Nieuwsblog Advocaten.nl

Foto van oud-medewerker op bestelbus: € 2.500 schadevergoeding

Een bedrijf gebruikte jarenlang een foto en de volledige naam van een voormalige uitzendkracht op een bestelbus. Dat zij destijds voor de foto had geposeerd, betekende niet dat zij onbeperkt toestemming had gegeven voor reclamegebruik. Het bedrijf moest € 2.500 schadevergoeding betalen en het verdere gebruik beëindigen.

Datum uitspraak: 23 oktober 2026
Publicatiedatum: 26 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied: Portretrecht, auteursrecht en schadevergoeding

Foto van uitzendkracht op een bestelbus

Een vrouw had in 2009 via een uitzendbureau voor een bedrijf gewerkt. Tijdens haar werkzaamheden waren foto’s van haar gemaakt. Jaren later ontdekte zij dat het bedrijf een van die foto’s op een bestelbus had aangebracht. Bij de foto stonden ook haar voor- en achternaam.

De vrouw verzette zich tegen het reclamegebruik. Zij vorderde onder meer een verbod op verder gebruik en € 10.000 aan schadevergoeding.

Poseren is geen onbeperkte toestemming

De foto was niet in opdracht van de vrouw gemaakt. De rechter toetste het gebruik daarom aan artikel 21 Auteurswet. Volgens die bepaling mag een portret niet zonder meer openbaar worden gemaakt wanneer een redelijk belang van de geportretteerde zich daartegen verzet.

Het bedrijf stelde dat de vrouw tijdens werktijd voor de foto had geposeerd en daarmee stilzwijgend toestemming had gegeven voor zakelijk en promotioneel gebruik.

De kantonrechter maakte onderscheid tussen toestemming om een foto te maken en toestemming om die foto vervolgens jarenlang voor reclame te gebruiken. Dat iemand poseert, betekent niet dat de fotograaf of het bedrijf onbeperkt met het portret mag doen wat het wil.

Het bedrijf verwees ook naar interne huisregels waarin gebruik van personeelsfoto’s zou zijn geregeld. Het kon echter niet aantonen dat de vrouw destijds over die regels was geïnformeerd of ermee had ingestemd.

Recht om zelf te bepalen waarmee iemand wordt geassocieerd

De vrouw was geen beroepsmodel en had daarom geen commercieel verzilverbaar portretrecht aangetoond. Zij had volgens de rechter wel een persoonlijkheidsrechtelijk belang.

Zij mocht zelf bepalen met welk bedrijf en met welke werkzaamheden zij door het publiek werd geassocieerd. Zij werkte inmiddels al meer dan tien jaar als communicatieadviseur in het sociale domein en wilde niet de indruk wekken dat zij daarnaast voor het bedrijf op de bestelbus werkte.

Het argument dat zij door het tijdsverloop niet meer herkenbaar zou zijn, slaagde niet. Verschillende mensen hadden haar op de bus herkend. Bovendien stond haar volledige naam bij de foto.

Schadevergoeding en verbod op verder reclamegebruik

De kantonrechter stelde de immateriële schadevergoeding vast op € 2.500. Daarbij woog mee dat de foto slechts op één bestelbus was gebruikt, maar wel jarenlang zichtbaar was geweest en vergezeld ging van de naam van de vrouw.

Het bedrijf mocht het portret niet langer in zijn reclame openbaar maken. Voor iedere dag waarop het bedrijf het verbod zou overtreden, werd een dwangsom bepaald van € 250, met een maximum van € 5.000.

Daarnaast moest het bedrijf € 453,75 aan incassokosten en € 1.037,54 aan proceskosten betalen.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Toestemming voor het maken van een foto is niet automatisch toestemming voor ieder later gebruik. Een werkgever of opdrachtgever moet duidelijk vastleggen voor welke publicaties, kanalen en periode een portret mag worden gebruikt.

Ook na beëindiging van een dienstverband kan reclamegebruik problemen opleveren. Bij gebruik van foto’s van werknemers, uitzendkrachten of klanten is het verstandig om een afzonderlijke en duidelijke toestemmingsverklaring te gebruiken.

Wie ontdekt dat zijn portret zonder toestemming wordt gebruikt, kan het gebruik schriftelijk betwisten en verwijdering eisen. Bewaar foto’s van de publicatie, schermafbeeldingen, publicatiedata en correspondentie. De hoogte van een eventuele schadevergoeding hangt onder meer af van de duur, het bereik, het commerciële karakter en de gevolgen van de publicatie.

ECLI-uitspraak: ECLI:NL:RBROT:2026:14300

Bron: Rechtbank Rotterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 26 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Tweedehands auto binnen een jaar defect: verkoper moest tegendeel bewijzen

Een tweedehands BMW kreeg binnen een jaar na aankoop ernstige motorschade en kon niet meer rijden. Daardoor gold het wettelijke vermoeden dat de auto al bij aflevering niet aan de overeenkomst voldeed. De verkoper kon niet bewijzen dat een andere garage de schade had veroorzaakt en kreeg bovendien twaalf weken de tijd voor herstel zonder duidelijkheid te geven over de planning.

Datum uitspraak: 20 oktober 2026
Publicatiedatum: 22 oktober 2026
Gerecht: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem
Rechtsgebied: Consumentenrecht en koopovereenkomsten

Tweedehands auto defect binnen één jaar

Consumenten kochten in november 2022 een tweedehands BMW cabriolet voor € 35.450, inclusief de inruil van een andere auto. In de daaropvolgende maanden werden wegens klachten onder meer twee afdichtringen en een injector vervangen.

In juni 2023 begon de motor te rammelen. Onderzoek wees uit dat de krukas en de drijfstanglagers kapot waren. De auto kon daardoor niet meer worden gebruikt. De verkoper kreeg de auto op 8 juli 2023 voor herstel onder zich.

Wettelijk bewijsvermoeden bij consumentenkoop

Partijen waren het erover eens dat binnen een jaar een gebrek aan het licht was gekomen waardoor de auto niet meer geschikt was voor normaal gebruik. In zo’n situatie wordt op grond van artikel 7:18a lid 2 BW vermoed dat de zaak al bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde.

De verkoper stelde dat een garage die eerder de injector had vervangen de motorschade had veroorzaakt. Zij baseerde dat standpunt op een rapport van een eigen deskundige. Volgens een door de kopers ingeschakelde deskundige was die conclusie echter voornamelijk gebaseerd op aannames. Technisch onderzoek naar onder meer de motorolie, de injector en de interne motordelen ontbrak. Ook waren andere mogelijke oorzaken niet onderzocht.

Het hof oordeelde dat de verkoper onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om het wettelijke vermoeden te weerleggen. Alleen het gegeven dat andere garages aan de auto hadden gewerkt, maakte het bewijsvermoeden niet onbruikbaar.

Twaalf weken zonder herstelplanning was te lang

Ongeveer twaalf weken nadat de auto voor herstel was ingeleverd, waren de werkzaamheden nog niet begonnen. Op vragen van de kopers kon de verkoper niet aangeven hoe lang het nog zou duren.

Volgens het hof mochten de kopers daaruit afleiden dat herstel niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast zou plaatsvinden. Zij konden de koop daarom ontbinden op grond van artikel 7:22 lid 5 BW. Zij hoefden na twaalf weken niet opnieuw een afzonderlijke hersteltermijn te stellen.

Dat het door de verkoper ingeschakelde reparatiebedrijf wegens vakantie en drukte niet eerder kon beginnen, kwam voor risico van de verkoper. Het ging om de wettelijke verplichting om een non-conforme auto binnen een redelijke termijn te herstellen.

Niet alle gevorderde bedragen werden toegewezen

De verkoper moest het grootste deel van de betaalde koopprijs terugbetalen. Een beweerde contante betaling van € 3.000 werd niet vergoed, omdat de kopers daarvan geen bewijs hadden aangeboden. Ook de kosten van vervangend vervoer voor een veel later geboekte vakantie werden als te ver verwijderd van het oorspronkelijke gebrek afgewezen.

De redelijke kosten van een lokale diagnose en een deskundigenrapport werden wel toegewezen. Uiteindelijk moest de verkoper € 33.471,17, rente en € 1.645 aan deskundigenkosten betalen.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij consumentenkoop is een commerciële garantie niet hetzelfde als de wettelijke rechten van de koper. Een verkoper kan zich niet eenvoudig aan het wettelijke bewijsvermoeden onttrekken door te wijzen op ouderdom, gebruik of werkzaamheden van een andere garage. Daarvoor is een concrete technische onderbouwing nodig.

Een koper doet er verstandig aan klachten onmiddellijk schriftelijk te melden, diagnosegegevens te bewaren en de verkoper een reële gelegenheid tot herstel te geven. Vraag schriftelijk om een herstelplanning. Als herstel onredelijk lang uitblijft of de verkoper niet kan zeggen wanneer het wordt uitgevoerd, kan ontbinding mogelijk zijn.

ECLI-uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2026:6777

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 22 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Geen goede beginbeschrijving, toch ruim € 9.000 herstelkosten voor huurder

Een bij aanvang van de huur ondertekend formulier was te algemeen om als geldige beginbeschrijving van de woning te dienen. Toch kon de verhuurder met ander bewijs aantonen in welke staat de woning was verhuurd en dat de huurder haar beschadigd en gewijzigd had achtergelaten. De huurder moest daarom € 9.133,77 aan herstelkosten betalen.

Datum uitspraak: 15 september 2026
Publicatiedatum: 21 oktober 2026
Gerecht: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden
Rechtsgebied: Huurrecht woonruimte en bewijsrecht

Oplevering van de huurwoning na bijna zes jaar

De huurder had van mei 2018 tot januari 2024 een woning gehuurd. Na haar opzegging kondigde de woningcorporatie een voorinspectie aan. De huurder was daarbij niet aanwezig en maakte ook geen nieuwe afspraak. Zij woonde evenmin de eindinspectie bij.

Bij de eindinspectie constateerde de verhuurder onder meer dat het keukenblok, schakelmateriaal en vensterbanken waren overgeschilderd, onderdelen van de verwarming ontbraken en zaken in de woning en tuin waren achtergelaten. Ook waren volgens de verhuurder wanden, vensterbanken en kozijnen beschadigd.

Wanneer is sprake van een geldige beginbeschrijving?

Artikel 7:224 lid 2 BW maakt onderscheid tussen huur met en zonder een beschrijving van de oorspronkelijke staat. Is een voldoende gedetailleerde beschrijving opgesteld, dan moet de huurder de woning in beginsel overeenkomstig die beschrijving opleveren, rekening houdend met normale slijtage en toegestane veranderingen.

Ontbreekt zo’n beschrijving, dan wordt vermoed dat de huurder de woning heeft ontvangen in de staat waarin deze bij het einde van de huur verkeert. De verhuurder mag tegenbewijs leveren.

In deze zaak hadden partijen wel een formulier met de titel “Staat van onderhoud bij aanvang huur” ondertekend. Daarop stonden enkele afwijkingen, zoals slecht gestopte gaten, slordig schilderwerk en een roestig dakraam. De rest van de woning werd slechts in algemene bewoordingen aangeduid als de oorspronkelijke staat.

Het hof vond het formulier onvoldoende gedetailleerd. Partijen konden daaruit niet nauwkeurig afleiden hoe ieder onderdeel bij het einde van de huur moest worden opgeleverd. Het formulier gold daarom niet als een volledige beschrijving in de zin van artikel 7:224 BW.

Verhuurder leverde alsnog voldoende bewijs

Het ontbreken van een goede beginbeschrijving betekende niet dat de huurder automatisch vrijuit ging. De verhuurder mocht met andere bewijsmiddelen aantonen hoe de woning bij aanvang was opgeleverd.

De woningcorporatie gaf een gedetailleerde opsomming van de oorspronkelijke staat. Een medewerker die in 2018 bij het aangaan van de huur betrokken was geweest, bevestigde deze beschrijving tijdens de zitting. De huurder had dat onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Het eindrapport en de bijbehorende foto’s toonden vervolgens aanzienlijke verschillen. De huurder erkende bovendien dat zij verschillende onderdelen had geschilderd en dat bepaalde verwarmingsmantels aanvankelijk wel aanwezig waren. Daarmee stond volgens het hof voldoende vast dat de woning niet correct was opgeleverd.

Herstelkosten volledig toegewezen

De woningcorporatie vorderde € 9.133,77 op basis van haar normbedragen. Uit facturen bleek dat de werkelijke werkzaamheden aanzienlijk meer hadden gekost. Het hof vond daarom bewezen dat de schade ten minste gelijk was aan het gevorderde bedrag.

De huurder werd veroordeeld tot betaling van de volledige € 9.133,77, naast achterstallige huur, rente en incassokosten.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Een ontbrekende of onvoldoende gedetailleerde beginbeschrijving versterkt de bewijspositie van een huurder, maar sluit aansprakelijkheid niet uit. Een verhuurder kan met ander overtuigend bewijs aantonen hoe de woning oorspronkelijk is opgeleverd.

Huurders doen er verstandig aan bij aanvang en einde van de huur gedateerde foto’s te maken en gebreken schriftelijk te melden. Woon een voor- en eindinspectie bij en vraag om een ondertekend rapport. Een voorinspectie geeft doorgaans ook de gelegenheid om gebreken zelf en tegen lagere kosten te herstellen.

Verhuurders moeten de staat van de woning bij aanvang per ruimte en onderdeel nauwkeurig beschrijven. Algemene aanduidingen als “goede staat” of “oorspronkelijke staat” kunnen onvoldoende zijn.

ECLI-uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2026:6028

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 21 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Wanneer is een nalatenschap zuiver aanvaard? Handelingen van executeurs beoordeeld

Het opheffen van een bankrekening en het maken van een voorlopige boedelbeschrijving leidden in deze zaak niet tot zuivere aanvaarding, omdat de erfgenamen daarbij als executeur handelden. Ook het opvragen van informatie door een andere erfgenaam was geen daad van zuivere aanvaarding. Verder was onvoldoende bewezen dat vermogensbestanddelen opzettelijk waren verzwegen.

Datum uitspraak: 30 september 2026
Publicatiedatum: 21 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied: Erfrecht, executele en vereffening

Drie erfgenamen en twee executeurs

Een vader had drie van zijn vier kinderen voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd. Twee kinderen waren tevens tot executeur benoemd. Het vierde kind was impliciet onterfd en kreeg een legaat ter grootte van zijn legitieme portie.

De drie erfgenamen aanvaardden de nalatenschap beneficiair. Tussen hen ontstond daarna discussie over de vraag of bepaalde eerdere handelingen toch tot zuivere aanvaarding hadden geleid. Ook verschilden zij van mening over schenkingen tijdens het leven van hun vader, de uitvoering van zijn levenstestament en mogelijk verzwegen boedelbestanddelen.

Bankrekening opheffen was geen zuivere aanvaarding

De executeurs hadden na het overlijden een bankrekening opgeheven om verdere bankkosten te voorkomen. Het resterende saldo en later ontvangen rente waren daardoor op hun rekeningen terechtgekomen. Niet bleek echter dat zij dit geld voor zichzelf hadden gebruikt of aan het verhaal van schuldeisers hadden onttrokken.

Volgens de rechtbank hadden zij bij het opheffen van de rekening als executeurs gehandeld. Ook het opmaken van een voorlopige boedelbeschrijving viel binnen hun taak. Deze handelingen maakten hen daarom niet tot zuiver aanvaardende erfgenamen.

Dat in de eerste boedelbeschrijving alle posten op nihil waren gesteld, noemde de rechtbank ondoordacht. De executeurs hadden echter duidelijk gemaakt dat de beschrijving voorlopig was en nog kon worden aangepast. Mede omdat zij geen professionele executeurs waren, leidde die fout niet tot zuivere aanvaarding.

De derde erfgenaam had informatie over de nalatenschap opgevraagd. Ook dat was geen daad van zuivere aanvaarding. Informatie verzamelen is geen beschikkingshandeling waarbij goederen van de nalatenschap aan het verhaal van schuldeisers worden onttrokken. De wettelijke regeling over aanvaarding is onder meer opgenomen in artikel 4:192 BW.

Levenstestament beschermt de volmachtgever, niet diens toekomstige erfgenamen

De twee gevolmachtigden hadden vóór het overlijden schenkingen uitgevoerd en de financiën van hun vader beheerd. Een andere erfgenaam stelde dat zij hadden moeten voorkomen dat zijn vermogen sterk afnam.

De rechtbank vond de schenkingen en uitgaven voldoende verklaard. De vader had nog een eigen bankpas, ging zelf op pad en wilde ondanks zijn beperkingen zo veel mogelijk zijn eigen leven leiden. De gevolmachtigden hadden zijn pinlimiet verlaagd en het saldo op zijn betaalrekening beperkt, maar hoefden niet ieder persoonlijk uitgavenpatroon onmogelijk te maken.

Dat daardoor voor de erfgenamen weinig vermogen overbleef, betekende niet dat de gevolmachtigden onjuist hadden gehandeld. Zij vertegenwoordigden de vader en moesten zijn belangen en autonomie dienen, niet het toekomstige financiële belang van zijn erfgenamen.

Geen opzettelijke verzwijging van boedelbestanddelen

De executeurs zouden volgens de andere erfgenaam enkele saldi en een terugbetaalde huurwaarborg hebben verzwegen. Zij zouden daardoor hun aandeel in die goederen moeten verliezen op grond van artikel 3:194 lid 2 BW.

Voor deze zware sanctie is opzettelijke verzwijging, zoekmaking of verborgenhouding vereist. De executeurs hadden later openheid van zaken gegeven en de eerste boedelbeschrijving uitdrukkelijk als voorlopig gepresenteerd. De rechtbank vond daarom niet bewezen dat zij de andere erfgenaam opzettelijk wilden benadelen.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Niet iedere handeling met betrekking tot een nalatenschap leidt tot zuivere aanvaarding. Beslissend kan zijn in welke hoedanigheid iemand handelt, welk doel de handeling heeft en of goederen aan schuldeisers worden onttrokken. De uitkomst is sterk afhankelijk van de omstandigheden.

Leg daarom vast dat handelingen namens de nalatenschap of in de hoedanigheid van executeur worden verricht. Houd nalatenschapsgeld afgescheiden van privévermogen, stel een volledige boedelbeschrijving op en vermeld onzekere bestanddelen desnoods als voorlopige post. Geef mede-erfgenamen tijdig inzicht in bankafschriften, terugbetalingen en ontvangen bedragen.

ECLI-uitspraak: ECLI:NL:RBROT:2026:14390

Bron: Rechtbank Rotterdam, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 21 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Woning verkopen om overwaarde te benutten: kredietconstructie vernietigd

Een woningeigenaar ontving € 70.000 nadat zij een overeenkomst had getekend waarin haar woning voor € 510.000 werd verkocht. Om de verkoop terug te draaien, zou zij binnen enkele maanden € 70.000 plus € 50.000 moeten betalen. De rechtbank beschouwde de constructie als een verboden omzeiling van de regels voor consumentenkrediet en aanvaardde de vernietiging van de overeenkomst.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026
Publicatiedatum: 19 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied: Consumentenrecht, overeenkomstenrecht en onroerend goed

Overwaarde woning benutten zonder te verhuizen

De woningeigenaar reageerde op een advertentie waarin werd aangeboden de overwaarde van een woning te benutten zonder dat de eigenaar hoefde te verhuizen. Zij had op korte termijn geld nodig en tekende thuis een overeenkomst die als koopovereenkomst was vormgegeven.

In de overeenkomst stond dat haar appartement voor € 510.000 werd verkocht. De onderneming betaalde een voorschot van € 70.000. De woning zou later via een zogenoemde ABC-transactie aan een derde kunnen worden geleverd. Wilde de eigenaar de overeenkomst vóór 31 januari 2026 beëindigen, dan moest zij niet alleen het voorschot terugbetalen, maar ook een ontbindingsvergoeding van € 50.000.

Daarnaast werd ten gunste van de onderneming een hypotheekrecht van € 270.000 gevestigd. Ook werden pandrechten gevestigd op zaken en vorderingen die met de woning verband hielden.

De economische werkelijkheid was een kortlopende lening

Volgens de rechtbank stond niet de verkoop van de woning, maar de behoefte aan een kortlopende financiering voorop. De eigenaar wilde haar woning niet werkelijk verkopen. Er was ook niet onderhandeld over gebruikelijke onderdelen van een woningverkoop, zoals de prijs en de datum van levering. De aandacht lag vooral op het voorschot en de mogelijkheid om de transactie tegen betaling van € 50.000 terug te draaien.

Een dergelijke vergoeding op een verstrekt bedrag van € 70.000 kwam neer op ruim 71%. De wettelijke regels voor consumentenkrediet moeten consumenten beschermen tegen ontoelaatbare kredietkosten. Het op deze manier omzeilen van die bescherming is op grond van artikel 7:73 lid 2 BW niet toegestaan.

De rechtbank kwalificeerde de constructie in deze omstandigheden als strijdig met dwingendrechtelijke regels voor consumentenkrediet. Daardoor was de overeenkomst vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. De buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van de eigenaar had daarom effect.

Geen gedwongen verkoop of levering van de woning

Omdat de overeenkomst was vernietigd, wees de rechtbank alle vorderingen af die waren gericht op bezichtiging, verkoop en levering van de woning. De onderneming kon de eigenaar dus niet verplichten haar woning aan de onderneming of een derde over te dragen.

Ook verklaarde de rechtbank dat het hypotheekrecht en de pandrechten waardeloos waren geworden. Het conservatoire leveringsbeslag werd niet onmiddellijk opgeheven. Zo’n beslag vervalt in beginsel wanneer de afwijzing van de hoofdvordering definitief is geworden. Voor eerdere opheffing was in deze procedure geen voldoende zwaarwegend belang aangevoerd.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Constructies waarbij een huiseigenaar snel een voorschot ontvangt en zijn woning formeel verkoopt, kunnen materieel een kredietovereenkomst zijn. De naam boven het contract is niet beslissend: de rechter kijkt ook naar het economische doel, de feitelijke afspraken en de positie van de consument.

Belangrijke waarschuwingssignalen zijn een hoge vergoeding voor terugbetaling, een hypotheekrecht dat veel hoger is dan het ontvangen bedrag, een onbepaalde leverdatum en het recht van de wederpartij om de woning zonder verdere inspraak door te verkopen.

Laat een dergelijke overeenkomst vóór ondertekening onafhankelijk beoordelen door een advocaat of notaris. De uitspraak betekent niet dat iedere overeenkomst waarbij een woning wordt verkocht en teruggekocht ongeldig is. De uitkomst hangt af van de werkelijke bedoeling, de kosten, de zekerheden en de overige omstandigheden.

ECLI-uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30771

Bron: Rechtbank Den Haag, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 19 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Ernstige beschuldigingen op Facebook zonder bewijs: verbod en dwangsom

Een Facebookgebruiker beschuldigde een stichting en haar voorzitter van onder meer fraude, oplichting, dierenmishandeling en andere strafbare feiten. De beschuldigingen werden als feiten gepresenteerd, maar vonden onvoldoende steun in het beschikbare materiaal. De rechter gebood verwijdering van vergelijkbare berichten en legde voor nieuwe overtredingen een gemaximeerde dwangsom op.

Datum uitspraak en publicatie: 22 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo
Rechtsgebied: Onrechtmatige daad, online publicaties en vrijheid van meningsuiting

Kritiek na onvrede over dienstverlening

Een vrouw was ontevreden over de crematie van haar hond. Zij uitte haar onvrede op Facebook en riep voormalige medewerkers en vrijwilligers op om informatie over vermeende misstanden te delen. Daarbij betrok zij ook een dierenopvangstichting en de voormalige eigenares van het crematorium.

De berichten gingen veel verder dan kritiek op de verleende dienst. De vrouw beschuldigde de betrokkenen onder meer van dierenmishandeling, illegale dierenhandel, fraude, afpersing, oplichting, valsheid in geschrift, corruptie en psychische stoornissen. Ook werden externe instanties en nieuwsmedia in de berichten genoemd of getagd.

Vrijheid van meningsuiting tegenover bescherming van reputatie

De voorzieningenrechter moest het recht op vrijheid van meningsuiting afwegen tegen het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, eer en goede naam. Geen van beide rechten heeft vooraf automatisch voorrang.

Bij de belangenafweging keek de rechter onder meer naar de ernst van de beschuldigingen, de gevolgen voor de betrokkenen, het maatschappelijke belang van de gestelde misstand, de beschikbare feitelijke onderbouwing en de manier waarop de berichten waren geformuleerd.

De vrouw mocht haar onvrede over de crematie uiten en vragen stellen over opvallende gegevens. Zij mocht daaruit echter niet zonder voldoende bewijs afleiden dat ernstige strafbare feiten en andere misstanden hadden plaatsgevonden.

Beschuldigingen werden als vaststaande feiten gepresenteerd

In haar verweer formuleerde de vrouw voorzichtig en erkende zij dat verklaringen van derden niet automatisch bewezen dat ieder onderliggend feit juist was. Die terughoudendheid ontbrak volgens de rechter volledig in haar openbare Facebookberichten.

Daarin werden ernstige beschuldigingen als vaststaande feiten gepresenteerd. De overgelegde stukken boden daarvoor onvoldoende steun. Het belang van de stichting en haar voorzitter bij bescherming van hun goede naam woog daarom zwaarder dan het recht om de beschuldigingen in deze vorm openbaar te maken. Dergelijke publicaties kunnen een onrechtmatige daad opleveren in de zin van artikel 6:162 BW.

Geen algemeen verbod op iedere negatieve uitlating

De rechter legde geen onbeperkt verbod op om nog iets negatiefs over de betrokkenen te schrijven. Zo’n algemeen verbod zou de vrijheid van meningsuiting te ver beperken en bovendien moeilijk uitvoerbaar zijn.

Wel moest de vrouw berichten verwijderen waarin zij zich op een vergelijkbare manier uitliet als in de beoordeelde publicaties. Ook mocht zij geen nieuwe vergelijkbare berichten op haar Facebookaccount of besloten Facebookgroep plaatsen. Voor iedere dag waarop zij het vonnis niet naleeft, kan zij € 250 aan dwangsommen verbeuren, tot maximaal € 15.000.

De verlangde rectificatie werd afgewezen, omdat verwijdering en het verbod volgens de rechter voldoende bescherming boden. Ook kwam er geen algemeen verbod om derden te benaderen of meldingen bij politie en toezichthouders te doen. Een aangifte of melding is niet zonder meer onrechtmatig, zolang deze niet opzettelijk vals of anderszins uitzonderlijk onzorgvuldig is.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Ook een bericht in een besloten Facebookgroep kan juridische gevolgen hebben. Wie ernstige beschuldigingen als feiten publiceert, moet kunnen aantonen dat daarvoor voldoende feitelijke steun bestaat. Het toevoegen van woorden als “volgens mij” of “ik stel alleen vragen” voorkomt niet altijd dat een bericht als feitelijke beschuldiging wordt gelezen.

Maak daarom duidelijk onderscheid tussen persoonlijke ervaringen, meningen, vermoedens en vaststaande feiten. Bewaar schermafbeeldingen, links en publicatiedata als u door online beschuldigingen wordt getroffen. Een sommatie tot verwijdering moet bij voorkeur concreet aangeven welke passages onrechtmatig zijn en waarom.

Bij een gerechtelijke vordering is een nauwkeurig omschreven verbod kansrijker dan een algemeen verbod op alle toekomstige negatieve publicaties. De vrijheid van meningsuiting blijft namelijk ook gelden voor scherpe, onaangename of kritische uitingen die voldoende steun vinden in de feiten.

ECLI-uitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2026:6372

Bron: Rechtbank Overijssel, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 22 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Scootmobiel in vluchtroute verboden, maar gewone rolstoel mocht blijven

Een woningcorporatie mocht huurders verbieden een scootmobiel in de gemeenschappelijke vluchtroute te stallen. Een niet-elektrische rolstoel mocht in deze zaak wel blijven staan, omdat deze niet brandgevaarlijk was en voldoende vrije doorgang overbleef. De ernstige persoonlijke belangen van de bewoner maakten de dwingende brandveiligheidsregels niet buiten toepassing.

Datum uitspraak: 30 september 2026
Publicatiedatum: 16 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Gelderland, kantonrechter te Arnhem
Rechtsgebied: Huurrecht woonruimte en brandveiligheid

Scootmobiel en rolstoel voor de woningdeur

Een mindervalide huurster plaatste haar scootmobiel en gewone rolstoel in de gemeenschappelijke hal voor haar appartement. De woningcorporatie verzocht de huurders herhaaldelijk om de zaken te verwijderen. Zij beriep zich daarbij op het huurreglement, goed huurderschap en de aangescherpte brandveiligheidsregels die sinds 1 juli 2024 gelden.

De bewoners wilden de hulpmiddelen vanwege de lichamelijke beperkingen van de huurster dicht bij de woning houden. Volgens hen was de hal breed genoeg en hadden andere bewoners geen last van de stalling. Ook beriepen zij zich op eerder verleende toestemming.

Verschillende regels voor brandgevaar en doorgang

Artikel 6.15a van het Besluit bouwwerken leefomgeving verbiedt brandgevaarlijke objecten in een gemeenschappelijke verkeersruimte waardoor een vluchtroute voert. Scootmobielen worden in deze bepaling uitdrukkelijk als brandgevaarlijk object genoemd.

Artikel 6.23a Bbl gaat over objecten die het vluchten belemmeren. Voor dergelijke voorwerpen kan relevant zijn hoeveel vrije ruimte overblijft: in de beschreven situatie moest ten minste 0,85 meter beschikbaar blijven.

De gewone, niet-elektrische rolstoel was niet brandgevaarlijk. Volgens de kantonrechter bleef er bovendien voldoende ruimte over om te vluchten. De rolstoel mocht daarom in deze concrete situatie in de hal blijven staan.

Voor de scootmobiel gold een andere beoordeling. Omdat deze wettelijk als brandgevaarlijk object is aangemerkt, bood de ruime doorgang geen uitzondering. Het uitgangspunt was daarom dat de scootmobiel niet in de gemeenschappelijke vluchtroute mocht blijven staan.

Persoonlijke belangen en mogelijke maatwerkoplossingen

De kantonrechter erkende dat de huurster zwaarwegende medische en mobiliteitsbelangen had. Die belangen konden de woningcorporatie echter niet verplichten een situatie te laten voortbestaan die in strijd was met dwingende brandveiligheidsregels.

Een gelijkwaardige oplossing met aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen kan soms mogelijk zijn. In deze zaak waren onder meer een brandveilige stalling en andere voorzieningen besproken, maar bleek geen uitvoerbare oplossing beschikbaar waarmee de scootmobiel in de hal kon blijven. De verhuurder had daarnaast toegezegd mee te werken aan voorzieningen om de berging beter bereikbaar te maken.

Eerder verleende toestemming stond niet aan handhaving in de weg. Een verhuurder mag toestemming in beginsel intrekken wanneer gewijzigde dwingende regelgeving anders tot een onrechtmatige of brandonveilige situatie leidt.

De rechter verbood de huurders de scootmobiel en andere brandgevaarlijke of belemmerende objecten in de gemeenschappelijke ruimten te plaatsen. Er werd geen dwangsom opgelegd, maar de woningcorporatie mocht de zaken na 105 dagen door een gespecialiseerd bedrijf laten afvoeren als niet aan het vonnis werd voldaan.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De uitspraak maakt duidelijk dat een scootmobiel en een gewone rolstoel juridisch niet zonder meer hetzelfde worden behandeld. Bij een rolstoel kan de resterende doorgang doorslaggevend zijn. Een scootmobiel valt daarentegen onder de wettelijke categorie brandgevaarlijke objecten.

Bewoners en verhuurders doen er verstandig aan tijdig gezamenlijk te zoeken naar een veilige en toegankelijke oplossing. Daarbij kunnen ook de gemeente, een Wmo-consulent, een ergotherapeut en de brandweer of omgevingsdienst worden betrokken. Leg vast welke stallingsmogelijkheden, bouwkundige afmetingen en aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen zijn onderzocht.

ECLI: ECLI:NL:RBGEL:2026:7466

Bron: Rechtbank Gelderland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 16 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Ex-partner toch erfgenaam? Omschrijving in het testament gaf de doorslag

Een vrouw was in een testament uit 2006 als enige erfgenaam aangeduid als “mijn vriendin en levenspartner”. De relatie en samenleving eindigden in 2008. De rechtbank oordeelde dat de erfstelling alleen was bedoeld voor de periode waarin die relatie nog bestond, waardoor het enige kind volgens het wettelijke erfrecht erfde.

Datum uitspraak: 30 september 2026
Publicatiedatum: 16 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden
Rechtsgebied: Erfrecht en nalatenschappen

Testament bleef na de relatiebreuk ongewijzigd

Een man had in 2006 zijn toenmalige partner tot enige erfgenaam benoemd. In het testament werd zij aangeduid als “mijn vriendin en levenspartner”, gevolgd door haar naam en verdere persoonsgegevens. Zijn dochter kreeg enkele persoonlijke zaken gelegateerd en was daarnaast opgenomen als verwachter in een tweetrapsmaking.

De relatie eindigde in 2008. Ook de samenlevingsovereenkomst werd toen notarieel beëindigd en de gezamenlijke woning werd verdeeld. Er werd wel een concept voor een nieuw testament opgesteld waarin de dochter als enige erfgenaam werd genoemd, maar dit concept is nooit als testament ondertekend.

De man kreeg later een nieuwe relatie en ging kort voor het overlijden van zijn nieuwe partner een geregistreerd partnerschap met haar aan. Hij overleed in 2025 zonder het testament uit 2006 formeel te hebben herroepen of vervangen.

Was “vriendin en levenspartner” alleen een beschrijving?

De voormalige partner stelde dat zij met naam en toenaam tot erfgenaam was benoemd. Volgens haar waren de woorden “vriendin en levenspartner” slechts een beschrijving van de situatie in 2006. De dochter stelde juist dat de benoeming alleen gold zolang de affectieve relatie bestond.

Een testament wordt volgens artikel 4:46 BW uitgelegd aan de hand van de verhoudingen die de erflater kennelijk wilde regelen en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Daarbij kunnen latere feiten soms inzicht geven in de oorspronkelijke bedoeling.

De rechtbank vond de uitdrukkelijke omschrijving “mijn vriendin en levenspartner” niet zonder betekenis. De erfstelling werd zo uitgelegd dat zij alleen gold tijdens de periode waarin de vrouw daadwerkelijk de vriendin en levenspartner van de erflater was. De relatie was al in 2008 beëindigd en beide betrokkenen hadden daarna andere relaties gekregen.

De voormalige partner kon daarom geen rechten meer ontlenen aan de erfstelling. Omdat eerdere testamenten in het document uit 2006 waren herroepen en er geen later geldig testament was, gold het wettelijke erfrecht. De dochter was als enig kind de enige erfgenaam.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Een relatiebreuk zorgt niet in alle gevallen automatisch voor het vervallen van een testamentaire benoeming. De precieze bewoordingen van het testament en de omstandigheden waaronder het is opgesteld kunnen beslissend zijn. Een rechterlijke uitleg achteraf blijft bovendien onzeker en kan tot kostbare familieprocedures leiden.

Het niet-ondertekende concepttestament had de eerdere uiterste wil niet vervangen. Wie na een scheiding, relatiebreuk, nieuw huwelijk of geregistreerd partnerschap een andere erfgenaam wil aanwijzen, moet daarom bij de notaris een nieuw testament laten passeren. Het is verstandig daarnaast begunstigingen bij verzekeringen, pensioenregelingen en bankproducten opnieuw te controleren.

ECLI: ECLI:NL:RBNNE:2026:4254

Bron: Rechtbank Noord-Nederland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 16 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Draagmuur verwijderd zonder VvE-toestemming: herstel, gevolgschade en aansprakelijkheid

Na het zonder toestemming verwijderen van een gemeenschappelijke draagmuur ontstonden scheuren in een ander appartement. De VvE moest de gevolgschade herstellen, maar hoefde geen aanvullende schadevergoeding te betalen. Volgens de rechtbank had de VvE na de melding voldoende voortvarend en doelgericht gehandeld.

Datum uitspraak: 9 september 2026
Publicatiedatum: 16 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem
Rechtsgebied: Appartementsrecht, onroerend goed en schadevergoeding

Constructieve verbouwing zonder voorafgaande toestemming

In een appartementencomplex was in een bovenwoning zonder toestemming van de Vereniging van Eigenaars een dragende tussenmuur verwijderd. Ook was in de vloer gefreesd voor vloerverwarming. In het onderliggende appartement werden later scheuren in wanden en plafond ontdekt.

Volgens het toepasselijke modelreglement behoorden dragende muren en vloeren tot de gemeenschappelijke gedeelten. Wijzigingen die de constructie of de stevigheid van het gebouw konden beïnvloeden, mochten niet zonder toestemming van de vergadering worden uitgevoerd.

Uit bouwkundig onderzoek bleek dat in beide appartementen delen van dragende wanden waren verwijderd. De oorspronkelijke constructieve situatie moest worden hersteld. De appartementen werden in afwachting daarvan met stempels ondersteund.

Welke verplichtingen heeft de VvE?

Een VvE beheert en onderhoudt de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Ook moet zij toezien op naleving van de splitsingsakte en het reglement. De rechtbank verwees daarvoor naar artikel 5:126 BW.

Dat betekent volgens de rechtbank niet dat een VvE zonder concrete aanleiding voortdurend achter de voordeur van appartementseigenaars moet controleren of daar verboden werkzaamheden plaatsvinden. In de eerste plaats moet een eigenaar zelf nagaan welke bouwkundige ingrepen zijn toegestaan en waarvoor goedkeuring nodig is.

Nadat de schade was gemeld, liet de VvE snel een bouwkundige onderzoek doen en werden de woningen gestut. Vervolgens moesten technische onderzoeken, ledenvergaderingen, een offertetraject, een omgevingsvergunning en de levering van staal worden afgewacht. Hoewel het hersteltraject ruim twee jaar duurde, vond de rechtbank dat de VvE aantoonbaar en doelgericht was blijven handelen.

Wel herstel van scheuren, geen schadevergoeding

De VvE had al opdracht gegeven voor het constructieve herstel en beschikte over een concrete uitvoeringsplanning. Daarom hadden de eigenaars volgens de rechtbank onvoldoende belang bij een afzonderlijke veroordeling voor dat deel van het herstel.

Uit de offerte en planning bleek echter niet dat ook de scheuren in het appartement zouden worden hersteld. Omdat niet werd betwist dat deze scheurvorming gevolgschade was, veroordeelde de rechtbank de VvE alsnog om die schade te herstellen.

De gevraagde vergoeding voor gederfd woongenot en andere vermogensschade werd afgewezen. De vertraging leverde in deze omstandigheden geen onrechtmatige daad van de VvE op. De onderhouds- en herstelplicht was volgens de rechtbank een inspanningsverplichting: de VvE hoefde geen herstel op een vaste datum te garanderen, maar moest wel voortvarend blijven handelen.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Wie een muur, vloer of ander mogelijk gemeenschappelijk constructiedeel wil wijzigen, moet eerst de splitsingsakte en het toepasselijke reglement controleren. Naast een omgevingsvergunning kan afzonderlijke toestemming van de VvE nodig zijn. Een vergunning vervangt die privaatrechtelijke toestemming niet.

Bij schade is het belangrijk onderscheid te maken tussen herstel van de constructie, herstel van gevolgschade en aanvullende schadevergoeding. Documenteer meldingen, bouwkundige rapporten, besluiten van de vergadering, offertes en vertragingen. Alleen het feit dat herstel lang duurt, maakt de VvE nog niet automatisch schadeplichtig.

ECLI: ECLI:NL:RBGEL:2026:7411

Bron: Rechtbank Gelderland, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 16 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Schenking op gezamenlijke rekening: Hoge Raad verlangt oordeel over vergoedingsrecht

Een vrouw stelde dat geld dat haar vader had geschonken uiteindelijk was gebruikt voor aandelen van haar voormalige echtgenoot. Het hof wees haar primaire aanspraak af, maar besliste niet over haar subsidiaire verzoek om vergoeding van de helft. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak voor een nieuwe beoordeling.

Datum uitspraak en publicatie: 16 oktober 2026
Gerecht: Hoge Raad der Nederlanden
Rechtsgebied: Echtscheiding en huwelijksvermogensrecht

Schenking gebruikt voor aandelen van de echtgenoot

De voormalige echtgenoten waren onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. Volgens de vrouw had haar vader haar € 22.000 geschonken. Het geld was op de gezamenlijke bankrekening gestort en ongeveer vijf maanden later was vanaf die rekening de volstorting betaald van aandelen in een vennootschap van de man.

De vrouw verzocht primair om vergoeding van het volledige bedrag van € 22.000. Subsidiair vroeg zij € 11.000. Haar redenering bij dat laatste verzoek was dat, als het geschonken bedrag door vermenging niet meer volledig kon worden gevolgd, de betaling vanaf de gezamenlijke rekening in ieder geval voor de helft met haar geld was gedaan.

Hof vergat het subsidiaire verzoek te beoordelen

Het gerechtshof wees de aanspraak van € 22.000 af. Door de vele bij- en afschrijvingen op de gezamenlijke rekening kon volgens het hof niet worden vastgesteld dat juist het geschonken bedrag voor de aandelen was gebruikt.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof het subsidiaire verzoek van € 11.000 wel had vermeld, maar daarover geen beslissing had gegeven. Dat was een motiveringsgebrek. De beschikking is daarom vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.

De Hoge Raad heeft niet beslist dat de vrouw daadwerkelijk recht heeft op € 11.000. Het verwijzingshof moet die aanspraak nog inhoudelijk onderzoeken aan de hand van artikel 1:87 BW en de feiten van deze zaak.

Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij een echtscheiding kan discussie ontstaan wanneer privévermogen via een gezamenlijke rekening wordt uitgegeven aan vermogen van de andere echtgenoot. Het gebruik van een gezamenlijke betaalrekening maakt een mogelijke vergoedingsaanspraak niet per definitie onmogelijk, maar kan het bewijs wel aanzienlijk ingewikkelder maken.

Bewaar daarom schenkingsakten, bankafschriften, betalingsopdrachten en documenten waaruit het doel van een betaling blijkt. Het kan bovendien verstandig zijn geschonken of geërfd privévermogen op een afzonderlijke rekening te houden. In een procedure moeten niet alleen primaire, maar ook eventuele alternatieve berekeningen duidelijk worden gepresenteerd en door de rechter worden beoordeeld.

ECLI: ECLI:NL:HR:2026:1679

Bron: Hoge Raad der Nederlanden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 16 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.