Nieuwsblog Advocaten.nl

Aanbevelingen voor betere rechtsbijstandverlening

Meer regie door de Raad voor Rechtsbijstand en het Juridisch Loket en samenvoeging van beide organisaties met behoud van hun ‘sterke merknamen’.

Dit beveelt de commissie gesubsidieerde rechtsbijstand (‘commissie-Wolfsen’) aan in een rapport dat gisteren aan de minister van Veiligheid en Justitie is aangeboden. De commissie was in februari in het leven geroepen met 2 opdrachten. De eerste was om de oorzaken voor de stijging van de kosten voor gesubsidieerde rechtsbijstand te onderzoeken. De tweede opdracht was alternatieven aan te dragen voor een door het kabinet voorgestelde wijziging van het stelsel van rechtsbijstand. In afwachting van de bevindingen van de commissie-Wolfsen trok de toenmalige staatssecretaris Teeven zijn wetsvoorstel in. De Raad voor de rechtspraak constateerde in zijn wetgevingsadvies over dit voorstel dat de voorgestelde wijzigingen ‘te veel uit gaan van de zelfredzaamheid van burgers’.

Zwakke plekken

De commissie noemt in haar rapport een scala aan oorzaken en achtergronden van de ontwikkelingen in de uitgaven aan gesubsidieerde rechtsbijstand. Op basis hiervan wijst zij op een aantal zwakke plekken in het huidige stelsel, waaronder het ontbreken van goede coördinatie en een gebrekkige uitwisseling van informatie tussen partijen en instanties en het structureel niet innen van eigen bijdragen van rechtzoekenden. Er is sprake van ‘verbrokkeling’ van het huidige stelsel en ‘eenduidige sturing’ ontbreekt.

Mogelijkheden

De commissie-Wolfsen ziet mogelijkheden voor een betere rechtsbijstandverlening. Voor de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raad voor Rechtsbijstand ziet ze de opdracht weggelegd gezamenlijk te voorzien in adequate kwaliteitseisen. Deskundigheidseisen voor verschillende rechtsgebieden moeten over de hele linie op een hoger niveau komen te liggen en qua niveau met elkaar te vergelijken zijn. Ook adviseert de commissie het aantal rechtsterreinen waarop advocaten zaken kunnen aannemen, in overleg met de Orde, te beperken.
Regie
Verbetering van het stelsel gaat volgens de commissie Wolfsen niet zonder versterking van de regie hierover: ‘regie maakt het mogelijk het juiste werk toe te wijzen aan de juiste rechtsbijstandverlener’. Die regie moet er komen door ‘sterke intensivering’ van de samenwerking tussen Raad voor Rechtsbijstand en het Juridisch Loket. Door de versterking van de regierol kan de eigen bijdrage die betaald moet worden voor rechtsbijstand van een advocaat, voor de meeste burgers met ongeveer een kwart lager, aldus de commissie, die samenvoeging van Raad voor Rechtsbijstand en Juridisch Loket adviseert.
De minister van Veiligheid en Justitie reageert in het voorjaar op het rapport.

Groot belang

In haar rapport onderstreept de commissie-Wolfsen het belang van gesubsidieerde rechtsbijstand. In haar voorwoord staat: ‘Vertrouwen in het recht en gelijkwaardige participatie van alle burgers binnen het recht zijn voorwaarden voor het goed functioneren van een sociale en democratische rechtsstaat. Dat betekent dat de toegang tot recht voor eenieder goed moet zijn geborgd; dat is de toegang die een rechtzoekende heeft tot informatie, overleg, onderhandeling en tot de rechter. Een (te) geringe financiële draagkracht mag er niet toe leiden dat redelijk handelende rechtzoekenden verstoken zijn of blijven van rechtsbijstand en van de rechter.’

Schade uit onrechtmatige: Gemeenschaps- of privéschuld?

De rechtbank beoordeelt of een schuld die tijdens het huwelijk is ontstaan vanwege onrechtmatig handelen door de man, is aan te merken als gemeenschapsschuld of privéschuld.

De feiten

M en V zijn in 1996 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2010 door echtscheiding is ontbonden. Tijdens het huwelijk hebben eisers obligatieleningen van € 100.000 verstrekt aan de BV van M. Dit bedrag is niet terugbetaald. De BV is tot terugbetaling veroordeeld, maar bood geen verhaal. Om die reden hebben de eisers M tot betaling aangesproken. M is veroordeeld tot terugbetaling en is als bestuurder persoonlijk aansprakelijk geacht voor de door eisers geleden schade. Vervolgens hebben eisers V aansprakelijk gesteld voor 50% van de schuld van M.

Ontstaan schuld

Vast staat dat de vordering van eisers op M is ontstaan in de periode dat M en V nog met elkaar gehuwd waren. Het huwelijk is vóór 1 januari 2012 ontbonden. Om die reden zijn de bepalingen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, van toepassing.

Uitgangspunt

Gedurende het bestaan van de gemeenschap van goederen kan iedere echtgenoot ten laste van de gemeenschap schulden aangaan, maar is alleen de echtgenoot die de schuld is aangegaan voor die schuld aansprakelijk. De schuldeiser kan verhaal zoeken op het gemeenschapsvermogen en op het privévermogen van de echtgenoot die de schuld aanging. Na de ontbinding van de gemeenschap komt daar, op grond van artikel 1:102 BW (oud), voor wat betreft de aansprakelijkheid bij dat iedere echtgenoot voor 50% ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de gemeenschapsschulden die door de andere echtgenoot zijn aangegaan. De ontbinding van de huwelijksgemeenschap leidt aldus tot uitbreiding van de aansprakelijkheid van de echtgenoten voor gemeenschapsschulden.

Privéschuld?

V betwist dat zij voor de helft van de schuld van M aansprakelijk is. Volgens haar is geen sprake van een gemeenschapsschuld, maar van een privéschuld. De schuld van M is ontstaan uit hoofde van onrechtmatige daad en is dus een verknochte schuld die niet in de gemeenschap valt. Daarom is zij hiervoor (ook na ontbinding van de huwelijksgemeenschap) niet aansprakelijk.

Verknochte schuld?

Hoofdregel is dat alle schulden in de gemeenschap vallen, ongeacht de vraag of de schuld ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is aangegaan. Een uitzondering geldt ten aanzien van schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover de verknochtheid zich hiertegen niet verzet (artikel 1:94 lid 3 BW (oud)). Of een schuld aan een van de echtgenoten verknocht is (en zo ja: in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat de schuld in de gemeenschap valt), is afhankelijk van de aard van de schuld conform de maatschappelijke opvattingen. Maatstaven van redelijkheid en billijkheid kunnen tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van gelijke draagplicht van een schuld tussen de echtgenoten onderling. Eisers hebben volgens de rechtbank terecht betoogd dat dit voor de positie van de schuldeiser niet relevant is. Ook in het geval waarin de ene echtgenoot gehouden is om op grond van redelijkheid en billijkheid een schuld geheel te dragen, kan de schuldeiser beide echtgenoten aanspreken op grond van artikel 1:102 BW (oud).

Schuld uit hoofde van onrechtmatige daad verknocht?

Een criterium om de aard van de schuld als zijnde een verknochte schuld aan te merken, kan nergens uit worden afgeleid en is ook (nog) niet door de Hoge Raad gegeven. Volgens de wetsgeschiedenis zijn alleen schulden die gerelateerd zijn aan privégoederen van de echtgenoten te beschouwen als verknochte schulden. De regeling van de verknochtheid van een schuld dient derhalve zeer beperkt te worden uitgelegd. Algemeen wordt aangenomen dat een tijdens het huwelijk ontstane schuld die zijn oorzaak vindt in het onrechtmatig handelen van een der echtgenoten, zonder bijzondere bijkomende omstandigheden, niet als een verknochte schuld kan worden aangemerkt.

In dit licht oordeelt de rechtbank dat de schuld van eisers, ontstaan vanwege onrechtmatig handelen van M als bestuurder van de BV, onvoldoende is om als aan M verknochte schuld te beschouwen. De rechtbank acht hierbij relevant dat de door M als bestuurder verworven inkomsten ten goede zijn gekomen aan de huwelijksgemeenschap. Dat V niet betrokken of werkzaam is geweest bij de BV en niet op de hoogte was van het financiële reilen en zeilen, maakt dit niet anders. Het feit dat de schuld buiten haar medeweten zou zijn ontstaan, leidt niet tot het oordeel dat geen sprake van een gemeenschapsschuld kan zijn.
De stelling van V dat zij vermoedde dat M zich bezighield met zakelijke handelingen waarmee zij zich niet kon verenigen, biedt geen soelaas. Volgens de rechtbank lag het op haar weg om in dat geval gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid zich van aansprakelijkheid voor de door M veroorzaakte schulden te bevrijden door afstand te doen van de gemeenschap. V heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
De rechtbank concludeert dat de schuld van M aan eisers ingevolge de hoofdregel van artikel 1:94 lid 1 BW (oud) als een gemeenschapsschuld moet worden aangemerkt, waarvoor V na ontbinding van de gemeenschap voor de helft aansprakelijk is.

Rechtbank Noord-Holland, 10 januari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:342

bron: SDU

uw rechten & plichten bij incasso

Wettelijke incassotarieven vaak onbekend bij debiteuren

Zowel debiteuren als crediteuren zijn niet altijd goed bekend met de geldende wettelijke incassotarieven. De bekendheid van alle betrokken partijen met de nieuwe incassotarieven is van belang voor een goede handhaving van de wet. Onder meer op de website www.rijksoverheid.nl is informatie over incassokosten te raadplegen. Er blijken aanhoudende signalen over incassobedrijven die zich niet houden aan de wettelijke gefixeerde tarieven. Niet alleen particuliere debiteuren, maar ook ondernemers kunnen hier last van hebben.

Dit is de reden waarom het ministerie van Veiligheid en Justitie samen met VNO-NCW en MKB Nederland de voorlichting over incasso wil intensiveren. De overheid én de koepelorganisaties hebben een evident belang bij een maatschappelijk verantwoorde incasso. Natuurlijk mag men als ondernemer of overheid de incasso uitbesteden. Maar een incassobureau dat slecht werk aflevert, brengt ook reputatieschade toe aan zijn opdrachtgever. Via voorlichting zal worden getracht om de opdrachtgever, die het incassobedrijf inschakelt, bewust te laten kiezen voor een incassobureau dat voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen, zoals het correct hanteren van de maximum tarieven en het daarover correct informeren van opdrachtgever én betaalplichtigen. Een niet dwingend (wettelijk), maar zelfregulerend incassokeurmerk kan daar een goed onderdeel van zijn.

Een debiteur (ondernemer of particulier) hoeft buitengerechtelijke incassokosten die uitstijgen boven wat toegestaan is op grond van de wet niet te voldoen. Op de website van de Landelijke organisatie sociaal raadslieden (LOSR) zijn modelbrieven te downloaden waarmee men als debiteur adequaat kan reageren op te hoge tarieven. Deze modelbrieven komen erop neer dat men via die brief uitsluitend de achterstallige hoofdsom betaalt, plus wat men aan incassokosten wettelijk verschuldigd is, maar het meerdere mag weigeren te voldoen. Op die manier laat men het (proces)initiatief bij de partij die het gedeelte onredelijk hoge incassokosten zonder wettelijke grondslag bij de rechter mag proberen te vorderen.

Voor de overheid als opdrachtgever speelt het Expertisecentrum Aanbesteden (PIANOo) een rol. Het contracteren van een incassobureau maakt deel uit van het inkoopproces, bij gemeenten bijvoorbeeld. Voorafgaand aan het contracteren wordt de inkoopbehoefte vastgesteld, de markt verkend en een aanbesteding ingericht en uitgevoerd. PIANOo biedt op haar site een marktdossier Incassodiensten, met een beschrijving van de markt en aandachtspunten voor de inkoop. Belangrijk voor de praktijk is om te beseffen dat burgers en bedrijven alert moeten zijn op malafide incasso, en zich wapenen bijvoorbeeld via fraudemeldpunten. Dit zodat burgers en bedrijven die benaderd worden door een incassobureau op de hoogte zijn van hun rechten en plichten en gewaarschuwd zijn tegen malafide praktijken.

Digitale rechtszaak weer stap dichterbij

De Tweede Kamer heeft ingestemd met de invoeringswet die het mogelijk maakt dat rechtszaken in civiel recht en bestuursrecht volledig digitaal kunnen worden gevoerd. De zitting zelf blijft in deze wet buiten beschouwing.

De Rechtspraak werkt aan het moderniseringsprogramma Kwaliteit en Innovatie (KEI). Eenvoudiger procedures en digitalisering zijn hierbij kernbegrippen. De Rechtspraak zorgt in dit programma voor de aanpassing en innovatie van procedures; de minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de vereiste wetgeving. Voor professionals als advocaten wordt het in de toekomst  verplicht digitaal te procederen, privépersonen mogen nog met papier werken als zij dat liever willen. Doelstelling van digitale procedures is om de rechtspraak sneller, toegankelijker en begrijpelijker te maken.
Eerste Kamer

De wetten die het mogelijk maken rechtszaken in civiel recht en in bestuursrecht in eerste aanleg, in hoger beroep en cassatie digitaal af te handelen, werden al eerder unaniem aangenomen door de Tweede Kamer. Het was wachten op de invoeringswet U verlaat Rechtspraak.nl (zie punt 4). Nu deze drie wetten door de Tweede Kamer zijn, buigt de Eerste Kamer zich over het hele pakket wetgeving. Wanneer de senaat dit doet is nog niet bekend.

Ervaring opdoen

De invoeringswet bevat ook een experimenteerbepaling. Deze maakt het voor  advocaten en andere professionele partijen die geregeld procederen, mogelijk om op beperkte schaal en op vrijwillige basis ervaring op te doen met digitaal procederen. Dit gebeurt bijvoorbeeld al met asiel- en bewaringszaken (zie ook: Digitaal procederen in asiel- en bewaringszaken komt op stoom).
Gewenningsperiode

Met de professionele procespartijen die bij de rechtspraak betrokken zijn, is afgesproken dat er een gewenningsperiode van een half jaar begint nadat de wetgeving door de Eerste Kamer is. In deze periode kunnen partijen aan de nieuwe werkwijze wennen en hun kantoorsystemen aanpassen en testen.

Meer Eenvoudige Zaken Bij Juridisch Loket

  Het kabinet wil dat het Juridisch Loket meer eenvoudige zaken gaat behandelen. De Raad voor de rechtsbijstand en het Juridisch Loket gaan daarbij nauwer samenwerken met bijvoorbeeld advocaten om te zorgen dat mensen met diverse problemen snel en goed worden geholpen en niet onnodig van het ene naar het andere, duurdere, loket gaan.

Stellen die gaan scheiden krijgen voortaan eerst een ‘oriëntatiegesprek’ voordat zij in aanmerking kunnen komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Zo’n gesprek past in de visie van het kabinet om problemen bij echtscheidingen zoveel mogelijk zonder tussenkomst van de rechter op te lossen. Dat schrijft minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie) dinsdag aan de Tweede Kamer.

Van der Steur omarmt de aanbevelingen van de commissie-Wolfsen die in november pleitte voor een betere regie in de gesubsidieerde rechtsbijstand. Door daar meer maatwerk te leveren zou die hulp voor minder draagkrachtige mensen die hun recht zoeken flink goedkoper kunnen worden.

De vorige staatssecretaris van Justitie, Fred Teeven, wilde 85 miljoen euro bezuinigen op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Maar de Eerste Kamer maakte zich ernstige zorgen over de toegang tot het recht voor de allerarmsten. Daarop besloot het kabinet een deel van de besparing op te schorten en ging de commissie-Wolfsen aan de slag.

bron: De Telegraaf

Aanzegging tijdens vakantie werknemer gewoon op tijd

Een aanzegging die tijdens de vakantie van een werknemer op zijn thuisadres binnenkomt, is op tijd en volgens de regels uitgevoerd. De werknemer had ervoor moeten zorgen dat iemand anders zijn post verzorgde.

De situatie

Een medewerker gaat tegen het einde van zijn derde tijdelijke contract een maand op vakantie. Zijn contract eindigt op 10 september 2015 en hij gaat van 24 juli tot 24 augustus op vakantie. In een brief, gedateerd 30 juli, zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer schriftelijk aan. De werknemer krijgt die aanzegging pas na zijn vakantie onder ogen en vindt dat deze aanzegging niet op tijd is gedaan. Hij is van mening dat zijn arbeidsovereenkomst nu niet is geëindigd en dat er nu – op grond van de toepasselijke cao – een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan.

Bij de rechter

De werknemer vraagt aan de rechter om voor recht te verklaren dat er met ingang van 11 september 2015 een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan.

Het oordeel

De rechter gaat uit van het doel van de wettelijke bepaling over de aanzegging: de werknemer meer zekerheid bieden en hem tijdig in de gelegenheid stellen om ander werk te zoeken. De werknemer voert aan dat in dit geval aan die beschermingsgedachte voorbij is gegaan. De werkgever wist immers dat hij een maand op vakantie was. Maar de rechter gaat niet mee in die redenering.

Om geldig te zijn, moet de aanzegging de medewerker hebben bereikt. Als de aanzegging de medewerker niet heeft bereikt door omstandigheden die aan hemzelf te wijten zijn, is de aanzegging toch geldig. En dat is hier het geval, oordeelt de rechter. De brief met de aanzegging is op tijd op het adres van de werknemer bezorgd. Dat die zijn post niet heeft laten waarnemen door iemand anders, komt voor rekening van de werknemer.

De rechter wijst de vordering van de werknemer af.

Gegevens rechtszaak: ECLI:NL:RBROT:2015:9222. Datum uitspraak: 23 december 2015

Nieuwe wet maakt school stichten makkelijker

Dekker maakt stichten van scholen gemakkelijker

Het wordt eenvoudiger om een nieuwe school te stichten, ook als deze niet is gebaseerd op een katholieke, islamitische, antroposofische of andere levensbeschouwing. Binnenkort hoeven mensen die een school willen beginnen alleen nog te bewijzen dat er belangstelling is voor die school en dat de kwaliteit op orde is. Daarmee zal het onderwijs verder ontzuilen.

Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) presenteerde woensdag een conceptwet die dit mogelijk moet maken. De wet ligt ter inzage op internet, waar iedereen erop kan reageren.

Het stichten van nieuwe scholen in Nederland is lastig, vooral als een school niet tot een erkende levensbeschouwelijke richting behoort. ‘De huidige wetgeving is gebaseerd op de archaïsche principes van de verzuiling’, zegt Dekker in een interview met de Volkskrant. ‘Vernieuwende initiatieven krijgen hierdoor te weinig kans.’

De roep om verandering van het systeem klinkt al jaren. In 1996 en 2013 pleitte de Onderwijsraad al voor de invoering van zogeheten ‘richtingsvrije planning’. Een eerdere poging om de wet aan te passen liep echter spaak.

Dekker wil scholen die zich baseren op levensbeschouwing wettelijk gelijkstellen aan scholen met een vernieuwend onderwijsconcept – zoals iPadscholen of scholen voor kleinschalig onderwijs. Daartoe schrapt hij het begrip ‘richting’ uit de wet. Wie een school wil oprichten hoeft straks alleen nog een plan te maken en te bewijzen dat er belangstelling is voor de school. De Onderwijsinspectie zal nog voordat de school start, de kwaliteit van het plan beoordelen.

Lees verder…

billijke vergoeding bij ontbinding arbeidsovereenkomst

Als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In dat geval kan de kantonrechter aan de werknemer dan ook een billijke vergoeding toekennen. Daarnaast heeft de werknemer op grond van de wet recht op de transitievergoeding.

Hoogte billijke vergoeding

Het is aan de rechter om de hoogte van de billijke vergoeding te bepalen. De hoogte daarvan staat – naar haar aard – in relatie tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Rechters hebben de mogelijkheid om de hoogte van de vergoeding te bepalen op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval best team collaboration software.

Dit betekent dat criteria als loon en lengte van het dienstverband die tot 1 juli 2015 onderdeel uitmaken van de kantonrechtersformule hierbij geen rol hoeven te spelen.

Gevolgencriterium speelt geen rol

Voorts kan in deze additionele vergoeding niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen om deze gevolgen te ondervangen (ook wel aangeduid als ‘het gevolgencriterium’), omdat dit reeds is verdisconteerd in de transitievergoeding.

Uitzonderlijke gevallen

Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de kantonrechter een billijke vergoeding aan de werknemer toekennen. Die vergoeding heeft een ander karakter dan de transitievergoeding (compensatie van ontslag en om de werknemer in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken).

De wetgever heeft – ter verduidelijking van deze ‘uitzonderlijke gevallen’ een aantal voorbeelden gegeven van situaties waaraan wordt gedacht voor het toekennen van de additionele billijke vergoeding:

       als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt, er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag;als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden;

De kantonrechter mag alleen een billijke vergoeding toekennen als het ontslag is toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever.

De curator en onbetaalde proceskosten

De vraag of een curator persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden moet worden beantwoord aan de hand van een voor curatoren geldende bijzondere zorgvuldigheidsnorm. De Hoge Raad heeft hiertoe in het bekende ‘Maclou-arrest’ een maatstaf gegeven: een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

Deze norm moet worden gezien tegen de achtergrond van de taak van een curator. Een curator vervult zijn taak niet als advocaat en treedt ook niet als een dergelijke of daarmee vergelijkbare beroepsbeoefenaar op. Ook ontbreekt een contractuele betrekking tot degenen wiens belangen worden behartigd. Daarnaast dient een curator vaak tegenstrijdige belangen te behartigen en bij het nemen van beslissingen soms rekening te houden met belangen van maatschappelijke aard. De bijzondere positie van een curator kan aldus een rechtvaardiging opleveren van een anders wellicht onrechtmatig handelen. Bij toetsing aan deze norm past terughoudendheid.

Voor persoonlijke aansprakelijkheid is vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij heeft gehandeld terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijs behoorde in te zien.

De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 oktober 2015 dat voor een succesvol verhaal van schade op de curator sprake moet zijn van (i) een onrechtmatig handelen (ii) waarvan de curator zich had behoren te onthouden, omdat dat handelen in strijd is met wat in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

Volgens de rechtbank was in dit geval geen sprake van onrechtmatig handelen bij het starten van een (arbitrale) procedure door de curator terwijl er onvoldoende financiële dekking bestond voor een eventuele proceskostenveroordeling.

Het ontbreken van voldoende financiële dekking leverde volgens de rechtbank geen misbruik van recht op omdat gesteld noch gebleken is dat de curator zijn vordering in de arbitrale procedure heeft gebaseerd op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.

Daarnaast kan volgens de rechtbank ook niet gesproken worden van onrechtmatig handelen omdat het in artikel 6 EVRM geborgde recht op effectieve toegang tot de rechter met zich kan brengen dat zelfs in die gevallen dat een vordering tot het stellen van zekerheid in de zin van art. 224 Rv kan worden verlangd, de vordering tot het stellen van zekerheid toch geheel of ten dele moet worden afgewezen.

Het stond de curator dus – terwijl de boedel over onvoldoende financiële middelen beschikte om een eventuele proceskostenveroordeling te kunnen voldoen – vrij om bij de overheidsrechter een eis in te stellen. Volgens de rechtbank dient ten aanzien van een arbitrage waarop het NAI-reglement van toepassing is niet anders geoordeeld te worden.

Opgemerkt zij dat de rechtbank in onderhavig geval niet toekomt aan de vorderingen en het verweer dat partijen ten grondslag hebben gelegd aan de toepassing van de door de Hoge Raad geformuleerde Maclou-norm. Aan invulling van deze norm komt men immers pas toe wanneer de vraag voorligt of de bijzondere positie van een curator een rechtvaardiging kan opleveren van zijn anders onrechtmatige gedraging. Van een onrechtmatige gedraging was in dit geval volgens de rechtbank echter geen sprake.

Conclusie

De rechtbank Noord-Nederland concludeert dat het onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet onrechtmatig is om als curator een procedure te starten als er geen financiële dekking bestaat voor een eventuele proceskostenveroordeling, ook niet wanneer het een arbitrale procedure betreft.

Voor kwesties als deze is tot slot van belang dat het NAI-reglement onder omstandigheden de mogelijkheid tot vordering van zekerheidsstelling biedt. Uit openbare faillissementsverslagen is veelal kenbaar dat de boedel geen of moeilijk verhaal zou (kunnen) bieden. In een dergelijk geval kan door de wederpartij van de curator zekerheidsstelling gevorderd worden voor het geval er een proceskostenveroordeling ten laste van de boedel zou worden uitgesproken. Dit is ook in onderhavig geval door de rechtbank in haar overweging meegenomen en dus goed om in het achterhoofd te houden.

Schuldenaar krijgt half jaar adempauze

Mensen die diep in de schulden zitten krijgen de mogelijkheid om maximaal een half jaar gevrijwaard te blijven van deurwaarders en aanmaningen.

Dat maken staatssecretaris Klijnsma (Sociale Zaken) en minister Ard van der Steur (Justitie) dinsdag bekend.Met de adempauze wil het kabinet de schuldenaars de mogelijkheid bieden orde te scheppen en een plan te maken om de schulden af te lossen.

In deze periode van maximaal een half jaar worden inkomsten boven de minimumnorm wel al apart gezet om de schulden uiteindelijk te kunnen aflossen.Het voorstel is opgesteld na overleg met de belangenbehartigers van schuldhulpverleners (NVVK), de gerechtsdeurwaarders, de VNG en de vier grote steden.Het kabinet streeft er naar om de maatregel per 1 januari 2017 in te laten gaan. De Tweede Kamer drong al langer aan op de adempauze voor mensen met schulden.

De ChristenUnie en het CDA diende een eigen wetsvoorstel in omdat zij niet langer wilde wachten op actie van de staatssecretaris. Tijdens een debat in de Tweede Kamer vorige maand beloofde Klijnsma het alsnog te gaan regelen.

Door: NU.nl