oktober tot en met december 2024 bedragen van € 56.150 en € 26.008,70 contant opgenomen van twee bankrekeningen. Zij erkende de opnamen, maar stelde dat zij ongeveer € 67.000 had besteed aan onder meer kleding, cadeaus, restaurants, hotels, beautybehandelingen, weekendjes weg en huishoudelijke kosten. Ook zou zij bedragen voor de kinderen en een privé ontvangen schenking hebben veiliggesteld.

Geen bewijs van de gestelde uitgaven

Volgens de rechtbank lag het op de weg van de vrouw om uit te leggen en zo nodig te bewijzen waar het opgenomen geld was gebleven. Zij overlegde echter geen bonnetjes, facturen, boekingen of andere stukken. De rechtbank vond het bovendien niet aannemelijk dat in ongeveer twee maanden vrijwel het gehele bedrag aan consumptieve uitgaven was besteed.

De rechtbank concludeerde daarom dat de vrouw het geld verborgen hield. Daarmee was volgens de rechtbank voldaan aan de voorwaarden van artikel 3:194 lid 2 BW. Deze bepaling houdt in dat een deelgenoot die opzettelijk een gemeenschappelijk goed verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, zijn aandeel daarin aan de andere deelgenoot verbeurt.

Gevolg is meer dan alleen terugbetalen

De sanctie betekende in deze zaak dat niet alleen de helft van het geld in de verdeling werd betrokken. De vrouw verbeurde het volledige bedrag van € 82.158,70 aan de man. De rechtbank hoefde daardoor niet meer te beslissen over zijn subsidiaire beroep op benadeling van de gemeenschap.

De beslissing over het verzwegen geld maakte deel uit van een omvangrijkere procedure waarin onder meer de woning, bankrekeningen, ondernemingen, auto’s, kinderalimentatie en zorgregeling werden behandeld.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW is ingrijpend. Vereist is wel dat sprake is van opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden. Een enkele vergissing of onduidelijkheid in de administratie leidt daarom niet automatisch tot verlies van een aandeel.

Bij een scheiding of verdeling is het belangrijk volledige opgave te doen van bankrekeningen, contant geld, beleggingen en andere bezittingen. Wie stelt dat grote bedragen vóór de peildatum zijn uitgegeven, moet rekening houden met de noodzaak die uitgaven met afschriften, facturen of andere stukken te onderbouwen. De andere partij doet er goed aan tijdig volledige bankafschriften en saldi rond de peildatum op te vragen.

Bron: Rechtbank Den Haag, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 2 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:28339.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Achteraf betalen: koopprijs verlaagd door ontbrekende consumentenbescherming

Een consument kocht in 2021 kleding via een webwinkel en koos voor achteraf betalen via Klarna. De schuldeiser kon niet aantonen dat de toen geldende regels voor consumentenkrediet en online koop waren nageleefd. De kredietovereenkomst werd vernietigd en de consument hoefde slechts 80 procent van de koopprijs te betalen.

Uitspraak: 16 september 2026, Rechtbank Midden-Nederland
Gepubliceerd: 28 september 2026
Rechtsgebied: Consumentenrecht, consumentenkrediet en online koop

Een consument kocht in 2021 kleding via een webwinkel en koos voor achteraf betalen via Klarna. De schuldeiser kon niet aantonen dat de toen geldende regels voor consumentenkrediet en online koop waren nageleefd. De kredietovereenkomst werd vernietigd en de consument hoefde slechts 80 procent van de koopprijs te betalen.

Incasso van een oude webwinkelaankoop

De consument had voor € 163,33 aan kleding gekocht en daarbij gekozen voor uitgestelde betaling via Klarna. Nadat de factuur onbetaald bleef, werd de vordering overgedragen aan een incassobedrijf. Dat bedrijf vorderde betaling van de koopprijs, rente en buitengerechtelijke incassokosten.

De consument verscheen niet in de procedure. Toch moest de kantonrechter uit eigen beweging onderzoeken of de dwingende regels van consumentenbescherming waren nageleefd.

Achteraf betalen kan consumentenkrediet zijn

Uitstel van betaling is een vorm van krediet. Voor een kosteloos of zeer kortlopend krediet kan een uitzondering gelden, maar daarvoor moet voldoende informatie over het verdienmodel van de kredietaanbieder worden verstrekt. Daarbij kan van belang zijn of de aanbieder inkomsten haalt uit rente en kosten bij betalingsachterstand.

De schuldeiser overlegde informatie over de werkwijze van Klarna vanaf 2023 en vooral vanaf 2025. De aankoop was echter in juli 2021 gedaan. Uit de overgelegde stukken kon niet worden afgeleid dat in 2021 aan de voorwaarden voor de uitzondering was voldaan.

Daarom behandelde de kantonrechter de betalingsregeling als een consumentenkredietovereenkomst waarop de beschermende bepalingen van titel 2A van Boek 7 BW van toepassing waren. Ook moest vóór de kredietverlening de kredietwaardigheid worden beoordeeld. Die verplichting staat onder meer in artikel 4:34 Wft.

Omdat niet kon worden vastgesteld dat de vereiste informatie was verstrekt en een kredietwaardigheidstoets was uitgevoerd, vernietigde de kantonrechter de kredietovereenkomst. De consument hoefde daardoor geen rente en incassokosten te betalen.

Ook webwinkel voldeed niet aantoonbaar aan informatieplicht

Daarnaast moest worden onderzocht of de webwinkel de consument correct had geïnformeerd over onder meer het herroepingsrecht. De bestelbevestiging bevatte niet alle noodzakelijke informatie. Een hyperlink naar een afzonderlijke factuur was onvoldoende, omdat informatie achter een hyperlink later kan worden gewijzigd.

Vanwege de niet aantoonbaar nageleefde informatieverplichtingen werd de koopprijs met twintig procent verminderd. De consument moest € 130,66 betalen. Hij werd wel veroordeeld in de proceskosten, omdat een deel van de oorspronkelijke vordering terecht was ingesteld.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak betekent niet dat iedere schuld uit achteraf betalen vervalt. De uitkomst hangt af van de datum en inhoud van de overeenkomst en van het bewijs dat de kredietaanbieder en webwinkel over de verstrekte informatie en kredietwaardigheidstoets kunnen overleggen.

Bij een incassovordering uit een online aankoop moet daarom niet alleen worden gecontroleerd of de producten zijn geleverd. Ook de totstandkoming van de kredietovereenkomst, de informatie over bedenktijd en retournering, de bevestiging op een duurzame gegevensdrager en de grondslag voor rente en incassokosten kunnen van belang zijn.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 28 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2026:6471.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Ex-partner erft niet na beëindiging van de samenleving

Een vrouw was in het testament van haar ongehuwde partner als erfgenaam en executeur aangewezen. Door een vervalbeding eindigden die aanspraken als hun samenleving vóór het overlijden was beëindigd. Volgens het hof was daarvan sprake, hoewel de samenlevingsovereenkomst formeel nog niet was ontbonden.

Uitspraak: 23 juli 2026, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gepubliceerd: 28 september 2026
Rechtsgebied: Erfrecht, testament en samenlevingsovereenkomst

Een vrouw was in het testament van haar ongehuwde partner als erfgenaam en executeur aangewezen. Door een vervalbeding eindigden die aanspraken als hun samenleving vóór het overlijden was beëindigd. Volgens het hof was daarvan sprake, hoewel de samenlevingsovereenkomst formeel nog niet was ontbonden.

Partner en kinderen als erfgenamen benoemd

De man en de vrouw hadden in 2008 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Op dezelfde dag liet de man een testament opstellen. Daarin benoemde hij zijn partner en zijn twee kinderen ieder voor een gelijk deel tot erfgenaam. De partner werd bovendien tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd.

Het testament bevatte echter een vervalbeding. Alle beschikkingen ten gunste van de partner zouden vervallen wanneer de man ongehuwd zou overlijden en hun samenleving al vóór zijn overlijden was beëindigd. Voor een opname in een verpleeg- of verzorgingsinstelling was een uitzondering opgenomen.

Feitelijke situatie was beslissend

Voor het overlijden verbleven de partners niet meer gezamenlijk in de woning. Uit berichten bleek dat zij tegenover familieleden, vrienden en medewerkers hadden meegedeeld dat de relatie voorbij was. Ook waren stappen gezet voor de verkoop van de woning en de onderneming en was een boedelbeschrijving opgesteld.

Dat de samenlevingsovereenkomst nog niet volgens de daarin opgenomen formaliteiten was beëindigd, vond het hof niet doorslaggevend. Uit de formulering van het testament volgde dat met de beëindiging van de samenleving het feitelijk samenleven als partners werd bedoeld.

Het hof paste bij de uitleg van het testament artikel 4:46 BW toe. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verhoudingen die de erflater met het testament wilde regelen en naar de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Poging tot herstel veranderde de uitkomst niet

De man had kort voor zijn overlijden laten weten dat hij de relatie mogelijk wilde herstellen. De vrouw wilde dat op dat moment echter niet. Volgens het hof veranderde deze eenzijdige wens niets aan het feit dat de samenleving toen al daadwerkelijk was beëindigd.

Het vervalbeding was daarom van toepassing. De vrouw was geen erfgenaam meer en kon evenmin als executeur of afwikkelingsbewindvoerder optreden. Het hof bekrachtigde de eerdere beslissing van de kantonrechter.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij samenwoners worden erfrechtelijke aanspraken niet automatisch op dezelfde manier geregeld als bij gehuwden. De precieze tekst van het testament is daarom van groot belang. Een vervalbeding kan ertoe leiden dat aanspraken al eindigen door een feitelijke relatiebreuk, ook als de samenlevingsovereenkomst nog niet formeel is opgezegd en gezamenlijke financiële zaken nog niet zijn afgewikkeld.

Na een relatiebreuk is het verstandig niet alleen de samenlevingsovereenkomst, maar ook testamenten, begunstigingen bij verzekeringen en eventuele executeursbenoemingen te controleren. Voor erfgenamen kan correspondentie over de beëindiging van de relatie, afzonderlijke huisvesting en de voorgenomen verdeling van bezittingen belangrijk bewijs opleveren.

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 28 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2026:1966.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Vattenfall mag terugleverkosten niet eenzijdig invoeren

Vattenfall mocht bij een klant met zestien zonnepanelen niet eenzijdig terugleverkosten invoeren. In de afzonderlijke terugleverovereenkomst stond alleen dat de klant een vergoeding zou ontvangen en waren geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. De uitspraak betekent niet dat terugleverkosten in iedere overeenkomst verboden zijn.

Uitspraak: 25 september 2026, Rechtbank Amsterdam
Gepubliceerd: 2 oktober 2026
Rechtsgebied: Consumentenrecht, energierecht en overeenkomstenrecht

Vattenfall mocht bij een klant met zestien zonnepanelen niet eenzijdig terugleverkosten invoeren. In de afzonderlijke terugleverovereenkomst stond alleen dat de klant een vergoeding zou ontvangen en waren geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. De uitspraak betekent niet dat terugleverkosten in iedere overeenkomst verboden zijn.

Afzonderlijke overeenkomst voor teruglevering

De consument had al sinds 2002 een overeenkomst voor de levering van gas en elektriciteit. Nadat hij zonnepanelen had laten plaatsen, kwam in 2020 daarnaast een afzonderlijke terugleverovereenkomst tot stand. Daarin stond dat hij voor teruggeleverde elektriciteit jaarlijks een vergoeding zou ontvangen.

Vanaf 1 juli 2024 bracht Vattenfall bij klanten met zonnepanelen vaste terugleverkosten in rekening. De energieleverancier beriep zich onder meer op haar algemene voorwaarden en op de kosten die de teruglevering van zonnestroom voor haar meebracht.

Geen contractuele basis voor nieuwe kosten

De kantonrechter stelde vast dat de terugleverovereenkomst losstond van de oorspronkelijke leveringsovereenkomst. De algemene voorwaarden bij de leveringsovereenkomst waren daarom niet automatisch van toepassing op de teruglevering.

In de terugleverovereenkomst werd uitsluitend gesproken over een vergoeding voor de geleverde elektriciteit. Vattenfall had de consument bij het sluiten van die overeenkomst niet duidelijk gemaakt dat later ook terugleverkosten konden worden ingevoerd. Als professionele partij had Vattenfall die mogelijkheid uitdrukkelijk in de overeenkomst of in toepasselijke algemene voorwaarden moeten opnemen.

Volgens de kantonrechter mocht de consument rekening houden met een verandering van de hoogte van zijn vergoeding. Hij hoefde echter niet te verwachten dat de contractuele structuur zo zou veranderen dat hij per saldo voor het terugleveren van energie moest betalen.

Beroep op onvoorziene omstandigheden slaagt niet

Vattenfall voerde ook aan dat de sterke groei van het aantal zonnepanelen en de bijbehorende kosten onvoorziene omstandigheden vormden. De kantonrechter vond dat onvoldoende. Niet was concreet aangetoond dat het achterwege laten van terugleverkosten bij deze klant een ernstige verstoring van de contractuele verhouding veroorzaakte.

Een rechter kan een overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden wijzigen op grond van artikel 6:258 BW, maar deze mogelijkheid wordt terughoudend toegepast.

De kantonrechter verbood Vattenfall daarom om bij deze consument eenzijdig terugleverkosten in te voeren. Over de vraag of het algemene voorwaardenbeding waarmee Vattenfall voorwaarden kan wijzigen oneerlijk is, werd nog niet definitief beslist. De procedure werd op dat onderdeel voortgezet.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak is geen algemeen verbod op terugleverkosten. Beslissend is wat in de individuele terugleverovereenkomst staat, welke algemene voorwaarden geldig van toepassing zijn en welke informatie de consument bij het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen.

Consumenten die terugleverkosten betwisten, doen er daarom goed aan de oorspronkelijke overeenkomst, bevestigingsbrieven, algemene voorwaarden, latere addenda en jaarafrekeningen te bewaren. Alleen uit het feit dat een energieleverancier kosten redelijk vindt of aan alle klanten met zonnepanelen berekent, volgt nog niet dat daarvoor in iedere individuele overeenkomst een geldige grondslag bestaat.

Bron: Rechtbank Amsterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 2 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2026:9661.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Huurwoning ontruimd na jarenlange ernstige overlast

Een woningcorporatie mocht de huurovereenkomst ontbinden vanwege langdurige en ernstige overlast. Meldingen van vrijwel het gehele appartementencomplex, politiegegevens en beeld- en geluidsmateriaal ondersteunden de klachten. Omdat waarschuwingen en gesprekken geen verbetering brachten, moest de huurder de woning binnen veertien dagen ontruimen.

Uitspraak: 24 september 2026, Rechtbank Oost-Brabant
Gepubliceerd: 5 oktober 2026
Rechtsgebied: Huurrecht woonruimte, ontbinding en ontruiming

Een woningcorporatie mocht de huurovereenkomst ontbinden vanwege langdurige en ernstige overlast. Meldingen van vrijwel het gehele appartementencomplex, politiegegevens en beeld- en geluidsmateriaal ondersteunden de klachten. Omdat waarschuwingen en gesprekken geen verbetering brachten, moest de huurder de woning binnen veertien dagen ontruimen.

Klachten van verschillende bewoners

De huurder woonde sinds 2020 in een appartement van woningcorporatie Wooninc. De verhuurder ontving vanaf eind 2024 veel meldingen over onder meer geschreeuw, bonken, slaan met deuren en intimiderend gedrag. Ook na brieven, een huisbezoek, gesprekken en aanvullende afspraken bleef de overlast volgens de corporatie voortduren.

De politie vermeldde in een bestuurlijke rapportage dat zij gedurende vijf jaar regelmatig bij het adres was ingezet. Uit zes van de zeven andere woningen in het appartementencomplex waren meldingen of aangiften afkomstig. Daarmee ging het volgens de kantonrechter niet om één uit de hand gelopen burenruzie.

Uitgebreid dossier gaf de doorslag

De verhuurder overlegde een groot aantal afzonderlijke meldingen, politiegegevens en beeld- en geluidsbestanden. Op camerabeelden was onder meer te zien dat de huurder aan camera’s van omwonenden zat. Een verklaring van een huisarts ondersteunde dat de langdurige overlast bij een omwonende tot slaap- en gezondheidsklachten had geleid.

De huurder ontkende de overlast en stelde dat hij juist zelf door andere bewoners werd lastiggevallen. Hij onderbouwde dat standpunt volgens de kantonrechter echter onvoldoende.

Geen uitzicht op verbetering

Een huurder moet zich op grond van artikel 7:213 BW als goed huurder gedragen. Een ernstige tekortkoming kan op grond van artikel 6:265 BW ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.

De kantonrechter woog mee dat de corporatie herhaaldelijk had geprobeerd de situatie te verbeteren. De overlast ging ook na het uitbrengen van de dagvaarding door. Verder bleek uit de bestuurlijke rapportage dat hulpverleners geen passende hulp konden inzetten, omdat de huurder zijn eigen aandeel niet onderkende en zij zich in het contact niet veilig voelden.

De huurovereenkomst werd daarom ontbonden. De huurder moest de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis ontruimen en tot de daadwerkelijke ontruiming een gebruiksvergoeding ter hoogte van de huur betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Niet iedere klacht over geluid of gedrag is voldoende voor ontbinding. De aard, ernst, duur en frequentie van de overlast zijn belangrijk, evenals de vraag van hoeveel verschillende bewoners de klachten afkomstig zijn en welke pogingen zijn gedaan om de situatie op te lossen.

Voor een verhuurder is een zorgvuldig dossier essentieel. Daarin kunnen afzonderlijke meldingen, waarschuwingen, gespreksverslagen, politiegegevens en objectieve beeld- of geluidsopnamen worden opgenomen. Een huurder die klachten betwist, doet er eveneens goed aan concreet en met stukken te reageren en aangeboden begeleiding serieus te overwegen.

Bron: Rechtbank Oost-Brabant, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 5 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2026:7008.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Huur campingstandplaats mag eindigen voor herontwikkeling

Een campingeigenaar mocht de huur van standplaatsen met stacaravans en chalets beëindigen vanwege een concreet herontwikkelingsplan. De huurders hadden niet dezelfde huurbescherming als huurders van woonruimte. Het hof liet de opzegging in stand, maar verlaagde de opgelegde dwangsommen.

Uitspraak: 22 september 2026, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Gepubliceerd: 22 september 2026
Rechtsgebied: Huurrecht, huur van onbebouwde grond en duurovereenkomsten

Een campingeigenaar mocht de huur van standplaatsen met stacaravans en chalets beëindigen vanwege een concreet herontwikkelingsplan. De huurders hadden niet dezelfde huurbescherming als huurders van woonruimte. Het hof liet de opzegging in stand, maar verlaagde de opgelegde dwangsommen.

Huur van grond en geen huur van woonruimte

De huurders huurden al langere tijd standplaatsen op camping De Fontein. De stacaravans en chalets op de plaatsen waren hun eigendom. Volgens het hof ging het juridisch om huur van onbebouwde grond en niet om huur van woonruimte.

Daarom gold niet de reguliere huurbescherming voor woonruimte. De huurovereenkomsten waren in beginsel opzegbaar op grond van artikel 7:228 lid 2 BW.

Wel aanvullende eisen aan de opzegging

De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een verhuurder alleen mag opzeggen wanneer daarvoor een zwaarwegende grond bestaat, een redelijke opzegtermijn wordt gebruikt of een vergoeding wordt aangeboden. Dat volgt uit de omstandigheden van de overeenkomst en artikel 6:248 BW.

In deze zaak had de campingeigenaar een concreet en uitvoerbaar plan voor herstructurering. De huurovereenkomsten waren ruim een jaar van tevoren opgezegd en aan de huurders was een vergoeding aangeboden. De later aangebrachte wijzigingen in het plan maakten de eerdere opzegging niet ongeldig.

Schadevergoeding en lagere dwangsom

De opzegging en de verplichting tot ontruiming bleven in stand. De huurders hadden wel recht op een nader vast te stellen vergoeding. Het hof verlaagde bovendien de dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 50.000 naar € 100 per dag met een maximum van € 10.000.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Wie een chalet of stacaravan bezit, is niet automatisch eigenaar van de grond en heeft niet vanzelf dezelfde bescherming als een huurder van een woning. De juridische positie hangt af van de huurovereenkomst, de aard van de standplaats, de toepasselijke voorwaarden, de reden voor opzegging en de aangeboden termijn en vergoeding.

Bij een voorgenomen beëindiging is het verstandig de opzeggingsbrief, het herontwikkelingsplan, de huurvoorwaarden en eventuele RECRON-voorwaarden tijdig juridisch te laten beoordelen. Een rechtsgeldige opzegging kan namelijk samengaan met een recht op vergoeding.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 22 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2026:6033.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Koper krijgt € 148.000 terug na misleidende grondspeculatie

Een consument kocht voor € 148.000 percelen landbouwgrond in de verwachting dat deze door een toekomstige bestemmingswijziging meer waard zouden worden. Volgens het hof gaven de brochures, website en verkoopgesprekken een te rooskleurig beeld en werd onvoldoende gewaarschuwd voor het risico op verlies. De verkoper moet de koopsommen terugbetalen en krijgt de percelen teruggeleverd.

Uitspraak: 1 september 2026, Gerechtshof Amsterdam
Gepubliceerd: 23 september 2026
Rechtsgebied: Consumentenrecht, koop en oneerlijke handelspraktijken

Een consument kocht voor € 148.000 percelen landbouwgrond in de verwachting dat deze door een toekomstige bestemmingswijziging meer waard zouden worden. Volgens het hof gaven de brochures, website en verkoopgesprekken een te rooskleurig beeld en werd onvoldoende gewaarschuwd voor het risico op verlies. De verkoper moet de koopsommen terugbetalen en krijgt de percelen teruggeleverd.

Landbouwgrond aangeboden als investering

De grondverkoper presenteerde de percelen als een waardevaste investering met kans op een hoog rendement. In de brochures werd gewezen op woningnood, bevolkingsgroei, bouwplannen en de mogelijke ontwikkeling van nieuwe woongebieden in de omgeving van de percelen.

De informatie was volgens het hof op onderdelen feitelijk niet onjuist, maar de combinatie en presentatie daarvan wekte wel de indruk dat bebouwing en een bestemmingswijziging reële mogelijkheden voor de nabije toekomst waren.

Onvoldoende concrete waarschuwingen

De brochures vermeldden niet duidelijk dat de koper speculeerde met landbouwgrond, dat er geen garantie op winst bestond en dat een aanzienlijk verlies mogelijk was. Algemene waarschuwingen in de koopovereenkomsten en op de website waren onvoldoende om het optimistische verkoopverhaal te corrigeren.

Een consument moet volgens het hof niet alleen begrijpen dat een investering onzeker is, maar ook in staat worden gesteld een redelijke inschatting te maken van het concrete risico. De professionele verkoper moest daarom duidelijke informatie geven over de vooruitzichten voor juist deze percelen.

De relevante regels over misleidende en oneerlijke handelspraktijken staan onder meer in artikel 6:193b BW en artikel 6:193c BW.

Waarschuwing door de notaris kwam te laat

De verkoper voerde aan dat de notaris de koper vóór de levering nog op het speculatieve karakter van de belegging had gewezen. Volgens het hof kon de verkoper zich daarachter niet verschuilen. De koopovereenkomsten waren toen al gesloten op basis van de informatie die de verkoper zelf had verstrekt.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij aanbiedingen van landbouwgrond als belegging moet kritisch worden gekeken naar de concrete planologische situatie. Algemene verwijzingen naar woningnood of bouwplannen in een regio zeggen nog niet dat juist het aangeboden perceel binnen afzienbare tijd een bouwbestemming krijgt.

Een consument die door misleidende informatie tot aankoop is bewogen, kan onder omstandigheden aanspraak maken op terugbetaling of schadevergoeding. Bewaar daarom brochures, e-mails, vragenlijsten, gespreksnotities en oude versies van de website. Deze stukken kunnen beslissend zijn voor de vraag welke verwachtingen vóór het sluiten van de overeenkomst zijn gewekt.

Bron: Gerechtshof Amsterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 23 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.