Nieuwsblog Advocaten.nl

meldplicht datalekke: wat betekent dit voor u?

Per 1 januari 2016 is de meldplicht datalekken ingegaan. Deze meldplicht houdt in dat organisaties (zowel bedrijven als overheden) direct een melding moeten doen bij het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) zodra zij een ernstige datalek hebben.

Bij een datalek gaat het om toegang tot of vernietiging, wijziging of vrijkomen van persoonsgegevens bij een organisatie, zonder dat dit de bedoeling is van deze organisatie. Er is sprake van een datalek als er een inbreuk is op de beveiliging van persoonsgegevens (zoals bedoeld in artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens). Voorbeelden van datalekken zijn: een kwijtgeraakte USB-stick met persoonsgegevens, een gestolen laptop of een inbraak in een databestand door een hacker.

Treedt er bij uw organisatie een ernstig datalek op, dan bent u verplicht om een melding te doen bij het CBP. In bepaalde gevallen moet u ook de betrokkenen informeren over het datalek. Dat zijn de personen van wie u gegevens verwerkt. Wanneer u ten ontrechte een datalek niet meldt bij het CBP, dan kan het CBP u een boete geven. De maximale boete is € 810.000,-.

U kunt nu al preventieve maatregelen treffen. Zorg er allereerst voor dat u de persoonsgegevens die u verwerkt goed beveiligt. De Wbp geeft aan dat ze hiervoor passende technische en organisatorische maatregelen moeten nemen. Dit houdt in dat organisaties moderne techniek moeten gebruiken om persoonsgegevens te beveiligen. En dat ze niet alleen naar de techniek kijken, maar ook naar hoe ze als organisatie met persoonsgegevens omgaan. Wie heeft er bijvoorbeeld toegang tot welke gegevens?

Daarnaast kunt u bijvoorbeeld:

  • een goed incidentenbeheer inrichten;
  • beslissen wie in de organisatie datalekken gaat beoordelen en melden bij  het CBP;
  • nadenken over hoe u de betrokkenen gaat informeren bij een datalek;
  • nadenken over hoe u wilt omgaan met signalen uit de buitenwereld over mogelijke datalekken;
  • afspraken met uw bewerkers controleren.

Elke ondernemer krijgt met deze wet te maken, omdat in elke onderneming of bedrijf data zijn opgeslagen die privacy gevoelig zijn. Denk maar aan personeelsadministratie en ziekteverzuimregistratie. Daarnaast zullen accountants, notarissen, advocaten maar ook medici de komende periode nog kritischer moeten kijken naar de beveiliging van hun netwerk. De gegevens van hun cliënten zijn per definitie privacygevoelig en vallen ook onder het beroepsgeheim. Het hebben van een extern ICT bedrijf dat service en onderhoud verricht, ontslaat de ondernemer niet van zijn verantwoordelijkheid. Het is dus zaak om de overeenkomst met de ICT, inclusief eventueel de algemene voorwaarden, na te kijken op het aspect beveiliging en zo nodig een aanvullende overeenkomst op te stellen, waarin duidelijk staat dat het ICT instaat voor de goede beveiliging van het bedrijfsnetwerk. Daarbij is het gebruik van virusscanner, firewall en regelmatige update van beveiligingssoftware vereist. Een Window XP besturingssysteem is dan ook definitief exit.

Dan zijn we er nog niet. Ook het eigen personeel moet duidelijk worden gemaakt dat recreatief surfen onder werktijd en het klakkeloos gebruik van USB sticks van onbekende herkomst fatale gevolgen kan hebben. En dan gaan we er maar vanuit dat het wachtwoord bij het inloggen ‘sterk’ is en regelmatig wijzigt. Er is nog veel te doen, want er blijken nog genoeg wachtwoorden met Admin, welkom01 of de naam van een huisdier te worden gebruikt.

Bron: Actuele artikelen

Pandrecht op gesecureerde vordering

De houder van een openbaar pandrecht op een vordering kan ook de aan deze vordering verbonden zekerheden uitwinnen.

De feiten liggen, vereenvoudigd weergegeven, als volgt. Pegas heeft een vordering op Marell. Tot zekerheid van verhaal voor deze vordering heeft Marell de vorderingen op haar debiteuren, waaronder Laudy, verpand aan Pegas (pandrecht 1). ABN Amro heeft op haar beurt een vordering op Pegas, tot zekerheid waarvan Pegas haar vordering op Marell heeft verpand aan ABN (pandrecht 2). Op enig moment heeft ABN aan Marell mededeling gedaan van de verpanding door Pegas.

Vervolgens rijst de vraag of ABN, als pandhouder van de vordering van Pegas op Marell (pandrecht 2), ook pandrecht 1 kan uitoefenen, dat is gevestigd ter securering van de vordering van Pegas op Marell. Kan ABN in het kader van de uitoefening van pandrecht 1 met andere woorden ook pandrecht 2 uitoefenen (en dus de vordering van Marell op Laudy innen)?

Vervolg op Rabobank/Stormpolder

Voor de beslag was deze vraag al beantwoord door de Hoge Raad, namelijk in het arrest Rabobank/Stormpolder uit 2005. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat de degene die executoriaal derdenbeslag legt op een vordering die versterkt is met een recht van hypotheek, ook dit recht kan uitoefenen (door uitwinning van het hypothecair verbonden goed).

Uit dit arrest werd al afgeleid dat voor pand (m.m.) hetzelfde geldt, zij het dat in de literatuur verschillende opvattingen bestaan over de wijze waarop dit dogmatisch zou moeten worden verklaard. Volgens een deel van de literatuur moet de vestiging van een beperkt recht, zoals een pandrecht, worden gezien als de overdracht van een deel van het hoofdrecht (hier: de verpande vordering), hetgeen meebrengt dat het op de vordering rustende pandrecht althans de bevoegdheid tot uitoefening van dit recht mee overgaat. Andere auteurs menen dat de bevoegdheid van de pandhouder tot het uitoefenen van een aan de verpande vordering verbonden zekerheidsrecht, rechtstreeks volgt uit de bevoegdheid tot het innen van deze vordering (art. 3:246 lid 1 BW).

De Hoge Raad bevestigt in de onderhavige zaak dat de openbare pandhouder van een gesecureerde vordering, inderdaad ook het zekerheidsrecht waarmee die vordering is gesecureerd, kan uitoefenen. Daarbij lijkt de Hoge Raad de genoemde dogmatische knoop door te hakken ten faveure van laatstbedoelde opvatting:

“Pegas heeft aan ABN AMRO een pandrecht verleend op de vordering die zij had op Marell-oud. Door deze verpanding verkreeg ABN AMRO als pandhouder de bevoegdheid om die vordering na de mededeling aan Marell-oud (…) te innen (art. 3:246 lid 1 BW). De vordering van Pegas op Marell-oud was op haar beurt eveneens verzekerd door een pandrecht, en wel door een pandrecht op vorderingen van Marell-oud op derden. De bevoegdheid van ABN AMRO om de vordering van Pegas op Marell-oud te innen omvatte tevens de bevoegdheid tot uitwinning van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten (vgl. HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619, NJ 2006/362). ABN AMRO was dus uit hoofde van de uit haar pandrecht voortvloeiende inningsbevoegdheid tevens gerechtigd het pandrecht van Pegas op de vorderingen van Marell-oud op derden uit te oefenen, dat wil zeggen dat zij, na mededeling van het pandrecht van Pegas aan die derden, die vorderingen mocht innen tot het beloop van haar (ABN AMRO’s) vordering op Pegas.”

Geen herverpanding

Overigens was het hof hier tot de conclusie gekomen dat ABN het pandrecht van Pegas niet mocht uitoefenen, aangezien dat feitelijk zou neerkomen op omzeiling van het verbod van herverpanding van art. 3:342 BW. Herverpanding in de zin van die bepaling houdt in dat de pandhouder het goed dat hem in pand is gegeven, bezwaard met een pandrecht dat strekt tot zekerheid van zijn (of een anders) schuld aan een derde. Hij beschikt daarmee dus over een goed van een ander. Art. 3:242 BW verlangt dat de pandgever hem daartoe de bevoegdheid ondubbelzinnig heeft toegekend. Dit was in deze zaak niet het geval (integendeel, de overeenkomst tussen Pegas en Marell verbood herverpanding uitdrukkelijk).

Van herverpanding (of iets vergelijkbaars) is hier echter geen sprake, aldus de Hoge Raad. Herverpanding gaat ook veel verder dan de uitoefening van de aan een verpande vordering verbonden zekerheidsrechten, reden waarom daarvoor toestemming is vereist. Herverpanding leidt namelijk tot een aanmerkelijke verzwaring van de positie van de oorspronkelijke pandgever, zoals advocaat-genaaraal Wissink onder 2.7.2-2.7.4 van zijn conclusie uiteenzet. Een dergelijke verzwaring doet zich hier niet voor, zodat van omzeiling van art. 3:424 BW evenmin sprake is.

Herstel arbeidsovereenkomst na ontslag via UVW

Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. Anders dan het UWV heeft geoordeeld, is de financiële noodzaak voor het verval van de functie onvoldoende onderbouwd. Geen veroordeling tot herstel met terugwerkende kracht.

Feiten
Werknemer is doofblind en heeft een Wajong-status. De stichting heeft het UWV toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te mogen zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft daartoe toestemming verleend. De stichting heeft de arbeidsovereenkomst op 22 september 2015 opgezegd tegen 1 november 2015. De stichting heeft aan werknemer de transitievergoeding betaald.

Verzoek
Werknemer verzoekt de kantonrechter om de stichting te veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen en verzoekt daarbij om te bepalen dat als ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst 1 november 2015 zal gelden. Volgens werknemer is de toestemming ten onrechte verleend. Primair is hij van mening dat er geen sprake van een slechte financiële situatie dan wel een slechter wordende financiële situatie binnen de stichting. Subsidiair stelt hij dat de stichting niet heeft onderbouwd waarom zijn functie zal moeten komen te vervallen, terwijl bij hem sprake is van een zwakke arbeidsmarktpositie.

Beoordeling
Het gaat om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en de stichting moet worden hersteld omdat er geen redelijke grond voor opzegging aanwezig is. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is.

De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat ingrijpen noodzakelijk is, omdat de financiële situatie van de stichting zwak is en dat ingrijpen is aangewezen. Al meerdere jaren heeft de stichting te kampen met financieel onzekere omstandigheden. Zij heeft om die reden in eerdere jaren haar organisatie flink zien inkrimpen. In 2012 en 2014 is afscheid genomen van een aantal medewerkers. Ondanks die bezuinigingen is de financiële positie zwak gebleven.

Uit de in het geding gebrachte financiële stukken volgt dat de stichting inderdaad een negatief Eigen Vermogen heeft. Het positief resultaat over 2015 ten opzichte van 2014 is weliswaar afgenomen en er is sprake van een negatief Eigen Vermogen, maar dat enkele gegeven is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende voor de conclusie dat de functie van werknemer moet komen te vervallen. Dit geldt temeer daar niet inzichtelijk is gemaakt wat de oorzaak is van het teruglopen van het afnemen van het positief resultaat.

De stichting heeft gesteld dat de PR-werkzaamheden die werknemer uitvoerde thans door vrijwilligers wordt gedaan en dat zo de personeelskosten voor werkgever worden bespaard. Dat mag zo zijn, maar dan moet daar nog wel een redelijke grond voor zijn. Die volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit de in het geding gebrachte stukken. De stichting heeft voorts niet toegelicht wat de (positieve) gevolgen zijn voor de bedrijfsvoering doordat vrijwilligers nu PR werkzaamheden verrichten. De stichting heeft daarnaast niet onderbouwd dat de toekomstverwachtingen meebrengen dat ingrijpen noodzakelijk is. Zo is nergens uit gebleken dat de subsidie voor de stichting op de tocht staat of dat er sterke aanwijzingen zijn dat de subsidie wordt teruggedraaid.

De stichting heeft niet onderbouwd dat er een redelijke grond was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De kantonrechter veroordeelt daarom de stichting tot herstel van de arbeidsovereenkomst en wel per 25 april 2016. Voor een herstel met terugwerkende kracht is naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding, gelet op het feit dat de stichting een onderneming is die grotendeels met subsidies wordt bekostigd. Voorts wordt (vooralsnog) geen dwangsom opgelegd, nu ervan wordt uitgegaan dat de stichting deze veroordeling zal nakomen.

Werknemer heeft een WW-uitkering. Nu er geen herstel plaatsvindt met terugwerkende kracht, is deze niet onverschuldigd betaald. Daarom wordt rekening gehouden met de uitbetaalde WW-uitkering. De stichting zal het netto equivalent van het bruto bedrag, welk bruto bedrag gelijk dient te zijn aan het verschil tussen het bruto maandsalaris inclusief vakantiegeld en de bruto WW-uitkering inclusief vakantiegeld, over de periode 1 november 2015 tot 25 april 2016, aan werknemer dienen te voldoen. Voor gemiste vakantiedagen behoeft geen voorziening te worden getroffen, omdat werknemer over die periode geen werkzaamheden heeft verricht. Voor het treffen van een voorziening van gemist pensioen ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat werknemer wordt gecompenseerd tot diens laatstverdiende loon, zonder dat daar arbeid tegenover heeft gestaan. Bovendien heeft werknemer een transitievergoeding ontvangen, die blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 7:673 BW deels ziet op de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband, waaronder ook begrepen gemist pensioen. Bij herstel van de arbeidsovereenkomst blijft de stichting deze verschuldigd en werknemer hoeft die dan ook niet terug te betalen. Weliswaar kan dit bedrag verrekend worden in de situatie als bedoeld in artikel 7:673 lid 4 onder b in combinatie met lid 5 BW, maar dat staat er niet aan in de weg dat werknemer thans een deel kan aanwenden om gemist pensioen te compenseren.

Rechtbank Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2601

bron: SDU

EU: overal eerlijk proces

EU: overal eerlijk proces

De EU-ministers van Justitie hebben nieuwe regels aangenomen die ervoor moeten zorgen dat verdachten in alle EU-landen een eerlijk proces krijgen. Het beginsel van het vermoeden van onschuld moeten worden gerespecteerd. De richtlijn zorgt er ook voor dat de verdachte het recht heeft om aanwezig tijdens het proces en dat hij het recht heeft om te zwijgen. Verder moet de bewijslast altijd bij het Openbaar Ministerie liggen. De nieuwe regels zijn gebaseerd op een Commissievoorstel uit 2013.

Uit de bijlage bij het commissievoorstel blijkt dat Nederland aan alle eisen bijna geheel voldoet, maar dat is niet overal zo in de EU. Eurocommissaris Jourová zegt daarover: “Het recht op een eerlijk proces is een grondrecht en moet in de praktijk overal in Europa worden geëerbiedigd. Vandaag de dag zijn er nog enkele verschillen in de bescherming van het vermoeden van onschuld in de hele Europese Unie. De nieuwe gemeenschappelijke regels moeten garanderen dat de rechten van de burgers die betrokken zijn bij een strafrechtelijke procedure worden gerespecteerd door politie en justitie.”

Vallen op werkvloer meest voorkomende arbeidsongeval

Van alle arbeidsongevallen die in 2014 leidden tot een verzuim van vier dagen of meer, was onderuitgaan op de werkvloer de meest voorkomende. Daarnaast leidt ook letsel dat anderen toebrengen (bedreigen, bijten, schoppen) vaak tot verzuim.

Dit blijkt uit een enquête van CBS. In deze enquête geeft 3,4 procent van de werknemers aan in 2014 één of meer arbeidsongevallen te hebben gehad. Dat komt neer op zo’n 240 duizend werknemers. Bij bijna 88 duizend van deze arbeidsongevallen volgde een verzuim van minimaal vier dagen.

Verzuim door lichamelijk letsel

Het letsel was in de meeste gevallen lichamelijk. In bijna 30 procent van de ongevallen met langer verzuim ontstond de blessure door uitglijden, struikelen of vallen op de werkplek. Bedreiging, bijten of schoppen werd ook vaak genoemd als oorzaak (22 procent), evenals beknelling of geraakt worden door een voorwerp (16 procent).

Verzuim door geestelijk letsel

Bij ruim een kwart van de 88 duizend arbeidsongevallen die in 2014 leidden tot langer verzuim gaven de ondervraagden aan dat sprake was van geestelijk letsel (26 procent). Het gaat dan bijvoorbeeld om psychische schade door bedreiging of een shock door een traumatische ervaring. Bij 16 procent ging het om een combinatie van fysiek en psychisch letsel.

Ongeveer een kwart van de ongevallen (26 procent) deed zich volgens de werknemers voor op locaties als fabrieken en reparatie-werkplaatsen. Bij zorginstellingen en op locaties in de dienstverlenende sector (bijvoorbeeld een kantoor, school of museum) ging het om 15 procent van de arbeidsongevallen. Op bouwterreinen, in woningen en in openbare ruimten vonden volgens de enquêteresultaten minder arbeidsongevallen plaats.

De resultaten in deze bijdrage zijn ontleend aan de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), die wordt uitgevoerd door CBS en TNO. De uitkomsten met betrekking tot arbeidsongevallen zijn niet vergelijkbaar met eerdere jaren van de NEA, vanwege methodologische wijzigingen.

Raad van State verlaagt onderverhuurboete

De Raad van State heeft de sanctie van €12.000 verlaagd naar €3000. De standaardboete is niet altijd onevenredig hoog, omdat een urgent maatschappelijk probleem wordt aangepakt en de hoge boete een afschrikwekkend effect heeft, aldus de hoogste bestuursrechters van ons land.

De rechters verwijten het de gemeente Amsterdam echter dat ze niet hebben gekeken of het een particulier was die illegaal onderverhuurde of een bedrijf, en of er financieel voordeel uit het onderverhuren is gehaald. Dat onderscheid wordt bij een sociale huurwoning wel gemaakt, maar deze zaak ging over een huurwoning in de vrije sector. De gemeente heeft niet kunnen motiveren waarom het nu geen onderscheid maakt, stelt de Raad van State.

De man die zijn woning onderverhuurde handelde niet bedrijfsmatig en heeft ook geen financieel voordeel gehad. Daarom krijgt hij dezelfde boete als wanneer zijn huurwoning in de sociale sector zou vallen.      

bron: Telegraaf.nl

Werknemer moet meer inspraak krijgen bij faillissement


De SER wil meer aandacht voor de werknemer bij een faillissement. Er gelden immers medezeggenschapregels. Maar dit lijkt iedereen te vergeten, stelt Evert Verhulp, van de Sociaal-Economische Raad. Werknemers gaan er nu vanuit geen enkele inspraak te hebben zodra een bedrijf in zwaar weer verkeert. Ondernemers worden zo verblind door het redden van hun bedrijf, dat ze vergeten het personeel te betrekken. Sommige directeuren en aandeelhouders sluiten werknemers bewust buiten.

Zo maakte kinderdagverblijfketen Estro twee jaar terug een doorstart met vrijwel dezelfde investeerders, en gebruikte het faillissement puur als excuus om personeel te dumpen. Curatoren zijn bang dat inmenging van werknemers tot vertraging leidt. De SER wil dat bedrijven een kopie van de faillissementsaanvraag doorsturen naar de ondernemingsraad, zodat werknemers op de hoogte zijn van het aanstaande faillissement.

Het is moeilijk de curator sancties op te leggen als de ondernemingsraad wordt genegeerd. Kortere adviestermijnen kunnen curatoren aansporen meer advies in te winnen. Bij een doorstart controleert niemand of curatoren goede arbeidsvoorwaarden regelen voor werknemers. Opleidingsinstituten voor curatoren moeten hen hiervan bewust maken.

Diefstal borrelnootjes is een geldige reden voor ontslag

Dat heeft de kantonrechter in Dordrecht bepaald in de zaak die de vrouw tegen haar voormalige werkgever had aangespannen. De rechter veroordeelde haar ook tot het betalen van een schadevergoeding van ruim zeventienhonderd euro aan de Gorkumse zorgverlener.

Rivas Zorggroep had al enkele jaren te kampen met diefstallen op een afdeling in een van de verpleeghuizen. Dit zorgde voor grote onrust onder de bewoners omdat ook zij slachtoffer waren van de diefstallen. Ondanks extra veiligheidsrondes, gesprekken met het personeel en de inzet van de wijkagent, slaagde Rivas er niet in om de diefstallen een halt toe te roepen.

Daarop werd besloten om Hoffmann Bedrijfsrecherche in te schakelen, die in januari van dit jaar drie verborgen camera’s in het verpleeghuis ophing. Drie dagen later was op de beelden te zien dat de ziekenverzorgende een pak koffie uit de voorraadruimte pakte en in haar locker stopte. Na afloop van haar dienst pakte zij de koffie uit haar locker en vertrok.

In een gesprek met de rechercheurs zou de vrouw hebben toegegeven niet alleen spullen van Rivas Zorggroep te hebben gestolen, maar ook van collega’s en cliënten. Dat was voor Rivas aanleiding voor ontslag op staande voet. Tijdens de zitting heeft de vrouw de diefstallen ontkend en bestreed zij eerder een bekentenis te hebben afgelegd.

Tijdens de zitting heeft de vrouw wel toegegeven dat zij te zien was op de beelden van de bewakingscamera’s. Ze gaf toe wel vaker koffie en borrelnootjes mee naar huis te hebben genomen. Van diefstal was volgens haar geen sprake, omdat ze eerder koffie en nootjes van huis naar haar werk had meegenomen om tekorten in de voorraad bij Rivas aan te vullen.

De kantonrechter heeft echter korte metten gemaakt met deze verklaring. Volgens rechter mr. S. Poiesz was er wel degelijk sprake van diefstal. Ook is niet vast komen te staan dat de vrouw voorraadtekorten heeft aangevuld en dat dit een geaccepteerde werkwijze bij Rivas is. Ook het verweer van de vrouw dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, is door de rechter verworpen. ,,Voldoende is vast komen te staan dat de waarheid op geen enkele andere wijze boven tafel kon worden gekregen.”

Rivas heeft bij de politie ook aangifte van diefstal tegen de ontslagen medewerkster gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft nog geen beslissing genomen of de vrouw strafrechtelijk zal worden vervolgd.   

telegraaf.nl

 

Negatieve review over advocaat niet onrechtmatig

Mondige burgers plaatsen steeds vaker negatieve boordelingen op internet over de dienstverlening die hen is geboden. Soms tot grote ergernis van het bedrijf dat voorwerp van zo’n beoordeling is.

Een advocatenkantoor spande een kort geding aan tegen de (ex)klant die een negatieve beoordeling op internet had geplaatst en … verloor de zaak. [lees hier de uitspraak]

Aan het lijntje

In review op internet sprak de ex-klant zijn teleurstelling uit over de dienstverlening van de advocaat: hij was 7 maanden aan het lijntje gehouden, feitelijk had de advocaat niets gedaan, behalve nota’s sturen. Daarna was de zaak bij een ander ondergebracht die het probleem binnen een halve dag had opgelost. De review besloot met de tekst: ‘Een schande! Wees gewaarschuwd als u in zee wilt gaan met deze man!’

Aangetast in eer en naam

De advocaat en diens kantoor voelden zich door de review in de eer en goede naam aangetast en eiste onmiddellijk verwijdering van de review van internet.
De kort gedingrechter stelt vast dat hier sprake is van een conflict tussen twee grondrechten, te weten:

1    het recht op vrije meningsuiting en in dit geval het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden, die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan en anderzijds,
2    het recht op privacy en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer en in dit geval het belang dat men niet door publicaties in de pers niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen.

De rechter oordeelt dat in dit geval sprake is van een review waarin overduidelijk (slechts) een persoonlijke mening van de schrijver is opgenomen. Dat sprake is van enige overdrijving is niet ongehoord, omdat de grenzen van het betamelijke niet zijn overschreden.
De rechter weegt ook mee dat gebleken is dat de inhoud van de review niet feitelijk evident onjuist is. De publicatie wordt dus niet onrechtmatig geacht en behoeft niet te worden gerectificeerd.

‘Consument heeft langer recht op garantie’

Consumenten hebben recht op een deugdelijk product gedurende de verwachte levensduur. Hoe lang dat is, verschilt per product en is onder meer afhankelijk van het merk, de prijs en de beloftes van de verkoper. Om te bepalen of er nog recht is op kosteloze reparatie of vervanging van een defect apparaat, houden winkeliers vaak de fabrieksgarantie aan of beroepen zich op een lijst met richtlijnen voor gebruiksduur van de brancheorganisatie Uneto-VNI.

De gebruiksduur op die lijst komt echter niet overeen met de ervaringen van consumenten, blijkt uit onderzoek van de Consumentenbond. Op de website van de bond kunnen consumenten zien hoe ze gebruik kunnen maken van hun recht op garantie.

Source: ‘Consument heeft langer recht op garantie’