Nieuwsblog Advocaten.nl

Zelfstandigen en schuldhulp

Wat te doen als je als zelfstandige met je onderneming in zwaar weer terechtkomt en de schulden je zelfs boven het hoofd groeien ? Kan je dan aanspraak maken op een vorm van hulpverlening ? Op grond van de individuele omstandigheden kan wel de toegang tot de schuldhulp worden geweigerd, maar het enkele feit dat sprake is van een onderneming is onvoldoende om geen schuldhulpverlening aan te bieden. Gemeenten vinden soms dat zij ondernemers niet hoeven toe te laten tot schuldhulpverlening omdat het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) passend en toereikend is. Het Bbz 2004 is een bijzondere bijstandsregeling voor startende en gevestigde zelfstandigen bedoeld als tijdelijk sociaal vangnet.

Toets van levensvatbaarheid

Als een zelfstandige met schulden bij de gemeente voor hulp aanklopt, stelt de gemeente in het kader van het Bbz eerst vast of die schulden de continuïteit van het bedrijf bedreigen en of het bedrijf nog levensvatbaar is. Als het bedrijf levensvatbaar is, maar door schulden in de problemen is gekomen, kan de gemeente de Bbz-regeling inzetten, bijvoorbeeld door een lening voor herfinanciering te verstrekken. Kern van de regeling is dat het bedrijf van de gevestigde zelfstandige of het op te starten bedrijf levensvatbaar moet zijn. Als het inzetten van het Bbz niet tot de mogelijkheden behoort, komt de schuldhulpverlening door de gemeente in beeld. Dan bestaan verschillende vormen van dienstverlening, opdat de zelfstandige op termijn zijn financiën weer verantwoord zelf ter hand kan nemen, bijvoorbeeld stabilisatie, budgetadvies/-beheer of het treffen van een schuldregeling met schuldeisers. Als het gaat om het treffen van een schuldregeling mag van de schuldenaar worden verwacht dat hij geen nieuwe schulden maakt en dat hij een (in zekere mate) stabiel inkomen heeft waarmee hij een deel van zijn schulden kan aflossen. Voor mensen met een onderneming kan het lastig zijn aan deze voorwaarden te voldoen.

Cijfers stoppende zelfstandigen en schuldhulp aan ondernemers

De Staatssecretaris heeft geen cijfers beschikbaar omtrent het aantal (voormalige) zelfstandigen dat – om aanspraak te maken op gemeentelijke schuldhulpverlening – is gedwongen te stoppen met zijn of haar bedrijf, en welk deel van hen vervolgens aan de slag kon gaan als werknemer in loondienst. Deze gegevens worden voor de gemeentelijke schuldhulp niet op landelijk niveau geregistreerd. Binnen de wettelijke schuldsaneringsprocedure (het mogelijke vervolgtraject bij de rechtbank) vindt wel registratie plaats van het aantal (ex-) ondernemers. In gemiddeld 20% van de schuldsaneringsprocedures gaat het om een (ex-) ondernemer (circa 1600 gevallen). Het overgrote merendeel hiervan moest de onderneming beëindigen en is als werknemer in loondienst aan de slag gegaan. De mediane schuldenlast bij (ex)ondernemers in 2016 bedroeg: € 97.783.

Gedwongen stopzetting onderneming en arbeidsparticipatie

De gemeentelijke schuldhulpverlening is erop gericht om samen met de schuldenaar een oplossing te vinden, via gezamenlijke inspanningen om de (arbeids)participatie van de schuldenaar te behouden of te verhogen. Iemand verplichten om een onderneming, indien deze rendeert, stop te zetten, staat hier haaks op. Sommige ondernemingen vragen echter om voortdurende investeringen. Het tegelijk maken van schulden, in de vorm van investeringen in het bedrijf, staat op gespannen voet met de belangen van de schuldeisers, die later in een schuldsanering mogelijk een (aanzienlijk) deel van hun vordering zien kwijtgescholden. Als het de aard van de onderneming / de conjunctuur in de branche is (of de schuldenaar als leidinggevende !) die de oorzaak is van de problematische schuldensituatie, dan is een voortzetting ook een continuering van het ontstaan van (meer) schulden. In die situatie kan het redelijk zijn dat de schuldhulp stopzetting van de bedrijfsactiviteiten verlangt, indien de onderneming niet rendeert. Ook budgetcoaching is een vorm van schuldhulp. Het Bbz biedt voor een deel van de zelfstandigen – bij levensvatbaarheid van de onderneming – dus een passende oplossing. Een ander deel zal meer geholpen zijn met de reguliere dienstverlening in de schuldhulpverlening. Het is in de ogen van de Staatssecretaris aan de gemeenten om hierin een beslissing te nemen.

Bron: Actuele Artikelen                    

Volledig cursusgeld verschuldigd bij annulering?

Bij de beoordeling van de vraag of een annuleringsbeding in een overeenkomst van opdracht onredelijk bezwarend is, kan – ook wanneer dit artikel niet rechtstreeks van toepassing is – aansluiting worden gezocht bij art. 7:411 BW.

De onderhavige zaak draaide om een geschil tussen een aanbieder van een particuliere Mbo-opleiding en een na drie maanden gestopte cursist. In de tussen de opleiding en de cursist gesloten cursusovereenkomst was een regeling neergelegd die de cursist verplichtte om, ook bij vroegtijdige beëindiging van de cursus, het volledige bedrag aan cursusgeld te betalen.

In 2014 oordeelde het gerechtshof Den Haag dat deze annuleringsregeling binnen de werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten viel, als onredelijk bezwarend moest worden aangemerkt (art. 6:233(a) BW), en daarmee oneerlijk was in de zin van de Richtlijn. Daarbij ging het hof uit van het oordeel van de kantonrechter (nu daartegen niet was gegriefd) dat de betreffende overeenkomst kon worden beschouwd als overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 BW, en dat daarom voor de gevolgen van de opzegging aansluiting diende te worden gezocht bij art. 7:411 BW. Laatstgenoemd artikel bepaalt kort gezegd op welk loon een opdrachtnemer recht heeft in gevallen waarin een overeenkomst eindigt voordat een opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken.

In cassatie keert de aanbieder van de Mbo-opleiding zich tegen dit oordeel. Gewezen wordt op het feit dat voor toepassing van art. 7:411 BW vereist is dat de verschuldigdheid van loon – in dit geval cursusgeld – afhankelijk is van de volbrenging van een opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend. In het onderliggende geval zou daarvan geen sprake zijn, omdat de cursist had moeten begrijpen dat bij de enkele aanmelding voor de opleiding de verplichting ontstond om – ook bij vroegtijdige beëindiging van de cursus – het volledige cursusgeld te betalen. De Hoge Raad wijst deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag af. Het hof oordeelde immers niet dat art. 7:411 BW rechtstreeks van toepassing was, maar zocht bij dit artikel slechts aansluiting. Daarmee gaf het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting:

“3.3.3. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag dat het hof niet heeft geoordeeld dat art. 7:411 BW (rechtstreeks) toepasselijk is. Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of het annuleringsbeding ten nadele van de consument een “aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, aansluiting gezocht bij deze wetsbepaling en is vervolgens tot het oordeel gekomen dat het annuleringsbeding in de verhouding tussen [verweerder] en Tio onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW. Nu het hof de tussen partijen gesloten overeenkomst als een overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 lid 1 BW heeft aangemerkt, hetgeen in cassatie terecht niet wordt bestreden, en [verweerder] als opdrachtgever ingevolge art. 7:413 lid 2 BW in verbinding met art. 7:408 lid 3 BW het recht had de overeenkomst op te zeggen, geeft het oordeel van het hof om aansluiting te zoeken bij art. 7:411 BW geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. In zoverre faalt de klacht dus.”

Blijkens de conclusie van Advocaat-generaal Wissink (§ 2.8) is er in de feitenrechtspraak discussie (geweest) over de vraag of overeenkomsten als die in deze zaak als overeenkomst van opdracht kunnen worden aangemerkt. Nu de Hoge Raad overweegt dat partijen terecht niet het oordeel van het hof hebben bestreden dat de tussen hen gesloten overeenkomst als een overeenkomst van opdracht moet worden aangemerkt, is dat voor overeenkomsten als hier aan de orde kennelijk het geval.

Bron: Cassatieblog                                           

Het regeerakkoord en de mogelijke arbeidsrechtelijke gevolgen

In het regeerakkoord worden op arbeidsrechtelijk gebied een aantal maatregelen voorgesteld. Een aantal hiervan treft u hieronder aan. De maximale ketenlengte van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur wordt weer 3 in plaats van 2 jaar. De ketenregeling zal niet meer van toepassing zijn op invalkrachten in het (primair) onderwijs indien deze een docent wegens ziekte vervangen. Daarnaast kan de periode van 6 maanden, die tussen arbeidsovereenkomsten moet zijn gelegen om geen onderdeel van de keten te zijn, verkort worden in het geval dat het terugkerende tijdelijke werkzaamheden betreft, mits deze maximaal voor de duur van 9 maanden worden uitgevoerd

De proeftijd voor tijdelijke contracten langer dan 2 jaar, wordt 3 maanden. In geval van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bedraagt deze maximaal 5 maanden.

Nu is het zo dat een werknemer pas na een arbeidsovereenkomst van 2 jaar of langer aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Het is de bedoeling dat deze aanspraak direct vanaf het moment van aanvang van de arbeidsovereenkomst ontstaat. De wijze van berekening wijzigt eveneens en dat is dat wordt berekend uitgaande van 1/3 maandsalaris per dienstjaar. Daarbij geldt dat kosten van scholing, die gericht zijn op (interne) herplaatsing daarop in mindering mogen worden gebracht. De overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers, zijnde werkgevers met minder dan 25 werknemers die voldoen aan de door het UWV gestelde vereisten om daarvoor in aanmerking te komen, blijft gelden en het is de bedoeling dat de vereisten om daarvoor in aanmerking te komen worden versoepeld. Voorts wil men dat werkgevers worden gecompenseerd voor transitievergoedingen, die men in het kader van een bedrijfsbeëindiging of na 2 jaar ziekte van een werknemer zijn verschuldigd.

Voor dergelijke kleine werkgevers wordt de loon(door)betalingsverplichting bij ziekte verkorte van 2 naar 1 jaar. Het UWV zal de loonkosten, evenals bepaalde re-integratieverplichtingen, het 2e jaar overnemen. Hiermee wordt voor de werkgever het risico van een loonsanctie ter zake het zogeheten 2e spoor traject voorkomen. Verder wil men de mogelijkheid scheppen om aangaande de re-integratie vooraf een oordeel te vragen over de route die men ter zake wil inzetten.

Het moet (weer) mogelijk worden om meerdere ontslaggronden dan 1 aan te voeren, waarbij de rechter, naast de transitievergoeding, een extra vergoeding kan toekennen ter hoogte van maximaal 50% van de transitievergoeding.

Voornoemde maatregelen zijn voor werkgevers niet ongunstig. Wel is het natuurlijk de vraag wat er uiteindelijk daadwerkelijk door zal gaan. Het arbeidsrecht blijft in ieder geval in beweging.

Bron: Actuele Artikelen                                                  

Partneralimentatie afkopen

In het geval van een echtscheiding, zal er gekeken worden of er sprake is van een onderhoudsverplichting van de ene echtgenoot ten opzichte van de andere. Afhankelijk van de omstandigheden kan er sprake zijn van behoefte aan een bijdrage in zijn/haar levensonderhoud bij een van de partners en, indien de andere partner over voldoende draagkracht beschikt, zal een bedrag aan partneralimentatie vastgesteld worden. De wettelijke termijn waarover partneralimentatie dient te worden betaald, is tot op heden nog gelijk aan de duur van het huwelijk – voor zover dit niet langer dan 5 jaar heeft geduurd en kinderloos is gebleven – en in alle andere situaties bedraagt deze 12 jaar. Uiteraard is het wel mogelijk in onderling overleg daar andere afspraken over te maken

De vastgestelde/overeengekomen partneralimentatie wordt vervolgens veelal maandelijks bij vooruitbetaling betaald. Er zijn ook situaties denkbaar dat het niet wenselijk is om een langere periode iedere maand een bepaald bedrag aan de ander te betalen. Het is dan ook mogelijk om in onderling overleg overeen te komen dat de partneralimentatie wordt afgekocht. Een rechter kan dit overigens niet opleggen. Er wordt dan een afkoopsom in één keer betaald, waarmee partijen elkaar finale kwijting ten aanzien van de partneralimentatie verlenen. Voor kinderalimentatie is dit niet mogelijk.

Het voordeel van het afkopen van partneralimentatie zit met name in het feit dat partijen financieel onafhankelijk van elkaar zijn na de scheiding en er geen maandelijkse confrontatie meer is of kosten voor nieuwe procedures in verband met wijzigingen van de alimentatie in de toekomst, als gevolg van wijziging van omstandigheden in bijvoorbeeld inkomen.
De ontvangende partij ontvangt een groot bedrag in één keer dat zij/hij normaliter over meerdere jaren zou ontvangen.

Aan de andere kant kleven er ook nadelen aan afkoop van partneralimentatie. Ten eerste zal een groot bedrag in één keer opgehoest moeten worden en de mogelijkheid bestaat dat er onterecht geld betaald is, bijvoorbeeld in het geval de ontvanger na korte tijd al gaat samenleven met een nieuwe partner, zodat normaliter het recht op partneralimentatie zou zijn komen te vervallen. Ook andere situaties zijn denkbaar, zoals het verlies/verminderen van inkomen aan de zijde van de betalende partij, waardoor er door de afkoop achteraf gezien teveel is betaald.

Deze voor- en nadelen zullen op een rij gezet moeten worden en allemaal verdisconteerd moeten worden in de berekening van de afkoopsom. Tot slot kleven er nog de nodige fiscale aspecten aan het afkopen van partneralimentatie. Immers is de afkoopsom voor de betalende partij aftrekbaar en voor de ontvanger belast. Kortom: denkt u over het afkopen van de partneralimentatie dan is het verstandig u hierover goed te laten informeren: zowel juridisch als fiscaal!

Bron: Actuele Artikelen                         

Beslag leggen op een bankrekening

Een crediteur met een vordering die verhaal wil nemen kan daarvoor beslag leggen op alle goederen van de debiteur. Een leverancier die een vordering heeft op een klant of een afnemer die verhaal wil nemen zal echter eerst een vonnis moeten vragen

Een procedure duurt echter een of meer maanden. Binnen die tijd kan de debiteur of de mogelijkheid van verhaal zijn verdwenen.

Conservatoir beslag op een bankrekening

Nog voordat een procedure wordt gestart kan ook al beslag worden gelegd op het vermogen van de crediteur, door middel van een zogenaamde conservatoire (of bewarende) beslag. Dit beslag zorgt er voor dat alles wat onder dit beslag valt wordt bevroren tot de rechter heeft beslist over de vordering. Het beslag kan worden gelegd op het gehele vermogen van de schuldenaar, zoals het huis, de auto maar ook op een bankrekening.

Verlof vragen

Voor dit beslag dient via een advocaat verlof aan de voorzieningenrechter worden gevraagd. De advocaat dient toestemming te krijgen tot het leggen van beslag. Dit kan binnen een of enkele dagen zijn “geregeld”. Nadat het verlof is verkregen kan de deurwaarder op dezelfde dag of de dag erna beslag leggen op de bankrekening van de debiteur. Dit doet de deurwaarder bij het (hoofd)kantoor van de betreffende bank. Na het beslag moet binnen 14 dagen de procedure worden gestart, zo niet dan vervalt dit beslag weer.

Doeltreffend middel

Beslag leggen op een bankrekening is een doeltreffend middel, omdat de debiteur geen waarschuwing krijgt voordat er beslag wordt gelegd. Het beslag zorgt ervoor dat de debiteur niet meer kan beschikken over het gehele saldo en is dus een effectief drukmiddel om betaling af te dwingen.

Voor meer informatie over deze beslagmaatregel belt u met 0900-advocaten,  of vul een incasso formulier in op de website. Advocaten.nl regelt voor u een bankbeslag binnen 48 uur!
▲ 

Dit verandert per 1 januari 2018

Huwelijkse voorwaarden, kinderopvangtoeslag en de hypotheek: dit is er allemaal veranderd per 1 januari 2018

Een nieuw jaar brengt nieuwe wetten en regels met zich mee. We hebben de belangrijkste veranderingen die vandaag ingaan, op een rij gezet. Bron: De Volkskrant

– De AOW-leeftijd gaat met 3 maanden omhoog, naar 66 jaar.

– De zorgtoeslag stijgt, maar het eigen risico blijft gelijk.

– Golddiggers en ondernemers opgelet: de huwelijkse voorwaarden veranderen. Na bijna twee eeuwen komt er een einde aan het automatisme van trouwen ‘in algemene gemeenschap van goederen’: iedere partner behoudt zijn privévermogen. Hier lees je hoe dat precies zit.

– Het minimumloon gaat gelden bij betaling op basis van stukloon. Het minimumloon gaat van 72,25 euro naar 72,83 euro per dag.

– De maximale hypotheek gaat omlaag: van 101 naar 100 procent van de woningwaarde. Er mag niet meer geleend worden dan het huis waard is.

– De financiële vergoeding bij ontslag gaat omhoog: van 77.000 naar 79.000 euro.

– De Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) zijn vanaf nu verplicht om een apart potje te maken voor het onderhoud aan het gebouw.

– Als hun kind naar de peuterspeelzaal gaat, krijgen ouders vanaf nu ook
kinderopvangtoeslag.

– De eisen voor de kwaliteit van de kinderopvang worden strenger.

– Vanaf nu kunnen zedendelinquenten en daders van zware geweldsmisdrijven langer onder intensief toezicht blijven.

– De kinderrechter mag beslissen over het contact of omgang van kinderen met de ouder die zijn partner heeft gedood.

– Organisaties in vitale sectoren moeten digitale inbraken en storingen melden bij het Nationaal Cyber Security Centrum.

– Nederland is voor een jaar lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

– Vier Nederlandse F-16’s gaan vanaf een basis in Jordanië in Irak en Oost-Syrië weer doelen van terreurgroep IS bombarderen.

– De landbouwregeling geldt niet meer. Dit was een fiscale regel die landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers de mogelijkheid gaf geen btw in rekening te hoeven brengen en geen btw-administratie bij te hoeven houden, om zo de administratieve lasten te verlagen.

– Glastuinbouwbedrijven moeten vanaf nu hun gewasbeschermingsmiddelen uit het afvalwater zuiveren.

– Ondernemers kunnen eenvoudiger premiekorting krijgen als ze werklozen, ouderen en/of arbeidsgehandicapten in dienst nemen.

– Voor kleine vissersboten (kleiner dan 12 meter) wordt de elektronische vangstregistratie ook verplicht.

– Voor usb-sticks en wearables moet een thuiskopievergoeding worden betaald. Dat geldt niet meer voor blanco cd’s en dvd’s.

– Vuile tweetaktbrommers en scooters gaan uit de verkoop. Alle nieuwe brommers en scooters moeten voldoen aan de Euro4-emissienorm.

– De bouwvoorschriften voor woonboten veranderen. Er gaan onder meer andere eisen gelden voor constructie, brandveiligheid en energieverbruik.

– Openbare en bijzondere scholen kunnen vanaf nu gemakkelijker samengaan. Vooral in krimpgebieden is dit steeds vaker noodzakelijk. In deze reportage van Jurre van den Berg lees je hoe dat ging in het Drentse Veenhuizen.

Bron: De Volkskrant

Executie van een vonnis in het buitenland

Toepasselijkheid van de EEX-verordening

De vernieuwde EEX-verordening 1215/2012) is in 2015 in werking getreden. De verordening regelt binnen de Europese Unie de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in grensoverschrijdende rechtszaken. In veel gevallen is er geen verlof (exequatur) meer nodig voor tenuitvoerlegging van een vonnis dat door een rechter in een andere lidstaat is gegeven.

Voorwaarden voor toepassing

De nieuwe Europese EEX-verordening is van toepassing indien het volgende van toepassing is:

  • Het vonnis is gewezen na 10 januari 2015
  • Het betreft een burgerlijke of handelszaak zoals incasso gelden (belastingvorderingen, alimentatie, arbitrale vonnissen en faillissementsprocedures zijn uitgezonderd
  • De gedaagde woont binnen de Europese Unie. Gaat het om een onroerende zaak in de Europese Unie dat is de verordening altijd van toepassing, ongeacht de woonplaats van de gedaagde. Door een forumkeuze, waarin een Europese rechter wordt aangewezen, wordt de verordening eveneens van toepassing

Is aan deze voorwaarden voldaan dan gelden de Europese regels voor executie van een vonnis of een ander voor tenuitvoerlegging vatbaar document.

Door de verordening is bepaald dat een vonnis afkomstig uit een lidstaat automatisch wordt erkend door alle lidstaten. De erkende beslissing kan vervolgens in alle lidstaten ten uitvoer worden gelegd zonder dat er een aanvullend verlof nodig is. Een exequatur is dus niet meer nodig en het Europese vonnis kan direct ten uitvoer worden gelegd. Alleen indien een vonnis kennelijke strijdig is met de openbare orde wordt de erkenning van een beslissing op verzoek van een belanghebbende partij geweigerd en kan de beslissing niet ten uitvoer worden gelegd.

Certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken

Een vonnis dat in het buitenland, binnen de Unie, ten uitvoer moet worden gelegd, moet een ‘certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken’ worden verkregen bij de rechtbank. Het certificaat maakt het mogelijkheid om via de bevoegde uitvoeringsautoriteit in de andere lidstaat het vonnis te executeren. Het certificaat kan direct worden verzocht bij dagvaarding of gedurende de procedure om de executie van het vonnis te versnellen.

Voor meer informatie belt u met 0900-advocaten                   

Ruim kwart gescheiden ouders kiest voor co-ouderschap

Van de in 2010 gescheiden ouders koos 27% voor co-ouderschap. De kinderen wonen dan ongeveer net zo vaak bij de vader als bij de moeder. Twee jaar na de

had 80% nog steeds een co-ouderschap, zo blijkt uit het onderzoek Nieuwe families in Nederland, dat de Universiteit Utrecht in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft uitgevoerd.

Ruim 600.000 kinderen onder de 17 jaar woonden in 2015 niet in een gezin met twee eigen ouders. Dat zijn er bijna 200.000 meer dan in 1995. Het CBS verwacht dat die stijgende trend in de toekomst aanhoudt. Ruim de helft van de kinderen die niet bij beide eigen ouders wonen, maakten een scheiding van hun ouders mee. Een toenemend aantal kinderen woont al vanaf de geboorte in een eenoudergezin.

Uit de woongegevens kan niet worden afgeleid waar het kind werkelijk verblijft na een scheiding, omdat iemand maar op één adres kan worden ingeschreven. Uit het onderzoek blijkt dat 27% van de in 2010 gescheiden paren voor co-ouderschap heeft gekozen. De kinderen krijgen dus twee ouderlijke huizen. Bij 70% van de gescheiden paren gingen de kinderen (voornamelijk) bij de moeder wonen, bij 3% werd de vader de hoofdopvoeder. Ouders die kiezen voor co-ouderschap zijn relatief hoogopgeleid en hadden relatief weinig onderlinge conflicten rond de scheiding.

80% van de ouders die na hun scheiding kozen voor een gelijke verdeling van de dagelijkse opvoeding van hun kinderen, heeft ook twee jaar later nog co-ouderschap. In 15% van de gevallen is de woning van de moeder het hoofdverblijf geworden, bij 5% werd de vader de hoofdverzorger.

Hoogopgeleide ouders en ouders die weinig conflicten hadden bij de scheiding handhaven vaker de afgesproken co-ouderschapsregeling. Heel jonge kinderen, of juist oudere kinderen en kinderen met problemen, zijn twee jaar na het begin van een co-ouderschap wat vaker bij moeder of vader gaan wonen. Verder blijkt dat de co-ouderschapsregeling vaker gewijzigd wordt als de vader langer moet reizen naar zijn werk, of met een nieuwe partner gaat samenleven.

Bron: CBS.                        

Van: Sdu OpMaat Personen- en familierecht nieuws.

 

Schorsing concurrentiebeding

Het standpunt van de werknemer dat het concurrentiebeding niet geldig is, omdat niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste, wordt door de kantonrechter Zwolle niet gevolgd. Wel wordt het beding in kort geding gedeeltelijk geschorst.

Het standpunt van de werknemer dat het concurrentiebeding niet geldig is, omdat niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste, wordt door de kantonrechter Zwolle niet gevolgd. Wel wordt het beding in kort geding gedeeltelijk geschorst.

Feiten

Werknemer is in 2008 in dienst getreden bij Prokx Payrolling B.V., een payroll-organisatie die zich grotendeels op de horeca richt. Op 14 december 2010 heeft werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten met Prokx, voor de functie van relatiebeheerder. In deze arbeidsovereenkomst is in artikel 9 een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. In de loop der jaren is werknemer opgeklommen tot hoofd relatiebeheer. In deze functie stuurde hij de afdeling relatiebeheer aan, adviseerde hij de directie, was hij verantwoordelijk voor de ondersteuning en advisering van klantrelaties en was hij lid van het MT.

Begin 2016 heeft de Payroll Select Groep, waarvan PSM deel uitmaakt, de aandelen in Prokx overgenomen en is werknemer hoofd geworden van het accountteam horeca bij PSM. Op 27 maart 2017 heeft werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten met PSM voor de functie van manager P&O. In deze arbeidsovereenkomst, met een aanvangsdatum van 1 januari 2017, is alleen een geheimhoudingsbeding opgenomen. In een apart, door beide partijen ondertekend, document is vastgelegd dat het concurrentiebeding, zoals opgenomen in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst tussen Prokx en werknemer van 14 december 2010, onverminderd van kracht blijft op de arbeidsovereenkomst met PSM. Vanaf 1 mei 2017 heeft werknemer de functie van projectmanager bekleed op de afdeling Interne Controle en Kwaliteit van PSM.

In september 2017 zegt werknemer zijn baan op om in dienst te treden bij JobTimize in de functie van hoofd relatiebeheer. PSM is van mening dat werknemer daarmee het concurrentiebeding overtreedt. Werknemer wendt zich in kort geding tot de kantonrechter en stelt dat geen sprake is van een rechtsgeldig concurrentie- en relatiebeding, nu dit beding niet in de arbeidsovereenkomst van 27 maart 2017 is opgenomen, maar daarnaar slechts verwezen is in de op diezelfde datum gemaakte afspraken, zonder dat de tekst van dat beding is genoemd of aangehecht. Voor zover het concurrentiebeding wel geldig is, verzoekt werknemer dit te schorsen of (meer subsidiair) te matigen.

Beoordeling kantonrechter


Schriftelijkheid

Aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:653 lid 1 BW is niet voldaan wanneer de werknemer zich schriftelijk akkoord verklaart met de inhoud van een niet in schriftelijke vorm bijgevoegd document waarin een concurrentiebeding voorkomt, tenzij de werknemer daarbij uitdrukkelijk verklaart dat hij met het concurrentiebeding instemt. Dat laatste is hier het geval. Partijen zijn op 27 maart 2017 uitdrukkelijk overeengekomen dat het concurrentiebeding onverminderd van kracht blijft.


Overtreding concurrentiebeding

Werknemer stelt dat hij door indiensttreding bij JobTimize het concurrentiebeding niet overtreedt omdat JobTimize geen payrolldiensten aanbiedt. PSM wijst er op dat JobTimize commercieel verbonden is aan Fortium, een vennootschap die zich wel bezig houdt met payrolling en dat JobTimize feitelijk een dienst betreft die Fortium aanbiedt. JobTimize en Fortium hebben dezelfde bestuurder en zijn in hetzelfde pand gevestigd, zodat JobTimize althans Fortium kwalificeert als een bedrijf dat gelijk, gelijksoortig of aanverwant is aan Prokx.
De kantonrechter is van oordeel dat de activiteiten van JobTimize onder het bereik van het concurrentiebeding vallen en het werknemer in beginsel niet is toegestaan bij JobTimize in dienst te treden. Dat de feitelijke activiteiten van JobTimize geen payrolling betreffen doet hier niet aan af, maar speelt wel een rol bij de belangenafweging.


Belangenafweging

Een schorsing van het concurrentiebeding is slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van PSM, werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld.

Naast het evidente belang bij een vrije keuze van arbeid, stelt werknemer dat de overstap ertoe zal leiden dat hij weer met plezier naar zijn werk zal gaan. Zijn functie is na de overname van Prokx door de Payroll Select Groep uitgehold en de nieuwe functie van projectmanager was onvoldoende uitdagend en sloot onvoldoende aan bij zijn kennis en kunde. Bij JobTimize kan hij weer in een kleine, deels nog pionierende onderneming werkzaam zijn en weer een ‘duizendpoot’ met HRM-gerelateerde werkzaamheden worden, daar waar hij bij PSM een klein radertje in een groot geheel is geworden. Verder zal hij bij JobTimize weer lid worden van het MT. Dat werknemer fors meer zal verdienen is niet onderbouwd. Aannemelijk is dat een overstap werknemer minder reistijd oplevert.

PSM heeft in zeer algemene zin betoogd dat de marges in de payrollbranche erg smal zijn en dat werknemer een brede en diepgaande kennis heeft van haar organisatie, klanten en diensten, gehanteerde prijsstellingen en commerciële strategieën, van welke kennis voorkomen moet worden dat deze wegvloeit naar een concurrent. Hoewel dit een te respecteren belang is, lijkt de strikte handhaving van het concurrentiebeding vooral ingegeven door de wens van PSM om Fortium als concurrent uit te schakelen. Hiervoor is een concurrentiebeding niet bedoeld. Aannemelijk is bovendien dat werknemer door zijn functiewijzigingen reeds sinds begin 2016 op grotere afstand van de bedrijfsgevoelige informatie van PSM is komen te staan.

De belangenafweging valt uit in het voordeel van werknemer. Daarbij speelt een rol dat JobTimize slechts indirect met PSM/Prokx concurreert, werknemer onverkort gebonden is aan een relatie- én geheimhoudingsbeding en het beding te ruim geformuleerd is, nu het afgezien van de beperking Nederland geografisch onbeperkt is en een erg lange duur (twee jaar) kent.


Schorsing concurrentiebeding

Het concurrentiebeding wordt gedeeltelijk geschorst, namelijk voor zover het ziet op indiensttreding van werknemer bij JobTimize en alleen ten aanzien van de diensten die JobTimize stelt thans te leveren, zijnde geen payrolling.

Rechtbank Overijssel 21 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4488(datum publicatie 5 december 2017)


Opmerking achteraf

De kantonrechter verwijst ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:653 BW naar het arrest Philips Oostendorp (JAR 2008/113) en HR 3 maart 2017 (JAR 2017/92): aan de bepaling dat een concurrentiebeding schriftelijk moet worden overeengekomen, ligt de gedachte ten grondslag dat in het vereiste van geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen. Anders dan door ondertekening van het document waarin het concurrentiebeding is opgenomen, kan aan het schriftelijkheidsvereiste ook worden voldaan indien het concurrentiebeding is opgenomen in een ander document dan het document dat de werknemer heeft ondertekend, mits (i) het (arbeidsvoorwaarden)reglement met het concurrentiebeding als bijlage bij het ondertekende document is gevoegd en in dit document naar het reglement is verwezen, of (ii) de werknemer in het ondertekende document uitdrukkelijk heeft verklaard met het concurrentiebeding in te stemmen.
Bron:  SDU

Opbouw en verval van vakantie aanspraken tijdens langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid

In een arbeidsvoorwaardenregeling die dateert van vóór 2009 is de bepaling opgenomen dat tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid alleen vakantie wordt opgebouwd over de laatste zes maanden. De werkgever stelt zich anno 2017 op het standpunt dat daarmee voor wat betreft in ieder geval de bovenwettelijke vakantiedagen is afgeweken van de (naar aanleiding van de Europese rechtspraak aangepaste) wettelijke regeling ten aanzien van de vakantieopbouw tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid, zodat de werkneemster uitsluitend over de laatste zes maanden van haar ziekte bovenwettelijke aanspraken heeft verworven. De kantonrechter deelt de visie van de werkgever niet.

Lees verder “Opbouw en verval van vakantie aanspraken tijdens langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid”