Verjaring van gemeentegrond door inbezitneming nog steeds mogelijk

Verjaring van gemeentegrond is nog steeds mogelijk, mits er sprake is van feitelijke inbezitneming zonder expliciete gebruiksovereenkomst. De rechtbank benadrukt dat niet optreden door de gemeente niet hetzelfde is als gedogen, wat eigendomsverlies door verjaring een serieus risico maakt.

Het Hof ‘s-Hertogenbosch heeft eind 2016 diverse uitspraken gedaan die de indruk wekten dat het in bezit nemen van gemeentegrond onmogelijk is. Het Hof stelde dat het gebruik van gemeentegrond door particulieren soms voor beide partijen wenselijk is en dat dit gebruik als gedogen door de gemeente moet worden gezien. Dit gedogen maakt het onmogelijk dat er sprake is van (onrechtmatig) bezit door de gebruiker. De vraag rijst dus of verjaring van gemeentegrond nog mogelijk is. De Rechtbank Noord-Holland heeft zich recent over deze kwestie uitgesproken. In dit artikel bespreken we het oordeel van de rechtbank en andere interessante aspecten van dit vonnis.

Bezit

In deze zaak hebben de eisers elk een voortuin die volgens het kadaster deels op gemeentegrond van Haarlem ligt. De tuin is omheind met een ondoordringbare heg en afgesloten met gemetselde poorten en dubbele hekken, waardoor de grond niet bereikbaar is voor de gemeente. De rechtbank oordeelde dat deze situatie voldoende was om bezit aan te nemen.

Gebruiksovereenkomst

De gemeente betoogde dat de gebruikers toestemming hadden, wat verjaring zou uitsluiten. De rechtbank vond echter geen bewijs voor een expliciete of impliciete afspraak met de eisers. Dat er mogelijk afspraken waren met andere buurtbewoners of vermeldingen in persberichten over toestemming, was niet relevant voor deze zaak. De conclusie was dan ook dat er geen sprake was van een gebruiksovereenkomst.

Gedogen of niet optreden?

Bezit kan niet ontstaan wanneer de situatie expliciet wordt gedoogd. Gedogen houdt in dat er op een later moment alsnog moet worden opgetreden. De rechtbank oordeelde echter dat niet optreden niet hetzelfde is als gedogen. Een andere interpretatie zou de rechtszekerheid ondermijnen. Als de gemeente lange tijd niet optreedt terwijl dit wel had gemoeten, dan is eigendomsverlies door verjaring een serieus risico. Daarbij merkte de rechtbank op dat in de arresten van het Hof ‘s-Hertogenbosch geen sprake was van een ondoordringbare heg, terwijl dit hier wel het geval was.

Vordering bevrijdende verjaring toegewezen

In deze zaak was de termijn van twintig jaar ruimschoots verstreken. Uit tuinontwerpen en verklaringen van een hovenier bleek dat de heg minstens 35 jaar geleden is geplaatst. Ook in de verkoopbrochure van de woning werd de strook grond al als eigendom aangeboden. Gezien deze omstandigheden vond de rechtbank dat er voldoende bewijs was voor bezit.

Advies

Verjaring van gemeentegrond is nog steeds mogelijk. Deze uitspraak nuanceert de standpunten van het Hof ‘s-Hertogenbosch. Hoewel de arresten van het Hof een duidelijk signaal geven dat inbezitneming van publieke grond niet snel moet worden aangenomen, blijft eigendomsverlies voor gemeentes een reëel risico als er sprake is van een ondoordringbare afscheiding en er geen gebruiksovereenkomsten zijn.


Wilt u meer weten over dit onderwerp, stel een vraag aan advocaten.nl of bel met 0900-advocaten.

Inbezitneming van Gemeentegrond en verjaring; Voorwaarden en Mogelijkheden

Een recente uitspraak illustreert dat, ondanks eerdere jurisprudentie die gedogen centraal stelde, de rechtbank Noord-Holland oordeelde dat langdurig niet optreden door de gemeente kan leiden tot eigendomsverlies door verjaring, met name als een ondoordringbare afscheiding de toegang voor de gemeente belemmert. Dit toont aan dat verjaring bij gemeentegrond mogelijk blijft, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

In het kader van de vaststelling van grondbezit en verjaring, heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch eind 2016 diverse arresten gewezen die de indruk wekten dat het voor particulieren nagenoeg onmogelijk was geworden om gemeentegrond door inbezitneming te verkrijgen. Het Hof stelde dat het gebruik van gemeentegrond door particulieren vaak door beide partijen als wenselijk wordt beschouwd, en interpreteerde dergelijk gebruik als gedoogd door de gemeente. Hieruit concludeerde het Hof dat er geen sprake kan zijn van onrechtmatige inbezitneming door de gebruiker, gezien gedogen bezit uitsluit. Deze jurisprudentie heeft geleid tot de vraag of verjaring van gemeentegrond nog steeds mogelijk is. Recentelijk heeft de Rechtbank Noord-Holland deze kwestie beoordeeld en haar visie hierop gegeven, waarbij ze zich boog over het onderscheid tussen gedogen en niet optreden door de gemeente, en de implicaties daarvan voor het al dan niet aanwezig zijn van bezit.

In een specifieke zaak stelden eisers dat hun voortuinen, die deels op gemeentegrond van Haarlem liggen en door een ondoordringbare heg zijn omringd, door hen in bezit zijn genomen. De rechtbank oordeelde dat deze feitelijke situatie voldoende was om bezit aan te nemen. De gemeente voerde aan dat er sprake was van toestemming, maar de rechtbank vond geen bewijs van een expliciete of impliciete overeenkomst. Hierbij werd opgemerkt dat afspraken met andere buurtbewoners of verwijzingen naar dergelijke afspraken in een persbericht niet relevant zijn.

De rechtbank maakte een duidelijk onderscheid tussen gedogen en het simpelweg niet optreden door de gemeente. Langdurig niet optreden terwijl dat wel had gemoeten, kan leiden tot eigendomsverlies door verjaring. Dit staat in contrast met de eerdere interpretaties van het Hof ’s-Hertogenbosch, waar gedogen centraal stond. In deze zaak was de aanwezigheid van een ondoordringbare haag een nieuw element dat bijdroeg aan het oordeel.

De rechtbank wees de vordering tot bevrijdende verjaring toe, gegeven dat de termijn van twintig jaar ruimschoots was overschreden. Bewijzen zoals tuinontwerpen en een verklaring van een hovenier toonden aan dat de heg minstens 35 jaar geleden geplaatst was. Ook de verkoopbrochure, waarin de strook grond als eigendom werd aangeboden, speelde een rol in deze beslissing.

Deze uitspraak nuanceert de visie van het Hof ‘s-Hertogenbosch en benadrukt dat verjaring bij gemeentegrond onder bepaalde omstandigheden nog steeds mogelijk is. Het is een signaal dat inbezitneming van publieke grond niet te snel moet worden aangenomen, maar dat het verlies van eigendom voor gemeentes een reëel risico blijft bij een duidelijke fysieke afscheiding zonder gebruiksovereenkomst.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, stel aan vraag aan advocaten.nl of bel met 0900-advocaten.

Videozitting bij de rechtbank

De behandeling van de zeer urgente zaken geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk of via een telefonische (beeld)verbinding. In beginsel vindt er geen mondelinge behandeling plaats met fysieke aanwezigheid van partijen, tenzij uitdrukkelijk anders bepaalt.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 de deuren van de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten. Voor de wijze waarop zaken gedurende de sluiting van de gerechten worden behandeld is een regeling vastgesteld die geldt tot en met 28 april 2020 of zoveel langer nodig is.

Deze regeling bevat algemene regels met betrekking tot de aanwezigheid in de rechtszaal, de voorziening Veilig mailen en besloten zittingen.
Uitgangspunt is dat de gerechten alle zeer urgente zaken zullen behandelen. De behandeling van de zeer urgente zaken geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk of via een telefonische (beeld)verbinding. In beginsel vindt er geen mondelinge behandeling plaats met fysieke aanwezigheid van partijen, tenzij deze regeling anders bepaalt.

De IT-organisatie van de Rechtspraak heeft de voorzieningen voor een telefonische (beeld)verbinding bij de Rechtspraak en externe betrokkenen uitgebreid.

Kruimelgevallenregeling in het bouw-/omgevingsrecht?

In beroepsprocedures gaat in de praktijk regelmatig over grote bouwkwesties als supermarkten, bouwmarkten en naar woningen om te vormen bedrijfs-/kantoorgebouwen.

Op grond van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) kan voor een aantal gevallen die per Algemene maatregel van bestuur (AMvB) zijn aangewezen met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de zogenaamde kruimelgevallen die in het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld bepaalde bijgebouwen, dakkapellen, nutsvoorzieningen en antenne-installaties

Deregulering

De kruimelgevallenregeling past in de deregulering die de overheid doorvoert. Niet voor elk schuurtje of bijgebouw dient immers een uitgebreide voorbereidingsprocedure te worden doorlopen, omdat het bestemmingsplan moet worden gewijzigd. Er bestaat een duidelijke voorkeur om bij een vergunningaanvraag, waarbij ook het bestemmingsplan moet worden aangepast, gebruik te maken van de kruimelgevallenregeling en de (korte) reguliere procedure te volgen.

Kritisch kijken naar procedure

Voor omwonenden of naburige bedrijven die het niet eens zijn met de bouwplannen, is het zaak om kritisch te kijken of de juiste procedure wordt gevolgd. Essentieel is immers of de vergunning terecht met behulp van de kruimelgevallenregeling in een reguliere procedure is verleend. Anders moet er een uitgebreide voorbereidingsprocedure met meer waarborgen gevoerd worden. In de rechtspraak spitst de vraag zich dan toe of de juiste procedure wel is gevolgd. Er zijn namelijk wel regels waaraan voldaan moet worden. Een ander gebruik dan is toegestaan in het huidige bestemmingsplan, is pas aan de orde als het aangevraagde bouwwerk zelf met de kruimelgevallenregeling kan worden gerealiseerd. Indien het bouwwerk een groter volume krijgt of het bebouwd oppervlak neemt toe, dan is de kruimelgevalregeling niet toepasbaar.

Soms ook grote gebouwen relevant

In beroepsprocedures gaat in de praktijk regelmatig over grote bouwkwesties als supermarkten, bouwmarkten en naar woningen om te vormen bedrijfs-/kantoorgebouwen.

De term kruimelgeval lijkt niet van toepassing op deze grote bouwplannen, maar de wettelijke regeling met die naam biedt desondanks meer mogelijkheden dan het lijkt.

Als de vergunningenaanvrager echter voor de kruimelgevalregeling kiest en achteraf blijkt dat deze keuze fout is, kan dit grote vertragingen opleveren. De proceduregang vanaf indienen bezwaarschrift tot hoger beroep bij de Raad van State neemt al snel twee jaar in beslag.

Uitgebreide voorbereidingsprocedure

Voor belanghebbenden biedt de uitgebreide voorbereidingsprocedure meer zekerheid dat ook hun belangen worden meegewogen. Er moet dan immers een serieuze ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld, waarin ook rekening is gehouden hun belangen, zoals toename verkeer, geluid, veiligheid, milieu en fauna. Ook dient in dat geval de gemeenteraad een zgn. verklaring van geen bedenkingen af te geven als blijk van instemming met het bouwinitiatief. Ook dat is een waarborg dat er rekening is gehouden met alle belangen.

Planschade en mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen niet in planologische vergelijking

In artikel 6.1 van de Wro zijn de oorzaken van planschade limitatief opgesomd. In die bepaling is artikel 2 van bijlage II van het Bor niet genoemd. De mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen, als bedoeld in artikel 2 van bijlage II van het Bor, is een gevolg van de destijds gemaakte keuze van de wetgever en kan niet aan het nieuwe bestemmingsplan worden toegerekend. Dit betekent dat de mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen niet bij de planologische vergelijking dient te worden betrokken

Achtergrond

Bij besluit van 2 april 2015 hebben B&W van Weststellingwerf een aanvraag van appellant om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.

Appellant is eigenaar van de vrijstaande woning met bijbehorende tuin aan de [locatie] te Nijeholtpade (hierna: de woning). Door middel van een aanvraagformulier van 1 mei 2014 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade, bestaande uit een vermindering van de waarde van de woning, die hij heeft geleden door de inwerkingtreding van het bij raadsbesluit van 14 januari 2013 vastgestelde bestemmingsplan Nijeholtpade – partiële herziening Kerkdreef (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), waarbij een ten zuiden van de woning gelegen gebied (hierna: het plangebied) de bestemming ‘Woongebied’ met de aanduiding ’Tuin’ heeft gekregen. Onder het oude planologische regime van het bij raadsbesluit van 20 februari 1995 vastgestelde bestemmingsplan Nijeholtpade (hierna: het oude bestemmingsplan) was voor het plangebied de bestemming ‘Bossingel’ van toepassing. Volgens appellant heeft de planologische verandering onder meer geleid tot een aantasting van het uitzicht en de privacy en een toename van overlast en schaduwwerking in de tuin.

Hoger beroep

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de mogelijkheid om in de nieuwe situatie op de gronden van het plangebied vergunningvrij te bouwen niet aan het nieuwe bestemmingsplan kan worden toegerekend en bij de planologische vergelijking buiten beschouwing dient te blijven en dat uit de uitspraken van de Afdeling van 2 september 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ6678) en 28 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY4421) niet valt af te leiden dat het relevant is of in de oude situatie al sprake was van een woonbestemming. Daartoe voert hij aan dat het plangebied in de nieuwe situatie een woonbestemming heeft, waardoor de mogelijkheid is gecreëerd om vergunningvrij bebouwing op de gronden van het plangebied op te richten, terwijl dat zonder de planologische verandering, gelet op de bestemming van het plangebied in de oude situatie, niet mogelijk was.

Afdeling

De rechtbank heeft voor wat betreft de betekenis in de planologische vergelijking van de mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen, als bedoeld in artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), terecht aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraken van 2 september 2009 en 28 november 2012.

In artikel 6.1 van de Wro zijn de oorzaken van planschade limitatief opgesomd. In die bepaling is artikel 2 van bijlage II van het Bor niet genoemd. De mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen, als bedoeld in artikel 2 van bijlage II van het Bor, is een gevolg van de destijds gemaakte keuze van de wetgever en kan niet aan het nieuwe bestemmingsplan worden toegerekend. Dit betekent dat de mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen niet bij de planologische vergelijking dient te worden betrokken.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de in de nieuwe situatie bestaande mogelijkheid om vergunningvrij bebouwing op de gronden van het plangebied op te richten, terwijl dat zonder de planologische verandering, gelet op de bestemming van het plangebied in de oude situatie, niet mogelijk was, terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Het betoog faalt.

ECLI:NL:RVS:2018:1682|Afdeling bestuursrechtspraak 23 mei 2018, zaaknummer 201702959/1/A2 (r.o. 5.1), uitspraak betreffende Planschade en mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen dient niet bij planologische vergelijking te worden betrokken

bron: opmaat.sdu.nl                                                             

Strengere boetes bij zware verkeersovertredingen, helpt dat?

Als het aan minister Blok ligt, worden daders van ernstige verkeersdelicten straks harder aangepakt. Hij werkt aan een wetsvoorstel waarmee de strafmaat wordt verhoogd, schrijft hij aan de Tweede Kamer. Maar maken hogere boetes het verkeer ook echt veiliger?

“Absoluut”, zegt Veilig Verkeer Nederland (VVN). “Wij zijn hier heel blij mee. Nu zijn boetes vaak veel te laag, waardoor verkeersovertreders bij wijze van spreken lachend de boete betalen en vervolgens vrolijk verder rijden”, vertelt een woordvoerder.

Strengere maatregelen, zoals een gevangenisstraf of inname van het rijbewijs zal er volgens VVN voor zorgen dat mensen wel twee keer nadenken voordat zij met drank op achter het stuur kruipen of doorrijden na een ongeval.

Oud-verkeersofficier Koos Spee is het absoluut niet met VVN eens. “Onzin”, noemt hij het. Hij heeft weinig vertrouwen in de nieuwe wetgeving. “Strengere straffen leiden er niet toe dat het verkeer veiliger wordt.” Het enige dat volgens hem echt helpt zijn meer politiecontroles.

Spee heeft zelf twintig jaar in de handhaving gewerkt. “Ik heb zoveel zittingen meegemaakt en gezien dat mensen niet schrikken van een straf. Ze weten allemaal dat ze fout zitten, maar doen het toch.”

Volgens hem moet er iets veranderen aan de handhaving. “Er moet veel meer politie op straat. Dan kan je de pakkans vergroten.”
Onvoldoende politie

Op dit moment is de boete voor telefoongebruik achter het stuur 230 euro, gaat hij verder. “Dat is een flink bedrag, maar als je niet wordt gepakt, zegt dat weinig. Ook niet als die boete wordt verdubbeld. De pakkans verhogen is het enige dat helpt.”

VVN vindt ook dat er op dit moment onvoldoende politie op straat is en zou graag “meer blauw” zien om zo de verkeersovertreders te kunnen pakken. “Maar buiten dat zijn wij heel blij met dit voornemen. Wij weten zeker dat dit al verschil gaat maken.”

Bron: NOS                        

Aantal bezwaren tegen WOZ-waarde sterk gestegen

Het aantal huiseigenaren dat dit jaar bezwaar heeft aangetekend tegen de
WOZ-waarde van hun woning, die de basis vormt voor diverse belastingen, is met 20 procent gestegen. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de Waarderingskamer, meldt De Telegraaf.

Dit voorjaar werden 104.000 bezwaren tegen de door gemeenten vastgestelde hoogte van de Waardering Onroerende Zaken ingediend. In 2016 kregen de lokale overheden 87.000 bezwaren, een jaar eerder waren dat er 79.000.

Gemiddeld blijken de WOZ-waarden met 3,3 procent te zijn gestegen ten opzichte van vorig jaar, toen gemeenten in doorsnee een stijging van 1,2 procent doorvoerden. Nog niet bekend is hoeveel bezwaren zijn gehonoreerd.

Stijgende huizenprijzen

De aantrekkende woningmarkt, waardoor de huizenprijzen in grote delen van het land zijn gestegen, is een mogelijke verklaring voor de grote toename. Na de sterke stijging van de prijzen in 2016 worden er voor komend jaar nog hogere WOZ-waarden verwacht.

De WOZ-waarde wordt door gemeenten onder meer gebruikt voor de onroerendezaakbelasting (OZB). Daarnaast gebruiken waterschappen de waarde voor hun eigen heffingen.

Eigenwoningforfait

Ook de Belastingdienst hanteert de WOZ-waarde als basis voor diverse belastingen, waarvan het eigenwoningforfait het bekendst is. Dit is een heffing in de vorm van een percentage van de WOZ-waarde, dat de woningbezitter bij zijn inkomen moet optellen.

Voor huizen tot een miljoen euro bedraagt het forfait 0,75 procent. Dit betekent dat huiseigenaren bij een woning met een waarde van 300.000 euro 2250 euro extra bij hun inkomen moeten optellen.

Bron: NOS                             

Toezending van stukken aan de rechter nadat vonnis is bepaald

De rechtbank behoort ook in onteigeningszaken geen acht te slaan op stukken die haar door een partij worden toegezonden buiten de verplichte procesvertegenwoordiger om.

Ook mag de rechtbank geen kennis nemen van stukken die haar worden toegezonden nadat vonnis is bepaald, zeker niet zonder de wederpartij in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. Daarbij is niet van belang in hoeverre te toegezonden stukken daadwerkelijk een rol hebben gespeeld voor de beslissing van de rechtbank.

In deze onteigeningsprocedure heeft – na een eerdere cassatie en verwijzing door de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2015:3563 – de rechtbank bij vonnis van 18 mei 2016 de vervroegde onteigening uitgesproken van het perceel van eiser tot cassatie.

Voorafgaand aan dit vonnis heeft op 26 april 2016 een pleidooi plaatsgevonden (dat pleidooi was door de rechtbank vóór verwijzing geweigerd en op die grond kwam het in de eerste cassatieprocedure tot een vernietiging). Bij het pleidooi is de zaak door de gemeente bepleit door haar advocaat. De advocaat van eiser had zich enkele weken vóór het pleidooi als advocaat onttrokken; namens eiser heeft zijn zoon bij het pleidooi het woord gevoerd.

Na het pleidooi heeft (niet de advocaat van de gemeente maar) een eigen jurist van de gemeente een e-mail aan de rechtbank toegezonden. Daarbij was een uitspraak gevoegd die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op (eveneens) 26 april 2016 had gedaan. In die uitspraak heeft de Afdeling een herzieningsverzoek van eiser afgewezen dat gericht was tegen het bestemmingsplan dat de basis vormde voor de onteigening van het perceel van eiser.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 18 mei 2016 bij de opsomming van de “stukken van het geding” verwezen naar het bericht van de gemeente en de bijgevoegde uitspraak van de Afdeling, en heeft ook in verschillende overwegingen van het vonnis naar die uitspraak verwezen.

Deze procedurele gang van zaken wordt in cassatie door eiser ter discussie gesteld, en dat leidt tot een (tweede) vernietiging op procesrechtelijke gronden.

De Hoge Raad breekt in de eerste plaats de staf over het toezenden van stukken door een ander (de gemeentejurist) dan een advocaat: ook in onteigeningszaken (waarin eveneens wordt aangenomen dat verplichte procesvertegenwoordiging geldt, zie de CPG, § 3.2) behoort de rechtbank volgens de Hoge Raad geen acht te slaan op stukken die haar door een partij worden toegezonden buiten de verplichte procesvertegenwoordiger om.

Ten tweede acht de Hoge Raad de klacht gegrond dat de rechtbank (ook) geen acht had mogen slaan op de toegezonden stukken omdat in art. 6.1 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken  is bepaald dat de rechtbank geen kennis neemt van stukken die worden toegezonden nadat vonnis is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij met die kennisneming heeft ingesteld. Een soortgelijke regel is overigens voor advocaten onderling neergelegd in Gedragsregel 15 lid 2  (maar die was in casu niet van toepassing omdat de stukken niet door de advocaat van de gemeente waren toegezonden aan de rechtbank; daarnaast werd eiser op dat moment niet meer bijgestaan door een advocaat).

Ten derde – en dat lijkt enigszins in tegenspraak met het vorige punt – oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door het bericht van de gemeente in haar oordeel te betrekken zonder eiser daarvan in kennis te stellen; de rechtbank had volgens de Hoge Raad eiser in kennis moeten stellen van de toegezonden stukken en hem de gelegenheid moeten bieden om daarop (door tussenkomst van een nieuwe advocaat) te reageren. Dit impliceert dat de rechtbank op zichzelf de stukken nog wél in haar oordeel mocht betrekken, ook al waren deze in strijd met art. 6.1 van het procesreglement aan haar toegezonden nadat al vonnis was bepaald. Mogelijk vindt dit zijn verklaring in het feit dat de rechtbank ook ambtshalve kennis van de uitspraak van de Afdeling had kunnen nemen (zoals de gemeente in cassatie nog had betoogd; zie CPG § 3.7), mits de rechtbank eiser maar in de gelegenheid stelde tot een reactie op de stukken.

Aan zijn oordeel voegt de Hoge Raad nog toe – in reactie op het verweer dat de gemeente in cassatie had gevoerd – dat bij de voorgaande punten niet van belang is in hoeverre de uitspraak van de Afdeling daadwerkelijk van invloed is geweest op het oordeel van de rechtbank. Het was niet aan de rechtbank, maar aan eiser om de beoordelen of die uitspraak noodzaakte tot een reactie, en het enkele feit dat de rechtbank in haar uitspraak van de Afdeling heeft verwezen onderstreept bovendien dat niet gezegd kan worden dat de toezending van die uitspraak in redelijkheid niet van enig belang kan zijn geweest voor haar oordeel.

De Hoge Raad sluit hiermee aan bij eerdere rechtspraak (onder meer HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, CB 2012-214)
, waarin hij – op het voetspoor van EHRM-rechtspraak – oordeelde dat partijen het recht hebben om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, álle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Dit geldt in beginsel ongeacht de vraag of die gegevens daadwerkelijk de uiteindelijke beslissing hebben beïnvloed.

Bron: Cassatieblog.nl

meer bevoegdheden bestuursrechter

Bestuursrechter moet meer bevoegdheden krijgen

De rechter moet meer bevoegdheden krijgen om beleid van gemeenten te kunnen toetsen. Dit zou tegenwicht bieden aan de huidige praktijk waarin gemeenten steeds meer vrijheid krijgen om zelf sociaal beleid te ontwikkelen.

Dit concluderen 4 Groningse rechtswetenschappers in een verschenen onderzoek dat ze verrichtten in opdracht van Instituut GAK.

Voorbeelden van beleidsterreinen waar gemeenten meer bevoegdheden kregen zijn de sociale bijstand en de maatschappelijke ondersteuning. De onderzoekers gingen na welke gevolgen deze veranderingen hebben voor het functioneren van de rechtsstaat. Doordat gemeenten verschillend beleid voeren, ontstaat er voor burgers rechtsongelijkheid. In de ene gemeente krijgen zij bepaalde zorg of uitkeringen wel, in andere niet.

 Meer bevoegdheden

De bestuursrechter zou volgens de onderzoekers de bevoegdheid moeten krijgen bij een verschillende invulling van gemeenten van landelijk beleid in te kunnen grijpen. De rechter kan nu alleen in individuele zaken oordelen. De rechtswetenschappers pleiten ook voor een (collectieve) klachtenprocedure over de schending van sociale grondrechten bij het College voor de Rechten van de Mens. Zo’n procedure kan functioneren als een ‘geschikt alarmsysteem’ voor tekortschietend gemeentelijk sociaal beleid, menen de onderzoekers.

 Waarschuwing

De Raad voor de rechtspraak heeft in een wetgevingsadvies over de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 al gewaarschuwd voor het mogelijk optreden van rechtsongelijkheid en minder rechtsbescherming als gevolg van deze wet.

Bron: Rechtspraak.nl

Raad van State verlaagt onderverhuurboete

De Raad van State heeft de sanctie van €12.000 verlaagd naar €3000. De standaardboete is niet altijd onevenredig hoog, omdat een urgent maatschappelijk probleem wordt aangepakt en de hoge boete een afschrikwekkend effect heeft, aldus de hoogste bestuursrechters van ons land.

De rechters verwijten het de gemeente Amsterdam echter dat ze niet hebben gekeken of het een particulier was die illegaal onderverhuurde of een bedrijf, en of er financieel voordeel uit het onderverhuren is gehaald. Dat onderscheid wordt bij een sociale huurwoning wel gemaakt, maar deze zaak ging over een huurwoning in de vrije sector. De gemeente heeft niet kunnen motiveren waarom het nu geen onderscheid maakt, stelt de Raad van State.

De man die zijn woning onderverhuurde handelde niet bedrijfsmatig en heeft ook geen financieel voordeel gehad. Daarom krijgt hij dezelfde boete als wanneer zijn huurwoning in de sociale sector zou vallen.      

bron: Telegraaf.nl