Hoe lang is een executoriale titel geldig?

Hoe lang is een vonnis geldig, en hoe lang kan een proces-verbaal akte ten uitvoer worden gelegd? En hoe voorkom ik de verjaring van een vordering? Lees hier meer.

Een titel is een gerechtelijk grondslag waar in een bepaalde vordering of rechtstoestand is gevat. Een executoriale titel is wat het woord al zegt; men kan er mee ingrijpen in rechten en eigendommen van anderen. Dat ingrijpen is bij de wet voorbehouden aan de gerechtsdeurwaarder. Met  een executoriale titel kan een deurwaarder goederen in beslag nemen en rekeningen bevriezen en goederen en geld overdragen aan de houder  van deze titel, zodat de eigendom of de vordering definitief veranderd. Dit is de ultieme bevoegdheid in een rechtsstaat, waarmee bepaalde rechten en plichten kunnen worden afgedwongen, teneinde de feitelijke toestand in overeenstemming met de rechtstoestand te krijgen.

Alleen een deurwaarder kan dat, en de wet bepaalt in artikel 430 Rv wat onder een titel met executoriale  kracht wordt verstaan: Dit zijn

  • uitspraken van de Nederlandse rechter;
  • in Nederland verleden authentieke akten, zoals een notariële akten of een dwangbevel van een belastinginspecteur;
  • andere titels die de wet aanwijst, zoals een proces-verbaal van een regeling die voor een rechter is opgemaakt of een arbitrale vonnis mits voorzien van een verlof voor executie.

De meest voorkomende titel is natuurlijk de notariële akte, bijvoorbeeld die van een geldlening, zoals een hypotheekakte.

Termijnen

Titels hebben geen onbeperkte gelding. Zodra een bepaalde termijn is verstreken kan de titel nog wel bestaan, maar niet meer ten uitvoer worden gelegd. Voor meer over verjaringstermijnen in het algemeen leest u meer in dit artikel. Om verrassingen te voorkomen, en tijdig maatregelen te nemen om verjaring van een vordering te voorkomen, is het van belang om de in de wet gehanteerde verschillende verjaringstermijnen te kennen in.

De rechterlijke uitspraak

Een rechterlijke uitspraak kan gedurende twintig jaar ten uitvoer worden gelegd. Laat men 20 jaar verstrijken zonder de titel te gebruiken waarvoor het is bedoeld, dan kan de deurwaarder deze niet meer executeren: Artikel 3:324 lid 1 BW. Dit geldt voor de hoofdvordering die in een uitspraak is genoemd.
In veel uitspraken staan ook (neven)vorderingen die samenhangen met de hoofdvordering, bijvoorbeeld de wettelijke rente, die loopt over de hoofdvordering, zolang deze niet is betaald. De wet bepaalt dat deze rente is onderhevig is aan een verjaringstermijn vijf jaar, teneinde te voorkomen dat de vordering tot onredelijke hoogte onredelijk oploopt. Een zeer kleine vordering zou na 30 jaar rente immers een enorme vordering kunnen worden, hetgeen maatschappelijk als ongewenst wordt beschouwd.

Een ander voorbeeld van zo`n neven veroordeling is de dwangsom, die wordt verbeurd indien de veroordeelde niet voldoet aan het vonnis. Een dwangsom heeft een verjaringstermijn van zes maanden, wederom om te voorkomen dat iemand bij niet naleving van een veroordeling in een vonnis na vele jaren nog kan worden geconfronteerd met een financiële strop, die eigenlijk alleen was bedoeld om de veroordeelde te prikkelen om “direct”de veroordeling na te leven. (artikel 611g Rv).

Vordert degene, die het vonnis kan afdwingen, die naleving niet, dan is klaarblijkelijk het belang om aan het vonnis te voldoen niet zo groot. Een dwangsom is immers niet bedoelt als extra straf die ten voordele van de andere partij dient te leiden.

Een overeenkomst in een proces-verbaal

Soms zijn partijen in een procedure verwikkeld, maar vraagt de rechter aan partijen of zij niet bereid zijn hun geschil bij te leggen, dat wil zeggen dat partijen hierover samen een schikking treffen, waarbij beide partijen meestal water bij de wijn doen.

Er zijn enkele voordelen aan een schikking: partijen nemen hun lot in eigen handen, en de rechter doet geen eenzijdige uitspraak over het geschil. Een gerechtelijke uitspraak kan immers in veel gevallen voor één partij zeer nadelig uitvallen, en soms is het van te voren niet te voorspellen naar welke kant het kwartje valt. Het bespaart bovendien kosten van de verdere procedure, omdat deze bij een schikking meteen teneinde komt. Hoger beroep is uitgesloten. En bovendien worden er ook meestal afspraken gemaakt over de wijze waarop de schikking wordt uitgevoerd. Dat hoeft dus niet via een deurwaarder die de titel “executeert”, maar gaat geheel vrijwillig. Ook dat bespaart kosten, frustratie en vertraging

Zo`n schikking kan natuurlijk in een vonnis worden opgemaakt, en dat geldt hetgeen hierboven staat over de executie van gerechtelijke uitspraken. Maar in veel gevallen gebeurt dat in de vorm van een zogenaamd “proces-verbaal”, ten overstaan van een rechter in een rechtszitting. Dit proces-verbaal wordt dan weliswaar in executoriale vorm opgemaakt, (bovenaan staat “In Naam Der Koning”) en kan door een deurwaarder ten uitvoer worden gelegd, maar is toch wezenlijk anders dan een vonnis. Een proces-verbaal bevat immer een partijovereenkomst, terwijl een vonnis een eenzijdige uitspraak van een rechter bevat.

Omdat artikel 3:324 BW een 20 jarige termijn stelt, waarna de executiebevoegdheid eindigt, is de vraag voorgelegd of die termijn ook geldt voor dergelijke partijovereenkomsten, die in een proces verbaal ten overstaan van een rechter zijn vastgelegd. Met andere woorden, kan zo`n afspraak gewoon 20 jaar gelden tussen partijen, en ook door een deurwaarder worden afgedwongen.

De Hoge Raad heeft in een arrest 27-11-2015 (ECLI:NL:HR:2015:3423) hierover een uitspraak gedaan die alle deurwaarders dienen te volgen.  De Hoge Raad overweegt dat het overwegende karakter van een dergelijk proces-verbaal toch niet meer is dan een vorderingsrecht van één partij jegens de ander, en dat daarom de gewone verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing is, zoals voor alle gewone vorderingen bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW.

Vonnis of proces-verbaal

Het is dus aan te bevelen om in een procedure, waar partijen een schikking overwegen, toch nog eens goed na te denken over de uitvoerbaarheid aan het einde van het traject, zeker indien er bij voorbaat twijfel is over de nakoming van een regeling. Is er twijfel dan kan het geen kwaad om de rechter en de wederpartij te bewegen om in plaats van een proces-verbaal te maken, een vonnis te wijzen waarbij partijen eerst over en weer hun eis of verweer wijzigen, en gezamenlijk daarover een uitspraak te vragen ( waarvan de uitkomst tevoren met de rechter is besproken en dan eigenlijk al vaststaat). Een vonnis kan immers 20 jaar ten uitvoer worden gelegd, een proces-verbaal maar 5 jaren.

Dit laatste geldt vanzelfsprekend ook voor de andere zeer belangrijke titel, de notariële akte die in executoriale vorm is opgemaakt. In een notariële akte kan bijvoorbeeld een geldlening worden gevat, maar ook hier geldt dat het karakter een gewone rechtsvordering is, waarvoor de korte verjaringstermijn van 5 jaar geldt .

De verjaring is overigens een termijn die met in beginsel tot het oneindige kan voorkomen, door de zogenaamde stuiting. Meer over deze stuiting leest u in een volgend artikel.

Wilt u meer weten over de tenuitvoerlegging van een vonnissen, een proces verbaal of een notariële akte, bel dan 0900-advocaten of stuur een email aan advocaten.nl

Betalingsuitstel in de coronacrisis

De “tijdelijke wet betalingsuitstel” biedt ondernemers een kans om lastige schuldeisers nog even buiten de deur te houden totdat de coronacrisis is bezworen.

De Tijdelijke Betalingsuitstelwet (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV) is in november 2020 ingevoerd voor ondernemers die door Covid-19 betalingsproblemen hebben. De tijdelijke wet duurt nog tot 1 juni 2021.

Met deze tijdelijke wet kan de rechter een maatregel nemen, waarvan de belangrijkste is dat de behandeling van een faillissementsaanvraag wordt uitgesteld. Maar ook andere maatregelen zijn mogelijk, zoals beëindiging van een beslaglegging of inbeslagname, uitoefenen van een pandrecht of een gebod tot het voortgaan met de leverantie van goederen of diensten. Het doel van de wet is eigenlijk om de situatie die is ontstaan door maatregelen van de overheid te “bevriezen”, tot het moment dat deze maatregelen weer worden opgeheven. In de tussenliggende periode kan de ondernemer doorgaan en trachten een regeling te treffen met de schuldeisers.

Door de coronamaatregelen van de overheid komen bedrijven in nood door verlies van klanten en opdrachten. De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW), de aanvullende inkomensgarantie voor zelfstandigen (TOZO), en diverse belastinguitstel-mogelijkheden van de Belastingdienst bieden enige compensatie en mitigatie van de financiële problemen.
Ook andere sectoren houden rekening met de situatie: banken houden minder strikte regels aan, rechtbanken zijn kritisch bij faillissementsverzoeken en er is een sterk drang bij verhuurders om begrip te hebben met huurachterstanden.

Een incassomaatregel of een faillissementsaanvraag is toch nog te verwachten. Niet in alle gevallen is duidelijk wat de oorzaak is van de achterstand. Bovendien gebeurt het vaak dat een ondernemer besluit selectief betalingen te gaan doen: hij betaald al zijn vaste leveranciers, maar laat huurbetaling en BTW afdracht achterwege. Dit lokt natuurlijk problemen uit. In veel gevallen wordt toch gekozen voor een faillissementsaanvraag of een ander maatregel ter incasso van schulden. De Tijdelijke Betalingsuitstelwet geeft de rechter een instrument om extra kritisch de oorzaak van de betalingsachterstand te beoordelen. Is deze tijdelijk, en houdt deze verband met de overheidsmaatregelen in verband met de coronacrisis, dan kan de rechter zal het ware een moratorium van maximaal een half jaar inroepen, een soort afkoelperiode. Deze periode geldt voor initieel 2 maanden en kan nog 2 keer voor 2 maanden worden.

De werking van de wet is tijdelijk, maar ook beperkt. Het is geen algemene maatregel die de ondernemer durende een half jaar beschermd tegen alle faillissementsaanvragen en beslagen. Het geldt dus alleen voor degene die het faillissement heeft aangevraagd.
Voor dat laatste is een ander wet ingevoerd per 1 januari 2021: de de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA).

Voor het betalingsuitstel gelden de volgende voorwaarden:

  • Het gaat om een tijdelijke betalingsonmacht,
  • die is ontstaan door vanwege de overheid opgelegde coronamaatregelen vanaf 16 maart 2020
  • terwijl voordien geen betalingsonmacht bestond, noch deze viel te verwachten
  • het omzetverlies tenminste 20 procent bedraagt na 16 maart 2020
  • de onderneming na de uitstelperiode weer voldoende inkomen zal generen
  • en de faillissementsaanvrager niet zelf in betalingsonmacht komt te verkeren (het domino-effect)

Een ander belangrijkste vereiste is dat, na in verkregen betalingsuitstel, de nieuwe leveranties, diensten, huur etc. wel gewoon dienen te worden betaald. De schulden mogen dus in de afkoelingsperiode niet oplopen. Het gaat dus in alle gevallen om achterstallige betalingen. Een voordeel van de maatregel is echter wel dat een leverancier niet meer kan weigeren om te leveren, of een pandhouder niet meer kan overgaan tot het in beslag nemen van de verpande zaken.

Zoals gezegd is er een neiging om schulden selectief te gaan betalen, zoals BTW afdracht. Voor belastingschulden geldt dat de Fiscus een eigen pakket aan betalingsuitstelmogelijkheden heeft voor ondernemers. Om die reden kan voor belastingschulden niet via de wet tijdelijke wet uitstel worden gevraagd.

De werkingsduur en de reikwijdte van de Tijdelijke Betalingsuitstelwet (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV is beperkt. Voor meer structurele problemen is een andere wet ingevoerd per 1 januari 2021. De Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) is niet ingevoerd met het ook op de coronacrisis, maar komt wel op het juiste moment. Deze wet biedt ondernemers de kans definitief van een zware schuldenlast of onrendabele bedrijfsstructuur af te komen, door medewerking van alle schuldeiseres, en desnoods aandeelhouders, af te dwingen.

Lees hier meer over de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA)

Uitstel van betaling van huur in de Corona-crisis

Huurder noch verhuurder heeft de Corona-crisis kunnen voorzien, zodat een wijziging in de huurovereenkomst kan worden voorgesteld met een beroep op de beperkende of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Door het Coronavirus dalen de omzetten van winkeliers ineens sterk en mogelijk voor langere tijd. Het is dus voorzienbaar dat veel huurders problemen krijgen huur te blijven betalen.Welke mogelijkheden hebben zij, huurverlaging, beëindiging exploitatie, of ontbinding?

Overleg

Brancheorganisatie van retailers in de non-food willen thans overleg voeren met verhuurders als institutionele beleggers en brancheorganisaties van verhuurders om een uitstel van betaling en het inhalen van de daarna ontstane huurachterstand.
De meeste huurovereenkomsten voorzien immers niet in de mogelijkheid tot vermindering of beëindiging van een huurverplichting in geval van een dergelijke calamiteit. Komt er geen regeling dan zou een huurder surseance van betaling of faillissement kunnen verzoeken, maar dit is ook voor de verhuurder ongunstig in verband met leegstand.

Het is dus te verwachten dat beide partijen, huurder en verhuurders, gezamenlijk offers moeten brengen om het doemscenario, incasso, verzuimboetes, dwangsommen, ontruimingsdreiging, leegstand en faillissement te voorkomen. Een tijdelijke huurverlaging is een mogelijkheid. Een geldverstrekker zoals de hypotheekbank zal echter ook moeten worden betaald.

Betalingsverplichting en overmacht

Een overeenkomst strekt een ieder tot wet, en dus zal een huurder verplicht zijn de huur te blijven betalen. De huurder zou misschien een beroep kunnen doen op overmacht. In de huurovereenkomst is in enkele gevallen afgesproken wanneer er sprake is van overmacht, of welke situatie nu juist wel of geen overmacht is. In dat laatste geval is dus afgesproken dat in bepaalde situatie het risico bij een partij ligt, ongeacht of dit is voorzien of dat er enige schuld of verwijtbaarheid is. In de meeste gevallen is het risico van bepaalde omstandigheden bij de huurder. Is er niets afgesproken, dan geldt de wet. Wordt de huurder aangesproken tot betaling, dan kan de huurder een beroep op overmacht doen.

Evenmin huurder, kan ook de verhuurder niet de verantwoordelijkheid dragen voor het Corona-virus, en de maatregelen worden genomen die leiden tot sluiting van winkels of tot een veel lagere omzet.

Exploitatieplicht

Naast de verplichting de huur te betalen is er een exploitatieplicht. Indien de overheid een maatregel neemt tot een verplichte sluiting van de winkel kan ertoe leiden dat een huurder de winkel niet kan openhouden.
Hoewel in de meeste huurovereenkomsten ook een een plicht tot exploitatie is opgenomen is maar de vraag of de huurder aan deze plicht moet voldoen. Van een goed verhuurder en verhuurder zal een beroep op redelijkheid en billijkheid jegens elkaar een rol gaan spelen. Onder de huidige omstandigheden zal vermoedelijk als onredelijk worden aanvaard indien een huurder wordt aangesproken door de verhuurder tot voortzetting van de exploiteren.

Onvoorziene omstandigheden

Beide partijen kunnen op grond va de wet tevens een beroep doet op onvoorziene omstandigheden, en die kan leiden tot gehele of partiële ontbinding van de huurovereenkomst of een aanpassing van een huurovereenkomst. Geen van de partijen zal de huidige situatie hebben kunnen voorzien, zodat een wijziging in de huurovereenkomst kan worden voorgesteld met een beroep op de beperkende of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Overleg

Gezien de onduidelijke situatie is het aan te raden zo snel mogelijk contact op te nemen met de wederpartij en duidelijke afspraken te maken over (tijdelijke) huurvermindering uitstel van huurbetaling, exploitatieplicht, vervanging van huurder of (tijdelijke) wijziging van de exploitatie en het inlopen van de huurachterstand. Een verhuurder doet er ook verstandig aan om in die omstandigheden ook enige zekerheid te bedingen, en zelf ook aan zijn hypotheeknemer te melden welke maatregelen worden genomen om leegstand te voorkomen.

Wilt u als huurder of verhuurder meer informatie over de mogelijkheden in uw geval bel dan met 0900-advocaten of zend een email aan info@advocaten.nl. U kunt ook het formulier invullen op de website voor een uitgebreidere vraagstelling

Het Europese betalingsbevel, werkt dat wel?

Het Europese betalingsbevel; de schuldeiser hoeft geen rechtszaak te starten om een vonnis krijgt tegen een buitenlandse handelspartner. Enkele beperkingen en nadelen worden hier besproken.

Sinds 2008 geld binnen de Europese Unie de regeling voor snelle incasso van niet betwiste schuldvorderingen. Hiermee wordt het in vorderen van niet- betwiste geldvorderingen in het buitenland eenvoudiger en goedkoper.

Sinds de oprichting van de Europese Unie is de internationale handel binnen de EU enorm toegenomen. Het doel was uiteindelijk. Het beslechten van geschillen in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet betwiste vorderingen te vereenvoudigen.

Dit is een belangrijk instrument in het bewerkstelligen van vrij verkeer tussen de lidstaten. Het is dus een aanvullend en facultatief instrument voor de crediteuren die met handelspartners in het buitenland binnen de Europese Unie handel drijven. Dit maakt een regeling om voor internationale vorderingen een snelle en goedkope procedure tot stand te brengen noodzakelijk.

Schuldeisers kunnen hun vordering op een handelspartner in het buitenland tegenwoordig op twee manieren incasseren. Dit kan via een procedure in het land van de debiteur of in het land van de crediteur. Deze laatste is dus de Europese betalingsbevelprocedure.

De regeling geldt alleen voor niet betwiste geldvordering. Het systeem werkt middels formulier dat In elke taal van de Europese Unie beschikbaar is.

De schuldeiser hoeft alleen maar dit formulier in te vullen en met de bewijsstukken naar de rechtbank van zijn woonplaats te zenden. Die rechtbank stuurt vervolgens het Europees betalingsbevel naar de debiteur. Voor Nederland is men alleen bij de Rechtbank Den Haag bevoegd deze procedure te volgen.

Reageert die debiteur niet binnen 30 dagen? Dan Krijgt het betalingsbevel van de rechter rechtskracht van een vonnis dat in alle landen Europese Unie kan worden geëxecuteerd door een deurwaarder. Voor de executie gelden overigens de gewone Europese executieregels.

De voordelen van de Europese betalingsbevelprocedure zijn duidelijk; de schuldeiser hoeft geen rechtszaak te starten terwijl hij toch een vonnis krijgt dat in dat buitenland ten uitvoer kan worden gelegd door een deurwaarder. Hiermee worden de kosten en de risico’s geminimaliseerd. De schuldeiser kan er bovendien voor kiezen slechts een deel van de vordering via een Europees betalingsbevel te vorderen, het resterende deel via een gewone procedure.

In de praktijk loopt de crediteur echter tegen enkele problemen aan.

Er zijn belangrijke beperkingen met betrekking tot deze procedure te noemen die het uiteindelijk niet aantrekkelijk maken voor de crediteur.

Een belangrijke beperking is dat de procedure alleen bedoeld is voor niet betwiste geldvorderingen. Of de vordering wordt betwist is echter onduidelijk tot het moment dat de schuldenaar reageert of de termijn daarvoor is verlopen. Het komt echter zelden voor dat een debiteur die zijn schulden onbetaald laat uiteindelijk de vordering niet betwist, indien de mogelijkheid van die betwisting eenvoudig is. De redenen van betwisting zijn achteraf eenvoudig te verzinnen, ook al zijn deze niet werkelijk bestaand. Indien ook de bevoegdheid van de rechter wordt betwist is het gevolg dat de procedure alsnog moet worden gevoerd in het land van de debiteur. Daar schiet de crediteur dus weinig mee op.

Bovendien is het formulier ingewikkeld en dient deze te worden vertaald. Ook gelden voor veel landen binnen de Europese Unie afwijkende regels zodat er feitelijk geen uniformen procedure is ontstaan.

In sommige landen is bovendien de bekendheid met het Europese betalingsbevel niet groot. Dat wil zeggen dat rechtbanken niet goed bekend zijn met de procedure.

En zelfs indien bijbetaling bevel wordt afgegeven is er nog het probleem van de executie in het buitenland. Daarvoor zal de crediteur dus alsnog een deurwaarder of advocaat in het land van de debiteur moeten inschakelen.

In veel landen binnen de Europese Unie werken de rechtbanken bovendien trager dan in andere landen, hetgeen voor een frustrerend lange doorlooptijd kan zorgen. Het voordeel van de snelle incassoprocedure valt dan geheel weg.

Veel ondernemers die onbetaalde vorderingen hebben doen er dan ook nog steeds verstandig aan om gewoon in het land van de debiteur zelf te starten en daarvoor ter plaatse een advocaat te vinden.

Hebt u onbetaalde vorderingen op handelspartners in een EU- land buiten Nederland, neem dan contact op met 0900-advocaten of stuur een e-mail aan info@advocaten.nl of vul een incasso-opdrachtformulier in op de website van advocaten.nl.

Onderhandse verkoop bij executieveiling

Een beslaglegger op een woning is die voorziet dat hij achter het net vist indien een executieveiling plaatsvindt, en alleen de hypotheekbank haar lening ziet ingelost, heeft belang bij een hoger opbrengst. De wet gaat altijd uit van het principe van maximalisatie van de opbrengst. Die beslaglegger kan aan de voorzieningenrechter onderhandse verkoop vragen, teneinde een hogere opbrengst te verkrijgen.


Indien een eigenaar van een woning in gebreke is met betaling van aflossing of rente kan een hypotheekhouder de executie van de woning ter hand nemen. Deze heeft het zogenaamde recht van parate executie.

De executieveiling staat sinds vele jaren bloot aan kritiek. Statistisch berekend is de opbrengst op een veiling lager dan de opbrengst bij een onderhandse verkoop. Dit betekend dat met een lagere opbrengst gerekend moet worden, dan wanneer de woning via een makelaar regulier op de woningmarkt zou worden aangeboden. De reden daarvoor wordt vaak gezocht in de ondoorzichtige markt. Vaak is de executieveiling een onderonsje tussen regionale opkopers die elkaar vaker tegenkomen.

Een hypothecaire verkoop leidt echter niet altijd tot een executieveiling ex art. 3:268 lid 1 BW. Er is immers tot aan de dag van executie nog de mogelijkheid voor een onderhandse verkoop van de onroerende zaak.
Uitsluitend de hypotheekhouder en de hypotheekgever, en sinds enkele jaren ook een schuldeiser die executoriaal beslag heeft gelegd op de woning, kunnen een bij de voorzieningenrechter een verzoek indienen tot onderhandse verkoop.

Het verzoek daartoe moet binnen één week vóór de voor de verkoop bepaalde dag worden ingediend. Bij dat verzoek moet de een overeenkomst tot verkoop ter goedkeuring wordt voorgelegd. Die onderhandse verkoop gaat volgens de regels van de wet, en daar wordt strikt de hand aan gehouden. Het verzoekschrift moet bevatten:
• een lijst van de in de wet uitdrukkelijk genoemde belanghebbenden, te weten:
o de hypotheeknemer-geldverstrekker,
o de schuldenaar, en
o de beperkt gerechtigden en beslagleggers (art. 544 lid 1 Rv).
• de koopovereenkomst;
• een kopie van de biedingen bij de notaris

Alle hier genoemde belanghebbende krijgen hierover bericht en kunnen hun mening hierover laten horen bij de voorzieningenrechter.
Door het verzoek wordt de openbare direct opgeschort. Indien het verzoek wordt afgewezen, bepaalt de rechter de datum waarop alsnog de openbare verkoop plaatsvindt.

De rechter kan het verzoek ook toewijzen zoals het is verzocht, maar hij kan ook bepalen dat de verkoop zal gebeuren op andere wijze, indien een van de bovengenoemde belanghebbenden alsnog (hypotheekgever, hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde) voor de afloop van de behandeling van het verzoek aan de voorzieningenrechter een gunstiger aanbod voorlegt.

Welke belangen daarbij spelen kan eenvoudig worden beschouwd indien er een schuldeiser is die voorziet dat hij achter het net vist indien een executie plaatsvindt voor een lage opbrengst, die alleen de hypotheeklening dekt, of de schuldenaar die voorziet dat hij na executie met een behoorlijke restschuld blijft zitten. Die schuldeiser heeft dus belang bij een hoger opbrengst. De wet ook altijd uit van het principe van maximalisatie van de opbrengst.

Overigens is een dergelijk verzoek, hoe goed ook gemotiveerd, geen garantie van een onderhandse verkoop. De voorzieningenrechter verleent geen verlof als moet duidelijk wordt dat een veiling méér zal opbrengen dan de onderhandse verkoop. Indien voor het einde van de de behandeling van het verzoek een beter bod op tafel komt mag de rechter concluderen dat kennelijk de maximum prijs nog niet is gehaald. In zo´n geval kan niet worden uitgesloten dat bij een openbare veiling een hogere opbrengst kan worden behaald.

Meer informatie over executie en een verzoek tot onderhandse verkoop kunt u vinden op onze website. Voor direct vragen of rechtsbijstand kunt u bellen met 0900 advocaten of een email zenden aan info@advocaten.nl ,

Algemene Verordening Gegevensbescherming

De AVG dient ter bescherming van een persoon tegen onnodige opslag en verstrekking van zijn persoonsgegevens door derden, waaronder medische gegevens.

Crediteur moet bij schikking zijn positie kunnen bepalen, privacybelang debiteur is niet absoluut

De Europese Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is sinds 25 mei 2018 van toepassing. Deze inwerkingtreding heeft terecht veel aandacht gekregen. De AVG dient ter bescherming van een persoon tegen onnodige opslag en verstrekking van zijn persoonsgegevens door derden, waaronder medische gegevens.

Uitzonderingen op de regel
Bij dergelijke bijzondere persoonsgegevens geldt in beginsel een verwerkingsverbod, met een aantal uitzonderingen. Bijvoorbeeld indien de betrokkene uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer doeleinden. Of ook als de verwerking betrekking heeft op persoonsgegevens die door de betrokkene openbaar zijn gemaakt. Verwerking is ook toegestaan indien dat noodzakelijk is voor de uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, of wanneer gerechten handelen in het kader van hun rechtsbevoegdheid.

De casus: een schikkingsaanbod
Dan komt het in een rechtszaak tot een concrete vraag: een crediteur (bank) weigert het aanbod tot schuldregeling van een debiteur. Want de bank kon niet goed beoordelen of het schikkingsaanbod het maximaal haalbare was: de (kennelijk beperkte) verdiencapaciteit van de debiteur werd onderbouwd met medische gegevens die de schuldhulpverleningsorganisatie wel kende, maar weigerde te verstrekken aan de bank met een beroep op de privacy. Pas bij de dwangakkoordzitting bij de rechtbank wordt de informatie verstrekt. Wat oordeelt de Rechtbank?

Persoonlijke afweging schuldenaar: privacybelang en belang akkoord
Als de informatie een medisch karakter heeft, komt het recht op privacy van een schuldenaar in het geding. Zijn gemachtigde moet behoedzaam met de privacybelangen omspringen. Maar een schuldeiser moet wel in staat worden gesteld om een onderbouwde beslissing te nemen op een akkoord. Een schuldeiser mag rekenen op concrete informatie als die dient ter onderbouwing van de stelling dat verdiencapaciteit ontbreekt. Als een schuldenaar een akkoord wenst met zijn schuldeisers, dient hij een persoonlijke afweging te maken of het belang bij een akkoord opweegt tegen zijn belang bij privacy. Meestal zal het niet noodzakelijk zijn dat een schuldenaar een volledig medisch dossier of een rapportage verstrekt. De enkele mededeling dat er medische beperkingen zijn die de arbeidscapaciteit bemoeilijken acht de rechtbank niet voldoende om een schuldeiser te overtuigen dat het akkoord aantrekkelijk is. De gemachtigde zou (met toestemming van een schuldenaar) kunnen volstaan met de vermelding wat de aard van de beperking is, dat de beperking een structureel karakter heeft, hetgeen blijkt uit medische rapportage.

Informatie niet verstrekken heeft consequenties
Een debiteur die dus blijft weigeren om informatie over te leggen met een beroep op privacy staat op zichzelf in zijn recht om die gegevens niet te verstrekken, maar kan zich dus niet erover verbazen dat een crediteur dan weigert om (gebrekkig ingelicht) in te stemmen met een akkoord. Uiteindelijk komt de informatie pas tijdens de zitting. De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat het voorstel het maximaal haalbare is. De bank heeft ter zitting kennis genomen van de medische achtergrond en heeft verklaard dat de gegevens voldoende onderbouwen dat men kennelijk onvoldoende in staat is om meer te verdienen. De crediteur sluit niet uit dat zij met het akkoord had ingestemd, als de schuldhulpverlener deze informatie eerder had verstrekt. De rechtbank acht aannemelijk dat de schuldeisers meer is aangeboden dan hetgeen zij zonder akkoord op langere termijn zouden kunnen krijgen. Afwijzing van het verzoek zou de overige schuldeisers die reeds hebben ingestemd nadelig treffen in hun financiële belang. Dus dient het belang van de debiteur en dat van de schuldeisers die hebben ingestemd, zwaarder te wegen dan het belang van de bank. De rechtbank beveelt de bank om mee te werken aan het aangeboden akkoord.

Door te hoge griffierechten steeds minder incassozaken

Want wat heeft de burger aan de rechter als hij zich niet kan veroorloven er gebruik van te maken? Als iemand een conflict heeft over een onbetaalde rekening van 700 euro, kost een gang naar de rechter ruim 200 euro alleen al aan griffierechten.

De Nederlandse rechter behandelt incassozaken sneller dan alternatieven die buiten de rechter omgaan. Bijna altijd wordt een verstekzaak (een zaak waarbij de gedaagde niet aanwezig is) binnen 2 weken afgedaan. Gemiddeld duurt zo’n zaak van begin tot eind 19 dagen.

Ondanks de snelle manier waarop dit soort zaken worden behandeld, daalt het aantal incassozaken fors. Het aantal incassozaken bij de rechter in de periode 2011 – 2017 is met 38 procent gedaald. Het aantal verstekzaken is in diezelfde periode zelfs met 43 procent gedaald. Een aanzienlijk deel van deze terugloop komt door de hoge griffierechten die betaald moeten worden. Deze griffierechten werpen daarmee een te hoge drempel op voor mensen die hun recht willen halen. Ook daalt het aantal rechtszaken door de opmars van incassoprocedures buiten de rechter om, zoals digitale arbitrage.

Essentieel
Toegang tot de rechter is essentieel in een rechtsstaat. Het is 1 van de kerntaken van de overheid om onafhankelijke, onpartijdige en openbare rechtspraak te bieden. Deze rechtspraak, die bindend is en precedentwerking heeft, is een noodzakelijke voorwaarde voor de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid die een rechtsstaat kenmerkt. Daarnaast draagt rechtspraak bij aan normhandhaving, rechtsbescherming en rechtsontwikkeling. Als mensen vanwege financiële redenen niet naar de rechter stappen, schaadt dit de rechtsstaat.

Voorbeeld
Een eenvoudig voorbeeld maakt het probleem duidelijk: als iemand een conflict heeft over een onbetaalde rekening van 700 euro, kost een gang naar de rechter ruim 200 euro alleen al aan griffierechten. Voor bedrijven liggen die kosten nog hoger. De uitkomst is vrijwel altijd dat de verliezende partij alle kosten moet betalen. Dat betekent dat een rechtszaak over een onbetaalde rekening van 700 euro eindigt in een rekening die bijna 2 keer zo hoog is, door de hoge griffierechten en andere bijkomende kosten.

Verlagen
In april dit jaar pleitte Frits Bakker (voorzitter Raad voor de rechtspraak) er al voor de griffierechten fors te verlagen omdat steeds meer mensen afzien van een gang naar de rechter omdat ze het niet kunnen betalen. Bakker: ‘Het vergroten van het aantal zaken is géén doel op zich, maar een noodzakelijk middel om de Nederlandse burger de rechtsbescherming te garanderen die hem toekomt. Een onbelemmerde toegang tot de rechter is hiervoor een cruciale voorwaarde. Want wat heeft de burger aan de rechter als hij zich niet kan veroorloven er gebruik van te maken?’

Geldlening opeisbaar na beëindiging samenwoning

Afwikkeling samenleving. Gemeenschappelijke woning. Geldleningsovereenkomst; betekenis goedschrift. Wilsgebreken. Teruggaven belastingdienst. Verjaring. Bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering (artikel 6:131 BW).

M en V hebben een affectieve relatie met elkaar. In 2003 kopen zij gezamenlijk een woning waarin zij gaan samenwonen. Bij die gelegenheid sluiten zij een notarieel samenlevingscontract, alsmede een geldleningsovereenkomst, waarin zij verklaren dat V aan M ten titel van geldlening een bedrag van € 85.000 schuldig is. Dit bedrag heeft betrekking op gelden die M mede ten behoeve van V uit eigen vermogen voor de aankoop van de woning heeft betaald. In 2014 verbreken partijen hun relatie en samenleving

Het geschil

In hoger beroep twisten partijen over de volgende geschilpunten:

  • Is V een bedrag van € 85.000 verschuldigd aan M?
  • Heeft V een vordering op M ter zake van belastingteruggaven die haar toekomen, maar aan M ten goede zijn gekomen?

Geldlening

Het hof is van oordeel dat het V duidelijk moet zijn geweest dat het bedrag ad € 85.000 door haar verschuldigd is aan M en opeisbaar werd bij het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst, nu dit in zowel de geldleningsovereenkomst als het samenlevingscontract met zoveel woorden is weergegeven. Verder is het hof van oordeel dat M voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hem een bedrag van € 85.000 toekomt. Het feit dat onder de geldleningsovereenkomst een goedschrift ontbreekt, zoals V aanvoert, heeft slechts tot gevolg dat de akte vrije bewijskracht heeft, maar maakt de beoordeling van wat hiervoor is overwogen niet anders en doet daar dus ook niet aan af.

Het hof gaat voorbij aan de door V aangevoerde wilsgebreken. De omstandigheid dat zowel in de samenlevings- als in de geldleningsovereenkomst is bepaald dat de schuld opeisbaar is bij einde samenleving, maakt dat M dit niet opzettelijk kan hebben verzwegen. Van bedrog is dan ook geen sprake. Het hof verwerpt ook het beroep op misbruik van omstandigheden. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden (artikel 3:44 lid 3 BW), waardoor iemand wordt bewogen tot een rechtshandeling. De enkele omstandigheid dat (1) M alle financiële zaken regelde, (2) V, althans zoals zij stelt, voor financieel advies afhankelijk was van M en (3) V pas bij de notaris zou hebben vernomen dat zij een bedrag van € 85.000 verschuldigd was aan M, zijn niet zodanig bijzondere omstandigheden.

Ook aan het beroep van V op dwaling gaat het hof voorbij. V onderbouwt niet hoe en door wie zij onjuist zou zijn voorgelicht over de gevolgen van de geldleningsovereenkomst. Partijen hebben de overeenkomst ondertekend in het bijzijn van de notaris. Dat de notaris partijen niet zou hebben voorgelicht, is gesteld noch gebleken.

Belastingteruggaven

Het hof overweegt het volgende. Vast staat (1) dat de fiscus IB-aanslagen heeft vastgesteld op grond waarvan V (telkens) een aanspraak had op belastingteruggave en (2) dat M deze aan V toekomende teruggaven vanaf 2009 grotendeels van de en/of-rekening naar zijn eigen bankrekening heeft overgemaakt.

De vordering ter zake van IB-teruggaven die vóór 9 maart 2011 door M naar zijn rekening zijn overgeboekt, is verjaard. Het hof is van oordeel dat V reeds in en vanaf 2009 bekend was met het feit dat M de teruggaven naar zijn eigen rekening overboekte, nu zij toegang had tot de gezamenlijke bankrekening. V beroept zich echter op artikel 6:131 BW, waarin is bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. Aan V kwam de bevoegdheid tot verrekening toe op het moment van betaling door M aan zichzelf van de IB-teruggaven. Deze bevoegdheid is niet geëindigd door verjaring van de rechtsvordering. In totaal heeft M € 33.000 aan IB-teruggaven naar zijn eigen rekening overgeboekt. Dit bedrag kan V verrekenen met wat zij aan M is verschuldigd.

Gerechtshof Den Haag 13 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1191 (publicatie 18 mei 2018)

 

bron: SDU opmaat                                                                

Opeisbaarheid geldlening tussen ouders en dochter

De rechtbank bepaalt dat de geldlening tussen de ouders en hun dochter niet opeisbaar is, ook niet nu het inkomen van de dochter aflossen toelaat. Dit is immers niet uit de overeenkomst af te leiden. Nu er onduidelijkheid bestaat over de wijze van aflossen, stelt de rechtbank een regeling vast.

M en V sluiten op 8 april 2010 een geldleningsovereenkomst met hun dochter D, waarin staat:
‘a. Ouders hebben aan [D] geleend een bedrag van € 55.100, welk bedrag [D] verklaart te hebben ontvangen.
b. Over dit bedrag, of over het niet afgeloste deel daarvan, betaalt [D] een rente van 8% per jaar, achteraf te voldoen in maandelijkse termijnen, voor het eerst per 30 april 2010. De eerste maal pro rata, daarna met een maandbedrag van € 367.
c. Aflossingen van de hoofdsom worden in onderling overleg tussen ouders en [D] vastgesteld. Daarbij is de afspraak gemaakt dat zodra het inkomen van [D] het toelaat met de aflossing zal worden gestart.
d. Na gedeeltelijke aflossing van de hoofdsom blijft het te betalen maandbedrag ad € 367 in stand, hetgeen tot versnelde aflossing van de hoofdsom leidt.

Tot meerdere zekerheid verklaart [D] zich jegens ouders te verbinden om, zolang ouders uit hoofde van bovengenoemde lening nog enige vordering hebben op [D], op eerste verzoek van ouders (…) aan ouders hypotheek te verlenen op [haar woning] (…).’

Begin 2018 heeft D in totaal € 100 op de lening afgelost.

Vorderingen

M en V vorderen primair veroordeling van D tot onmiddellijke terugbetaling aan hen van het nog openstaande bedrag van € 50.000, danwel (subsidiair) ontbinding van de geldleningsovereenkomst.

Standpunten van partijen

Volgens M en V is het restantbedrag onmiddellijk opeisbaar, nu D in staat is om de resterende hoofdsom ineens terug te betalen. Daarnaast zijn M en V van oordeel dat D tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, nu zij geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van M en V om ten gunste van hen een hypotheek te vestigen op haar woning. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de overeenkomst, aldus M en V.

D betwist dat de hoofdsom opeisbaar is geworden. Daarnaast is zij van oordeel dat het niet nakomen van de verbintenis tot het verstrekken van zekerheid de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt.

Opeisbaarheid

De rechtbank stelt vast dat uit de tekst van de overeenkomst niet volgt dat het restantbedrag van € 50.000 ineens kan worden opgeëist. Immers, uit sub c van de overeenkomst volgt dat D in termijnen zal aflossen zodra haar inkomen dat toelaat. M en V hebben geen feiten gesteld die een andere uitleg van de overeenkomst onderbouwen.

Ontbinding

Dat leidt tot de vraag of het restantbedrag geheel opeisbaar is als gevolg van een nog uit te spreken ontbinding. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Vast staat dat D tekortgeschoten is in de nakoming van de op haar rustende verbintenis op grond van de overeenkomst om op eerste verzoek van M en V een hypotheek te verlenen op haar woning. D stelt echter dat deze tekortkoming de ontbinding (met haar gevolgen) niet rechtvaardigt. Zij legt daaraan de onweersproken stelling ten grondslag dat M en V, als gevolg van het feit dat zij ten gunste van hen (nog) geen recht van hypotheek heeft gevestigd op haar huis, geen nadeel hebben gehad, omdat (1) het huis een lagere waarde vertegenwoordigt dan het eerste recht van hypotheek dat zij heeft gevestigd ten gunste van Rabobank, zodat bij een eventuele uitwinning op dit moment geen middelen zullen resteren waarop M en V zich zouden kunnen verhalen, (2) het nog steeds mogelijk is om een hypotheek te vestigen ten behoeve van M en V en (3) zij daartoe alsnog bereid is. Hiertegenover staat dat D, bij een ontbinding ter uitvoering van de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenis, de gehele resterende hoofdsom ineens aan M en V zal moeten terugbetalen, terwijl zij gemotiveerd heeft gesteld dat zij daartoe niet in staat is. In deze omstandigheden, zo concludeert de rechtbank, is de tekortkoming in de nakoming te weinig ernstig van betekenis om de ontbinding en haar gevolgen te rechtvaardigen.

Eindoordeel

Nu niet is komen vast te staan dat de resterende hoofdsom van € 50.000 direct opeisbaar is op grond van de overeenkomst dan wel een ontbinding van de overeenkomst, wijst de rechtbank de primaire en subsidiaire vorderingen van M en V af. De rechtbank veroordeelt D (ex artikel 7A:1798 BW) om de restant-hoofdsom van € 50.000 gespreid terug te betalen in maandelijkse termijnen van € 500. Daarnaast beveelt de rechtbank D om een recht van hypotheek ten gunste van haar ouders op haar woning te vestigen.

Rechtbank Rotterdam 9 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3726

bron: SDU opmaat                                                                

Het recht van reclame!

Een leverancier van een failliet bedrijf vist in geval van een faillissement vaak achter het net indien er nog sprake is van een openstaande factuur. Het is veelal zo dat het saldo van de failliete boedel onvoldoende is om de leverancier ook maar enig gedeelte van zijn vorderingen uit te betalen. Indien er wel een batig boedelsaldo is, ontvangt de leverancier in veel gevallen slechts een fractie van de openstaande vorderingen.

Ondanks de aangetrokken economie zijn faillissementen nog steeds aan de orde van de dag en zullen deze ook in de toekomst nog veelvuldig voor blijven komen.

Openstaande factuur bij faillissement?
Een leverancier van een failliet bedrijf vist in geval van een faillissement vaak achter het net indien er nog sprake is van een openstaande factuur. Het is veelal zo dat het saldo van de failliete boedel onvoldoende is om de leverancier ook maar enig gedeelte van zijn vorderingen uit te betalen. Indien er wel een batig boedelsaldo is, ontvangt de leverancier in veel gevallen slechts een fractie van de openstaande vorderingen. Uiteraard is dat erg zuur.

Wat levert eigendomsvoorbehoud op?
Soms kan dit ondervangen worden doordat er een eigendomsvoorbehoud geldt, waardoor de geleverde goederen teruggehaald kunnen worden en zodoende de schade beperkt kan worden. Echter, het komt nog wel eens voor, dat indien een eigendomsvoorbehoud in algemene voorwaarden is opgenomen, er een discussie ontstaat over de geldigheid van dit eigendomsvoorbehoud, omdat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden wordt bestreden indien deze niet voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld.

Wat betekent recht van reclame?
Wat veel bedrijven echter niet weten is dat er nog een wettelijke escape kan zijn en dat is het inroepen van het recht van reclame. Dit is geregeld in artikel 7:39 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet dan wel gaan om een koopovereenkomst, waarbij geen sprake is van een registergoed. Een huis is bijvoorbeeld een registergoed. In het geval dat de koopsom niet is betaald en aan de voorwaarden voor ontbinding is voldaan, kan de verkoper het geleverde goed terugvorderen. Dit moet de verkoper doen door middel van een aan de koper gerichte schriftelijke verklaring. Het gevolg van deze schriftelijke verklaring is dat de koopovereenkomst wordt ontbonden. In het geval dat de koper slechts een gedeelte heeft betaald, dan kan de verkoper slechts terugvorderen waarvoor niet is betaald. Indien het bijvoorbeeld slechts één goed betreft, dan is een zodanige verdeling niet mogelijk. Dit kan ondervangen worden doordat de verkoper hetgeen wel is betaald, terugbetaalt.

Een verkoper kan het recht van reclame overigens ook uitoefenen indien er sprake is van eigendomsvoorbehoud. Indien er een eigendomsvoorbehoud is overeengekomen, is het advies altijd om in het voorkomende geval zowel het eigendomsvoorbehoud in te roepen als het recht van reclame. Dit kan door aan te geven dat er een beroep op het recht van reclame wordt gedaan voor het geval dat het eigendomsvoorbehoud niet geldt.

Hoe recht van reclame inroepen?
Het recht van reclame moet echter wel tijdig worden ingeroepen en wel binnen 6 weken nadat de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden en binnen 60 dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het goed c.q. de goederen aan de koper of aan een door de koper ingeschakelde derde is c.q. zijn afgeleverd.

Bron: Actuele Artikelen