Nieuwsblog Advocaten.nl

Oudere werknemers lastig voor werkgevers

Oudere werknemers werden vroeger nog wel eens ontzien. Kortere werkweken en extra vakantiedagen kwamen geregeld voor. Maar door de vergrijzing zijn er momenteel veel meer oudere werknemers. Hierdoor is het niet meer zo vanzelfsprekend dat de oudere werknemers worden ontzien.

OUDERE WERKNEMERS MOETEN MODERNISEREN

Werkgevers stellen meer en meer eisen aan hun personeel. Zo moeten ze zelfstandig kunnen werken, sterk zijn in communicatie en bovenal duurzaam inzetbaar zijn. Hier wordt mee bedoeld dat de moderne werknemer gezond moet kunnen werken totdat de ipensioenleeftijd bereikt word. Dit blijkt uit het SCP-rapport: Arbeidsmarkt in kaart.

Het beleid bij bedrijven richt zich nu niet meer zo zeer op de oudere generatie. Ze richten zich op de jonge generatie die nog jaren mee moet. P. van Echtelt, onderzoeker van het SCP, zegt dat tussen de 70 en 80 procent van de werkgevers het belangrijk vind dat de werknemers goed geschoold zijn.

MINDER BELASTENDE BANEN

Veel organisaties proberen hun oudere werknemers te ontzien. Dit doen ze door meer vakantiedagen en kortere werkweken mogelijk te maken. Over het algemeen vinden werkgevers het goed dat de pensioen leeftijd hoger is geworden. Want oudere werknemers functioneren volgens hun minstens, al dan niet beter, dan de jongere concurrenten. Maar aan de andere kant zijn de oudere werknemers wel aan de dure kant.

In de sectoren horeca, industrie en bouw en handel is dit een ander verhaal. Hier vind 25 procent van de werkgevers dat het oudere personeel minder presteert dan het jongere personeel. Hierdoor zouden zij minder moeten verdienen. In deze sectoren speelt het fysiek een grotere rol bij de geleverde prestaties tijdens het werk.

GEVOLGEN

De extra vrije dagen worden afgeschaft en banen worden aangepast. De oudere krijgen nu steeds vaker aangepaste banen tegen een lager salaris. Bedrijven vinden kennis steeds belangrijker en deze kennis ligt bij de jongere generatie. Het is dan ook erg belangrijk dat oudere werknemers zich blijven ontwikkelen. Bij veel bedrijven worden bijscholingsmogelijkheden aangebode
n.

Bron: zakelijk dagblad

erfgenaam: wat is een verklaring van erfrecht

Een verklaring van erfrecht beschrijft kort gezegd wie de overledene is overleden, of deze een testament heeft gemaakt en wat er in dat testament is beschreven. De notaris stelt meteen vast of er een vruchtgebruik geldt ten aanzien van de nalatenschap. Voorts is er een opsomming van de bekende erfgenamen van de overledene en wie is aangewezen om de nalatenschap af te wikkelen.

De verklaring  wordt opgemaakt door een notaris, die alle gegevens opzoekt en controleert. De notaris heeft soms enige tijd nodig om alle erfgenamen te achterhalen. Nadat alle gegevens zijn gecontroleerd geeft de notaris deze af aan de erfgenaam die daarom vraagt.

Waar toe dient een verklaring van erfrecht?

Een verklaring van erfrecht kan dienen om de erfgenamen of de executeur handelingen te verrichten die voorheen alleen de overledene kon doen, zoals het beschikken over een bankrekening. Een bank blokkeert doorgaans na het overlijden de rekening van de rekeninghouder, maar vragen een verklaring van erfrecht indien erfgenamen toch betalingen willen doen. Nadat een verklaring van erfrecht is afgegeven, kunnen de erfgenamen weer over de zogenaamde ervenrekening beschikken.

Andere instanties en organen vragen eveneens om een verklaring van erfrecht. Zoals gemeenten of uitvoeringsorganisaties, bijvoorbeeld in het kader van Persoonsgebonden Budget, pensioen of volksverzekering, of bewind over het vermogen van een erfgenaam.

Soms is  verklaring van erfrecht niet nodig

Zolang een organisatie, die door de erfgenamen wordt benaderd uit naam van de overledene, niet om een verklaring van erfrecht vraagt, is het niet nodig een verklaring van erfrecht te laten opmaken.

Sinds 2012 geldt dat op bepaalde voorwaarden geen verklaring van erfrecht nodig is voor handelingen met de bankinstelling. Deze voorwaarden zijn:

  • Er is een langstlevende partner (echtgenoot/echtgenote of geregistreerde partner) en eventueel kinderen;
  • De overledene heeft geen testament opgesteld;
  • Het totale banksaldo van de overledene is lager dan € 100.000In zo`n geval zal de bank geen verklaring van erfrecht vragen, maar dient de langstlevende partner een vrijwaringsverklaring tekenen, zodat de bank niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de (juridische en fiscale) gevolgen van het vrijgeven van de bankrekeningen.

    Door het tekenen van deze verklaring ligt de verantwoordelijkheid van het vrijgeven van de bankrekeningen niet bij de bank, maar bij de langstlevende. Als de erfenis negatief is (omdat er veel schulden zijn) biedt de getekende verklaring bij de bank geen bescherming. De verklaring van erfrecht biedt deze bescherming wel omdat je beneficiair kunt aanvaarden.

    Maakt een en/of rekening deel uit van de nalatenschap, dan mag de bank die rekening niet blokkeren. De bank hoeft echter niet mee te werken aan de tenaamstelling van zo`n en/of rekening. Daarvoor zal een bank wel een verklaring van erfrecht vragen.

    Voor een verklaring van erfrecht kunnen de erfgenamen zich wenden tot de notaris. Elke notaris hanteert zijn eigen tarief omdat de tarieven van notarissen vrij zijn.
    Het is nuttig om vooraf de noodzaak van de verklaring van erfrecht goed te onderzoeken, en daarna om de prijzen van verschillende notarissen te vergelijken alvorens een notaris opdracht te geven.

(Gezamenlijk) ouderlijk gezag

Veel mensen zullen wel eens iets gehoord hebben over ‘ouderlijk gezag’. Feit is echter dat slechts een fractie van die mensen ook daadwerkelijk weet wat het betekent. In dit artikel leest u wat het ouderlijk gezag inhoudt, waarom het zo belangrijk is om dit te weten en wat de grote misverstanden hierover zijn.

Het ouderlijk gezag is het alomvattende recht van een ouder om zijn/haar kind op te voeden en te verzorgen, waarbij de ouder alle belangen van het kind behartigt. De ouder die het ouderlijk gezag heeft, is tevens de wettelijk vertegenwoordiger van een kind. Hebbenbeide ouders het ouderlijk gezag, dan spreekt men van ‘gezamenlijk gezag’. Een praktisch voorbeeld: de ouder die het ouderlijk gezag over een kind heeft, mag bepalen naar welke basisschool een kind gaat of welke medicijnen een kind mag krijgen. Is er sprake van gezamenlijk gezag, dan zullen ouders dit soort beslissingen dus steeds samen moeten nemen.

 Het ontstaan van ouderlijk gezag

Er bestaat een groot misverstand over het ontstaan van het ouderlijk gezag. Indien een kind wordt geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap van zijn/haar ouders, dan zullen de ouders van rechtswege het gezamenlijk gezag krijgen over een kind.

Maar wat nu als de ouders niet getrouwd zijn (of geregistreerd partner), maar als zij slechts samenwonen of slechts een samenlevingscontract hebben? In dat geval verkrijgt de vader dus niet automatisch het ouderlijk gezag over zijn kind! Evenmin is het voldoende om een kind te erkennen, want ook daardoor ontstaat er nog altijd geen ouderlijk gezag.

Indien ouders niet getrouwd zijn en geen geregistreerd partnerschap hebben, doen zij er verstandig aan om hun kind te herkennen en vervolgens het gezamenlijk gezag aan te vragen via de rechtbank. Hiervoor is het voldoende om een formulier in te vullen, dat onder meer verkrijgbaar is via de website www.rechtspraak.nl. Het kind dient dan uiteraard al wel erkend te zijn (bij de gemeente). Het formulier dient door beide ouders ingevuld en ondertekend te worden, waarna het bij de rechtbank kan worden ingediend. De rechtbank zal het gezamenlijk gezag dan inschrijven in het zogenaamde gezagsregister.

Ouderlijk gezag en omgang of alimentatie

Een ander misverstand is dat een ouder geen recht op omgang heeft of geen kinderalimentatie hoeft te betalen op het moment dat die ouder niet het ouderlijk gezag heeft. Ook een vader die niet het ouderlijk gezag heeft, heeft nog altijd het wettelijke recht op contact en omgang met zijn kind. Bovendien zijn beide ouders onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kind, ongeacht of zij nu het ouderlijk gezag hebben of niet.

In bepaalde gevallen kunt u het gezamenlijk gezag overigens slechts aanvragen via een advocaat (die daarvoor een verzoekschrift moet indienen bij de rechtbank). Dit gaat met name om de gevallen waarin één van de ouders niet de biologische ouder van een kind is, en deze personen toch het gezamenlijk gezag over een kind wensen.

Bron: Actuele Artikele                       

Grondeigenaren beter beschermd bij onteigening

Door aanpassingen aan een wetsvoorstel dat gaat over de onteigening van grond, is geregeld dat een rechter altijd kijkt of een onteigening volgens de regels verloopt.

De Raad voor de rechtspraak is blij met de aanpassingen die zijn gedaan en ziet hierdoor geen zwaarwegende bezwaren meer tegen het voorstel, schrijft de Raad in een wetgevingsadvies (pdf, 381,1 KB).

Eind vorig jaar uitte de Raad stevige kritiek omdat door het voorstel de rechtsbescherming van grondbezitters gevaar liep. Mede naar aanleiding van die kritiek heeft de minister van Infrastructuur en Milieu het wetsvoorstel aangepast.

Maatschappelijk versus persoonlijk belang

Onteigening kan worden ingezet om projecten met een groot maatschappelijk belang – zoals de aanleg van een snelweg – te realiseren. Wanneer een grondbezitter zijn grond niet (tegen een bepaaldevergoeding) wil afsta , kan het maatschappelijk belang van het project groter zijn dan het belang van de grondeigenaar. In zo’n geval kan worden geprobeerd de grond te onteigenen: de eigenaar wordt dan gedwongen tot het afstaan van de grond. Het is een van de zwaarste ingrepen die de overheid kan doen in het leven van burgers, en daarom is het erg belangrijk dat de rechten van grondeigenaren worden bewaakt.

Rechter toetst altijd

In de eerste versie van het wetsvoorstel stelde de minister voor dat de echter pas ingeschakeld zou worden als de eigenaar van de grond zelf beroep zou instellen tegen de onteigening. Dit zou betekenen dat iemand die niet zo goed thuis is in ingewikkelde juridische procedures onterecht zijn eigendom zou kunnen verliezen. Daarom pleitte de Raad voor een gegarandeerde rechterlijke toets, ook als de eigenaar geen beroep instelt. Deze garantie dat een rechter altijd kijkt of een onteigening volgens de regels verloopt, is nu toegevoegd aan het wetsvoorstel. Daarmee worden grondeigenaren beter beschermd.

Bekrachtingsprocedure

De gegarandeerde rechterlijke toets is vormgegeven door middel van een nieuwe procedure: de bekrachtigingsprocedure. Kort samengevat komt die erop neer dat als bijvoorbeeld een gemeente heeft besloten te gaan onteigenen, de gemeente daarna zijn plannen aan de bestuursrechter moet voorleggen. Belanghebbenden (zoals de grondeigenaar) kunnen tijdens dit proces aan de rechter vertellen waarom zij het niet met de onteigening eens zijn. De rechter beoordeelt op basis van een wettelijk vastgestelde basistoets en de bezwaren van de belanghebbenden of de onteigening mag of niet. Tegen deze uitspraak van de bestuursrechter kan in hoger beroep worden gegaan bij de Raad van State.

Rechtspraak dichtbij

Om het wetsvoorstel in de praktijk te kunnen brengen zijn volgens de Raad nog wel wat aanpassingen nodig, maar deze gaan vooral over (technische) details zoals een betere omschrijving van het begrip ‘belanghebbende’. Ook voorziet de Raad dat met het huidige wetsvoorstel veel bekrachtingsprocedures bij de rechtbank Den Haag zullen worden gevoerd. Het is volgens de Raad beter om deze procedures bij de rechtbank te voeren in de buurt van de grond die onteigend wordt, zo dicht mogelijk bij de mensen die het aangaat.

Bron: de Rechtspraak                         

Eerste Kamer verwerpt wet langere naturalisatietermijn

De termijn die buitenlanders moeten afwachten om Nederlander te kunnen worden, blijft vijf jaar. De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel om de termijn te verlengen met een zeer kleine meerderheid verworpen. In de senaat stemden alleen VVD, CDA, PVV en SGP voor.

Mensen moeten vijf jaar in Nederland wonen voordat ze kunnen worden genaturaliseerd. Het kabinet wilde daar zeven jaar van maken. Het idee daarachter was dat mensen dan beter geïntegreerd zouden zijn op het moment dat ze Nederlander worden.

50Plus

De Tweede Kamer ging vorig jaar met een grote meerderheid met het voorstel akkoord, maar de Eerste Kamer was veel minder enthousiast.

Vorige week werd al duidelijk dat regeringspartij PvdA in de senaat de aanpassing niet zou steunen.

Uiteindelijk gaf de tegenstem van 50Plus de doorslag. 50Plus-senator Nagel hekelde vooral een ander onderdeel van de wet. Daardoor zouden buitenlandse partners van Nederlanders in het buitenland eerst drie jaar in Nederland moeten wonen voordat ze kunnen worden genaturaliseerd. Nagel zei dat hij honderden protesten uit het buitenland heeft gekregen en dat die niet kunnen worden genegeerd.

Bron: nos                                         

Europees fonds voor proefprocessen in de maak

Burgers, journalisten of maatschappelijke organisaties die opkomen voor grondrechten kunnen in de toekomst wellicht steun krijgen van een Europees fonds voor proefprocessen. Het Europees Parlement stemde woensdag in met een voorstel daartoe van Sophie in ’t Veld (D66).
Voor proefprocessen buiten de EU en op nationaal niveau (in Nederland het Clara Wichmann-fonds) bestaan al fondsen. Een Europees fonds mag gezien de hoge kosten van een rechtszaak niet ontbreken, aldus In ’t Veld. „Het is hoog tijd dat Europeanen zelf actief hun rechten kunnen afdwingen, zoals in de Verenigde Staten al gebruikelijk is. Denk bijvoorbeeld aan proefprocessen over gelijke behandeling van regenboogfamilies, Eurowob-zaken, gelijk pensioen voor vrouwen, of persvrijheid.”

Volgens de politica kan een gewonnen zaak jurisprudentie afdwingen die van grote betekenis is in heel Europa. De lidstaten moeten nog instemmen met het voorstel. Doel is om in de EU-begroting van volgend jaar geld voor het fonds vrij te maken.

Bron telegraaf

Doolhof van huurregels

De wereld van studentenhuisvesting is flink veranderd sinds de Wet Doorstroming Huurmarkt vorig jaar in werking trad. Nu kan een huisbaas zijn huurder na vijf jaar zonder pardon op straat zetten.

Eerder konden afgehaakte of afgestudeerde studenten soms nog vele jaren hun studentenkamer bezet houden. Door de nieuwe wet moet meer woonruimte voor jonge huurders op de markt komen.

Tijdelijk huurcontract

Op grond van de Wet Doorstroming Huurmarkt kan voor kamers een tijdelijke huur voor maximaal vijf jaar worden afgesproken. Korter kan dus ook. Bij zelfstandige woonruimte (een woning met ten minste een keuken en wc) mag een tijdelijk contract hooguit twee jaar duren.
Bij het aflopen van het contract hoeft de verhuurder geen vervangende woonruimte aan te bieden.

De belangen van de tijdelijke huurder zijn niet helemaal vergeten. De huurder mag bij een tijdelijk contract tussentijds opzeggen bij elke betalingstermijn. De verhuurder mag daarentegen niet tussentijds opzeggen. Bovendien moet de verhuurder niet vergeten uiterlijk een maand tevoren te melden dat de huurovereenkomst afloopt. Zo nee, dan verandert de overeenkomst automatisch in een gewone huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met het hele pakket aan huurbescherming.

Contract onbepaalde tijd

Voorheen liep een huurbaas kans om tot in de eeuwigheid aan een ex-student vast te zitten, bij gebrek aan mogelijkheden om het contract te beëindigden. Dat geldt nog steeds voor standaardhuurcontracten die vóór 1 juli 2016 zijn afgesloten. Die huurders genieten volledige huurbescherming. Beëindiging van het contract is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen, zoals wanbetaling of wanneer de verhuurder de woning zelf wil betrekken – ’dringend eigen gebruik’.

Dringend eigen gebruik

Voortaan kan een woning door de verhuurder na vijf jaar worden opgezegd ten behoeve van een nieuwe jongere. Daarbij gaat het om personen tussen 18 en maximaal 27 jaar oud. In de huurovereenkomst moet dan wel staan dat de woning bestemd is voor huisvesting van jongeren en dat deze woning na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan jongeren zal worden verhuurd.

Campuscontract

Een huurvorm die al langer bestaat is het campuscontract. Dat is specifiek bedoeld voor woningen en kamers voor studenten. De verhuurder van dergelijke woningen, vaak een woningcorporatie, controleert periodiek of de student nog studeert. Zo nee, dan moet hij eruit. Meestal krijgt hij daarvoor drie maanden tot een jaar de tijd. Verder geniet de huurder de gewone huurbescherming.

Onderhuur

Bij onderhuur is sprake van het huren van een huurder. Voor onderhuur is toestemming nodig van de hoofdverhuurder, meestal dus de eigenaar van het pand. In geval van illegale onderhuur maakt het verschil of het om een zelfstandige of onzelfstandige woning gaat.

Bij beëindiging van de hoofdhuuroveereenkomst mag de illegale onderhuurder van een zelfstandige woning blijven zitten. Wel kan de hoofdverhuurder binnen zes maanden naar de rechter stappen en beëindiging van de huur vragen. Gaat het om een onzelfstandige woning, dan heeft de onderhuurder geen recht om in de woning te blijven.

Tussenhuur

Met tussenhuur wordt bedoeld het huren van woonruimte van iemand die tijdelijk elders moet zijn. Bijvoorbeeld een medestudent die een jaar in het buitenland studeert. In het contract wordt dan opgenomen dat de huurder na de overeengekomen periode het pand moet verlaten. Dat kan de verhuurder desnoods bij de rechter afdwingen.

Studentenhotels

Wie genoeg geld heeft of echt niet anders kan, zoals buitenlandse studenten, kan zijn toevlucht nemen tot een duur ’studentenhotel’ zoals het Amsterdamse Casa400. Deze woonvorm geldt niet als huur en de bewoners genieten dan ook geen huurbescherming.

Hospitakamer

Wie een zolderkamertje huurt bij particulieren thuis, kan in het begin beter geen herrie maken of vreemde mensen in huis halen. Er geldt een proefperiode van negen maanden. Binnen die termijn kan de hospita de nieuwe huisgenoot zonder opgave van reden op straat zetten. Wel geldt een opzegtermijn van drie maanden. Na negen maanden geldt de gewone huurbescherming.

Borgsom

De verhuurder kan vragen om een borgsom bij het aangaan van het huurcontract. De borgsom is in gerechtelijke uitspraken gelimiteerd tot maximaal drie maanden kale huur. De huurder doet er verstandig aan goed te laten vastleggen in welke staat de woonruimte in ontvangst is genomen. Als bij aanvang van de huur geen beschrijving is gemaakt van de aangetroffen schade aan het gehuurde, dan wordt verondersteld dat de woonruimte in onbeschadigde staat is opgeleverd.

Bron de telegraaf

Is een niet-erkend kind erfgenaam?

Een vader die een kind kreeg, maar deze door omstandigheden niet heeft erkend, blijft de natuurlijk vader van het kind. De wet bepaald nu eenmaal wie een kind is, ongeacht erkenning.

De wet bepaald echter ook in Artikel 199 Burgerlijk Wetboek Boek 1 dat, voorzover het niet in een huwelijk of geregistreerd partnerschap is geboren, de vader van kind alleen diegene is die het ook heeft erkend.

Een kind dat wel is erkend heeft een andere positie dan een niet erkend kind. Onder andere erft dat kind van de vader. Indien de vader overlijdt, en er geen testament is, is het wettelijk erfrecht van toepassing. Dit houdt dit in dat de gehuwde partner de wettige kinderen erfgenamen zijn.

Een vader en een niet- erkend kind kunnen van elkaars bestaan niet afweten. Weten zij wel van elkaars bestaan dan is het nuttig om hun rechtspositie te kennen bij overlijden van de vader. Een biologische kind, buiten een huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren, en niet erkend door de vader, zou dan ook mede-erfgenaam kunnen zijn. Het kind erft voort een gelijk deel, als ware het een wel erkend kind.

Voorwaarde daarvoor is de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, hetgeen tegenwoordig bewijs middels een DNA test vraagt. Als de vader het kind kent, maar door omstandigheden toch niet wenst dat dit natuurlijk kind ook mede-erfgenaam wordt dan kan de vader een testament maken. Het kind kan weliswaar niet geheel worden onterfd en het kind heeft, na vaststelling, altijd recht op tenminste de legitieme portie. Dit is het deel dat volgens de wet aan onterfde kinderen toekomt. De legitieme portie bedraagt de helft van de waarde van het deel van de erfenis waar een kind volgens het wettelijk erfrecht recht op zou hebben, vermeerderd met de waarde van bepaalde door de erflater gedane giften.

De wet bepaalt echter ook dat de legitieme portie binnen vijf jaar na overlijden van de vader moet worden opgeëist. Het maakt daarbij niet uit of het kind wel of niet op de hoogte was van persoon van de vader of zijn overlijden. De termijn gaat dus altijd lopen en eindigd na 5 jaren. bna het overlijden. Een kind dat de vader dus niet kent, of geen kennis draagt van zijn overlijden, loopt de boot dus mis.

Naast redenen van persoonlijke aard is het dus ook om die reden nuttig om onderzoek naar het vaderschap te doen, en tijdig de gerechtelijke vaststelling te vragen en een beroep te doen op een kindsdeel of de legitieme portie.

Voor meer informatie kunt u een vraag stellen of bellen met 0900-0600.

Geen lagere WOZ-waarde door aardbevingsschade

Het risico op aardbevingsschade is geen reden om de WOZ-waarde van een woning te verlagen als die waarde gebaseerd is op verkochte woningen waarbij het risico bekend was, oordeelt de Rechtbank Noord-Nederland.

De eigenaar van een vrijstaande woning in het Groningse aardbevingsgebied vond dat zijn huis in aanmerking kwam voor een verlaging van de WOZ-waarde, de Waardering Onroerende Zaken waarop onder meer het eigenwoningforfait en de gemeentelijke onroerendezaakbelasting (OZB) is gebaseerd.

Het huis liep aardbevingsschade op ter waarde van €5843, de schade is inmiddels hersteld. Door het risico op aardbevingsschade zou de WOZ-waarde €145.000 moeten bedragen in plaats van de door de gemeente vastgestelde €168.000, meende de eigenaar.

De rechter vindt echter dat de gemeente het risico op schade door aardbevingen al heeft meegenomen in de WOZ-waarde, omdat de onderbouwing van de waarde bestaat uit woningen die zijn verkocht toen het aardbevingsrisico al bekend was. Of deze verkochte woningen ook aardbevingsschade hadden, doet er volgens de rechtbank niet toe.

Bron: de Telegraaf                                

Beroepstermijn verstrijkt nooit later dan drie kalendermaanden na uitspraak

De regel dat hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden “te rekenen van de dag van de uitspraak” houdt in dat de termijn drie maanden later eindigt op (het einde van) de dag met hetzelfde nummer als de dag van de uitspraak.

Alleen als de maand waarin de termijn afloopt, niet een dag met hetzelfde nummer kent omdat zij korter is, eindigt de termijn op (het einde van) de laatste dag van die maand.

Een creatieve cassatieklacht over een van de meest basale procesrechtelijke onderwerpen vond gehoor bij de A-G, maar niet bij de Hoge Raad.

De termijn voor hoger beroep of cassatieberoep in bodemprocedures is drie maanden (als we even geen rekening houden met eventuele verlenging op grond van de Algemene Termijnenwet). Dat lijkt gemakkelijk: in de praktijk berekent iedereen de uiterste datum waarop beroep moet worden ingesteld als: drie kalendermaanden later, op de dag van de maand met hetzelfde nummer als de dag van de uitspraak. Dus vonnis op 10 mei → beroep instellen uiterlijk op 10 augustus.

Maar dat werkt niet altijd: als vonnis wordt gewezen op 31 maart, zal het niet lukken om op 31 juni beroep in te stellen. Is de laatste dag van de termijn dan 30 juni, of 1 juli? De tekst van de wet helpt hier niet: daarin staat dat beroep moet worden ingesteld “binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak” (zie art 358
, 402, 426 en bijna hetzelfde in 339 Rv). Daar komen we nog niet veel verder mee: “Te rekenen van” zou kunnen worden begrepen als “op” of “na”, en dat leidt tot verschillende uitkomsten. Nu heeft de Hoge Raad in 1919 (NJ 1920, p. 82) geoordeeld dat “te rekenen van” betekent: “na”. Er begint dus een termijn van drie maanden te lopen op de dag ná het vonnis. In ons voorbeeld: op 1 april. Die termijn duurt drie volle maanden, en eindigt dus (als we ‘drie maanden’ hier naar normaal spraakgebruik uitleggen) op 30 juni 2017 om 24:00 uur. Het beroep kan dus uiterlijk worden ingesteld op 30 juni, zoals ook kan worden afgeleid uit een arrest van de Hoge Raad uit 2004.

In deze zaak was de spiegelbeeldige situatie aan de orde, in die zin dat de uitspraak was gewezen op de laatste dag van een maand die korter was dan de maand ‘drie maanden later’: de rechtbank had haar beschikking gegeven op 29 februari 2016, en hoger beroep was ingesteld op 31 mei 2016. Dat was volgens het hof te laat: hoger beroep had uiterlijk op 29 mei 2016 moeten worden ingesteld. In cassatie doet de appellant een beroep op de rekenmethode die ik hiervóór beschreef: de termijn begon de dag na de beschikking, dus op 1 maart 2016. De driemaandentermijn zou dan eindigen op 31 mei 2016 om 24:00 uur. Met die redenering zou het hoger beroep dus nog tijdig ingesteld zijn geweest.

Maar daar gaat de Hoge Raad, anders dan A-G Wesseling-van Gent, niet in mee:

“3.4.3 […] Met de hiervoor in 3.4.1 vermelde regel dat het daar bedoelde rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden na de dag waarop de uitspraak is gedaan, is slechts beoogd tot uitdrukking te brengen dat de dag van de uitspraak zelf niet meetelt, met als gevolg dat de driemaandentermijn pas afloopt aan het einde van de daarmee overeenstemmende dag drie maanden later (en niet al is verstreken aan het begin van die dag).

De laatste dag van de hier bedoelde termijn is dan ook niet later gelegen dan drie maanden na de dag van de uitspraak zelf. Indien de uitspraak is gedaan (in een gewoon jaar) op 28 februari (of in een schrikkeljaar op 29 februari), 30 april of 30 september, verstrijkt de termijn dus aan het einde van 28 of 29 mei, 30 juli, respectievelijk 30 december, een en ander afgezien van de werking van de Algemene termijnenwet. Aldus staan voor het aanwenden van het rechtsmiddel steeds drie volle kalendermaanden ter beschikking.

3.4.4 De hiervoor in 3.4.3 vermelde regel stemt overeen met hetgeen in de praktijk algemeen tot richtsnoer wordt genomen en is voor de praktijk ook beter hanteerbaar dan die welke het middel verdedigt. Bij vorenstaande regel eindigt de termijn immers in beginsel steeds drie maanden later op (het einde van) de dag met hetzelfde nummer als de dag van de uitspraak. De enige uitzondering hierop is het geval dat de maand waarin de termijn afloopt, niet een dag met hetzelfde nummer kent omdat zij korter is, in welk geval de termijn eindigt op (het einde van) de laatste dag van die maand (vgl. HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1315, NJ 2004/424).”

De keus van de wetgever om de beroepstermijn in bodemzaken in ‘maanden’ te definiëren (en niet in weken), betekent wel dat aangezien de maanden van het jaar niet even lang zijn, ook appeltermijnen niet altijd even lang zijn: het eind van de beroepstermijn valt bij vonnissen van 30 maart op dezelfde dag als bij vonnissen van 31 maart. Hetzelfde geldt voor vonnissen gewezen op 28, 29 of 30 november: daartegen moet uiterlijk op 28 februari beroep worden ingesteld. Voor vonnissen die op 29 of 30 november voorafgaand aan een schrikkeljaar zijn gewezen, wordt het 29 februari. De lengte van een beroepstermijn kan dus, uitgedrukt in dagen, variëren. Los van verlenging door de Algemene Termijnenwet betekent ‘drie maanden’: tussen de 89-92 dagen (of 90-92 in een schrikkeljaar), zo kan men eenvoudig narekenen. (Voor Excel-fans: bereken maar eens een termijn met de functie ‘ZELFDE.DAG()’, die dezelfde dag van een maand een x aantal maanden later weergeeft. Die functie past precies de regel uit deze beschikking van de Hoge Raad toe.)

Bron: Cassatieblog