Hoe voorkom je als zzp’er dat iedereen je adres en telefoonnummer googlet

Wie een bedrijf begint, kan niet om de Kamer van Koophandel heen. Je bent als ondernemer verplicht om je in te schrijven in het handelsregister. Dat heeft tot gevolg dat je privégegevens makkelijk vindbaar zijn.

De Autoriteit Persoonsgegevens zegt dat de Kamer van Koophandel mogelijk de wet overtreedt door adverteerders inzage te bieden in het handelsregister. De organisaties gaan daarover in gesprek, en dat kan goed nieuws zijn voor ondernemers. Die hebben nu maar weinig middelen om hun privacy te beschermen.

Wie een bedrijf begint, kan niet om de Kamer van Koophandel heen. Je bent als ondernemer verplicht om je in te schrijven in het handelsregister. Dat heeft tot gevolg dat je privégegevens makkelijk vindbaar zijn. Op internet, maar ook in allerlei bestanden die de Kamer van Koophandel aan commerciële partijen doorverkoopt.

Ondernemers krijgen daardoor te maken met een stroom aan post en telefoontjes van energieleveranciers, internetaanbieders en andere bedrijven iets te verkopen hebben.

Vooral voor zzp’ers die vanuit huis werken is de verkoop van data vervelend. Het vestigingsadres van hun bedrijf is in het handelsregister hetzelfde als hun privéadres. Ze krijgen dus thuis te maken met telefoontjes, post en verkoop van deur tot deur.

De privacy van deze ondernemers is er ook niet bij gebaat. Wie via Google op hun bedrijfsnaam zoekt, vindt gemakkelijk hun privéadres. Dat kan tot nare situaties leiden.

De Kamer van Koophandel geeft zelf een aantal tips om je privacy te waarborgen. Zo kun je bij de organisatie de zogenoemde non-mailing indicator inschakelen. Als je dat doet, wordt je adres in ieder geval niet opgenomen in Google Maps en zou je geen last meer moeten hebben van ongewenste post en telefoontjes.

Het helpt ook om in je bedrijfsnaam geen verwijzing te maken naar je eigen naam. Als je Sjaak de Vries heet, denk dan twee keer na voordat je je bedrijf Sjaak de Vries IT Services noemt.

Dreiging

Ook bestaat de mogelijkheid om je privéadres af te schermen. Dan moet je wel aan strikte voorwaarden voldoen: er moet sprake zijn van een waarschijnlijke dreiging, je privéadres moet niet te achterhalen zijn via een andere inschrijving in het handelsregister, je telefoonnummer is niet openbaar en je adres heeft in de gemeentelijke basisadministratie het label ‘geheim’.

Deze ambtelijke molen is trouwens zinloos als je vanuit huis werkt, waarschuwt de Kamer van Koophandel:
“Als uw privé- en vestigingsadres gelijk zijn, heeft het weinig nut om uw privéadres af te schermen. Uw vestigingsadres blijft namelijk zichtbaar en is gemakkelijk te achterhalen als uw privéadres. De enige optie die u dan hebt is om uw bedrijf op een ander zakelijk adres te registreren en daarna uw privéadres af te schermen.”

Virtueel kantoor

Er bestaat nog wel zoiets als een ‘virtueel kantoor’. Dat is een plek, vaak een bedrijfsverzamelgebouw, waar je voor een paar tientjes per maand een zakelijk adres kunt huren om je mee in te schrijven in het handelsregister. Op internet zijn er veel bedrijven die zo’n zakelijk adres aanbieden, maar let op: van de Kamer van Koophandel mag deze constructie helemaal niet.

“Als u een bureau of kantoor voor bijvoorbeeld twee uur per week huurt, dan voldoet u niet aan de eis en registreren wij het niet als bezoekadres. Dit geldt ook voor de huur van zogenaamde virtuele kantoorruimte. In deze gevallen wordt uw privéadres als bezoekadres ingeschreven. Als correspondentieadres mag u het adres van het bedrijfsverzamelgebouw wel gebruiken”, staat op de site van de organisatie.

Met andere woorden: je kunt niet anders dan een écht kantoor of een werkruimte huren als je je privéadres buiten de openbaarheid wil houden. Voor ondernemers hangt aan privacy voorlopig dus een prijskaartje.

Bron: NOS                                            

‘Klaagcultuur ontwricht tuchtrechtspraak advocaten’

Een klaagcultuur dreigt de tuchtrechtspraak voor advocaten te ontwrichten. Dat stelt Tjeerd Zuidema, voorzitter van het Hof van Discipline, in het jaarverslag over 2017 dat dinsdag is gepubliceerd.

Zuidema waarschuwt dat een kleine groep ‘veelklagers’ het Hof en de vier Raden van Disciplines overstelpt met ‘kansloze klachten’ en berichten die niets met een zaak te makken hebben. Hierdoor dreigen de tuchtcolleges niet meer toe te komen aan hun eigenlijke taak: het behandelen van relevante tuchtklachten tegen advocaten. ‘Deze ontwikkeling wordt door tuchtcolleges steeds meer als ontwrichtend ervaren’, schrijft Zuidema. ‘De noodzaak bestaat om een schifting te maken aan welke zaken wel en aan welke zaken geen tijd meer besteed wordt.’

De klaagcultuur komt volgens Zuidema ook terug in de jaarcijfers van de tuchtcolleges. Zo is vorig jaar het aantal wrakingsverzoeken tegen tuchtrechters, herzieningsverzoeken en klachten over dekens gestegen. In 2017 waren er overigens niet veel meer klachten tegen advocaten dan een jaar eerder: 1020 om 998. Een derde van de klachten werd gegrond verklaard.

Tien advocaten zijn vorig jaar onherroepelijk van het tableau geschrapt, één meer dan in 2016.

bron: FD                            

Europese burgers kunnen straks samen een zaak aanspannen tegen sjoemelende bedrijven

Europese consumenten die in grote groepen worden benadeeld door bijvoorbeeld sjoemelende autofabrikanten of multinationale data-dieven, moeten meer mogelijkheden krijgen om collectief verhaal te halen. Zulke class action-zaken zijn nu vooral een Amerikaans verschijnsel, maar de ­Europese Commissie heeft vandaag een Europese variant gepresenteerd.
Lees verder na de advertentie

“In een wereld waarin grote bedrijven sterker staan dan individuele consumenten moeten wij de strijd gelijker maken”, zei Eurocommissaris ­Vera Jourová van justitie en consumentenzaken. “Groepsvorderingen naar Europees model zijn vooral goed voor de consument, niet voor advocatenkantoren. Met strengere sancties die worden gekoppeld aan de jaarlijkse omzet van een onderneming, krijgen consumentenautoriteiten eindelijk de middelen om malafide ondernemingen tot de orde te roepen. Valsspelers moeten boeten.”

Het voorstel is vooral ingegeven door het dieselschandaal. Om de tuin geleide Volkswagenkopers hadden in de EU nauwelijks juridische middelen om schadevergoeding of andere vormen van compensatie af te dwingen. In de Verenigde Staten moest Volkswagen miljardenboetes ophoesten, maar in Europa kwam de Duitse automaker goed weg.

De Europese Commissie onderstreept dat de voorgestelde groepsvorderingen een heel ander karakter zullen hebben dan de Amerikaanse, waar zulke rechtszaken vooral goudmijnen zijn voor advocatenkantoren. “Dit gaat over meer eerlijkheid, niet over meer advocaten, al heb ik niets tegen advocaten”, aldus Jourová.

Alleen erkende consumenten- of andere maatschappelijke organisaties zonder zakelijke belangen mogen collectieve claims indienen. Die moeten ook EU-brede erkenning krijgen, zodat rechtszaken grensoverschrijdend kunnen zijn.

Nu zijn er tussen EU-landen nog grote verschillen in de mogelijkheden van een collectieve rechtsgang. Het commissievoorstel, waarover de komende maanden wordt onderhandeld door de lidstaten en het Europees Parlement, moet deze praktijk meer gelijk trekken. De claims kunnen gericht zijn tegen bedrijven in de financiële sector, transport, energie, telecommunicatie, gezondheidszorg en de milieu-sector.

Genoegdoening door het bedrijf dat de wet heeft overtreden, hoeft niet per se plaats te vinden via schadevergoeding voor de hele groep gedupeerden, maar kan ook bestaan uit reparatie, vervanging, prijsverlaging, restitutie of contractbeëindiging.

In Nederland heeft de Consumentenbond verheugd gereageerd op het voorstel van de Europese Commissie. “Wij knokken hier al bijna dertig jaar voor”, aldus een woordvoerder tegen persbureau ANP.

Ook in het Europees Parlement klinken de eerste positieve reacties. “Voorbeelden zoals dieselgate, vlucht-annuleringen door Ryanair en misbruik van Facebook-gegevens laten zien hoe hard het nodig is om de positie van consumenten te versterken tegenover bedrijven die zich misdragen”, zei Bas Eickhout (GroenLinks).

De Europese ondernemersorganisatie BusinessEurope is kritischer. “EU-burgers genieten al de efficiëntste en sterkste consumentenbescherming ter wereld.”

Bevatten vissticks in Oost-Europa minder vis dan dezelfde (merk)producten in West-Europa? Zit er daar ook minder cacao in de chocopasta? De Europese Commissie neemt de klachten over dergelijke kwaliteitsverschillen serieus. In het brede pakket consumentenvoorstellen dat de commissie gisteren presenteerde, wordt het fabrikanten expliciet verboden dubbele productstandaarden te hanteren als dezelfde naam wordt gebruikt.

De berichten over de mogelijk inferieure producten die oostelijke EU-consumenten in de maag gesplitst zouden krijgen, zetten de toch al gespannen verhoudingen tussen Oost en West in Brussel vorig jaar op scherp. De precieze omvang van het probleem is onbekend. De commissie zet daarom dit jaar een testpanel op voor grondig vergelijkend warenonderzoek.

Bron: Trouw

Thuiskopieheffing compenseert niet voor schade door illegale downloads

De thuiskopieheffing is niet bedoeld om het nadeel te compenseren van kopieën uit illegale bron.

De zaak over het “illegaal downloaden”. Tja, wat kon de Hoge Raad nog toevoegen aan het arrest van het Hof van Justitie van de EU uit 2014? Het Hof had deze zaak immers al beslist, maar eisers tot cassatie besloten twee jaar later om de zaak toch nog op te brengen voor voortprocederen. De Hoge Raad rondt de zaak af zonder verrassingen.

Thuiskopieheffingen

Waar ging het ook alweer over? Een groep fabrikanten en importeurs van apparaten waarop thuiskopieën kunnen worden gemaakt, begon een principiële zaak tegen Stichting de Thuiskopie, die thuiskopievergoedingen int en verdeelt, en de SONT, de stichting waarin rechthebbenden en fabrikanten elkaar treffen om te onderhandelen over de hoogte van de thuiskopievergoeding. De fabrikanten vorderden een hele reeks verklaringen voor recht over met welk soort kopieën allemaal wel of niet rekening mocht worden gehouden bij het vaststellen van de vergoedingen. Dat is namelijk niet zo duidelijk.

De Auteursrechtrichtlijn

De Auteursrechtrichtlijn (Arl.) bepaalt alleen dat als een lidstaat de “thuiskopie-exceptie” implementeert (toestemming geeft aan consumenten om, zeg maar, voor niet-commercieel privégebruik kopieën te maken), een “billijke vergoeding” moet worden geheven ter compensatie van de rechthebbenden. Vaste jurisprudentie van het HvJEU luidt dat deze “billijke vergoeding” een autonoom, unierechtelijk begrip is dat uniform in de EU-lidstaten moet worden uitgelegd. Diezelfde rechtspraak geeft tegelijkertijd een grote vrijheid aan de lidstaten, onder meer om de hoogte van de vergoeding en de wijze van inning vast te stellen.

Dat geeft onduidelijkheid en elk jaar verschijnen meerdere arresten van het HvJEU waarin over allerlei aspecten knopen worden doorgehakt. Soms wordt de nationale wetgever inderdaad alle ruimte gelaten, maar in andere gevallen komt het HvJEU met regels op een detailniveau dat nogal contrasteert met de vage bewoordingen van de Arl. Menige lidstaat heeft zijn uitvoeringswet- en regelgeving al moeten aanpassen omdat het HvJEU oordeelde dat het recht anders in elkaar stak dan men dacht.

Misschien wel het meest contentieuze onderwerp in deze procedure vormden de “kopieën uit niet-geoorloofde bron”, of in de volksmond: illegale downloads. In Nederland werd in de parlementaire geschiedenis ervan uitgegaan dat met de thuiskopieheffing ook daar een vergoeding voor werd geïnd. Dat is een praktisch resultaat waar veel voor te zeggen valt: illegaal downloaden is in de praktijk moeilijk tegen te gaan, de schade per download is relatief gering, en door ook te heffen voor illegale downloads worden de rechthebbenden tenminste nog enigszins gecompenseerd. In cassatie legde de Hoge Raad hierover twee vragen voor aan het HvJEU, kort gezegd: (1) vallen downloads uit ongeoorloofde bron ook onder de thuiskopie-exceptie uit de Auteursrechtrichtlijn, en zo nee: (2) mag een lidstaat de schade van rechthebbenden door zulke kopieën dan toch compenseren met een thuiskopieheffing? In een nogal rechtlijnig arrest beantwoordde het HvJEU beide vragen met ‘nee’. De Hoge Raad kon vervolgens de zaak zelf afdoen en verklaart voor recht:
“dat de in art. 16c Aw bedoelde billijke vergoeding uitsluitend bedoeld is om het nadeel (te verstaan als: de voor de desbetreffende kopieerhandeling gederfde licentievergoeding) dat de rechthebbenden ondervinden van de reproductiehandelingen die binnen het toepassingsbereik van art. 16c Aw vallen, te compenseren, alsmede dat bij de bepaling van de hoogte van de thuiskopievergoeding geen rekening dient te worden gehouden met de schade die het gevolg is van illegaal kopiëren (inclusief downloaden) uit een illegale bron”.

Voor de Nederlandse wetgeving heeft dit overigens verder geen gevolgen: de Hoge Raad had in zijn tussenarrest al geoordeeld dat art. 16c Auteurswet, dat de thuiskopieheffing implementeert, hoe dan ook richtlijnconform kan worden uitgelegd. De tekst van de wet maakt namelijk geen onderscheid tussen legale en illegale bron en duidelijk blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever bedoeld heeft om de Auteursrechtrichtlijn getrouw uit te voeren. Dan moet volgens vaste rechtspraak van het HvJEU de wet richtlijnconform worden uitgelegd, ook al zou in de wetsgeschiedenis een verkeerde interpretatie van de richtlijn zijn gegeven.

Proceskosten

De Hoge Raad had naar aanleiding van het incidentele cassatieberoep van Thuiskopie nog een vraag gesteld aan het HvJEU: was op deze procedure de Handhavingsrichtlijn (2004/48/EG) van toepassing, zodat art. 1019h Rv aanspraak zou geven op een volledige proceskostenvergoeding? Het HvJEU oordeelde van niet, en Thuiskopie trok daarna haar incidentele beroep in. Maar ja, zegt de Hoge Raad, nu waren de kosten in het incidentele beroep al gemaakt, dus Thuiskopie wordt toch daarin veroordeeld. Maar dus wel tegen het forfaitaire tarief.

Bron: Cassatieblog.nl                    

Thaise betaalt na factuurfraude op Nederlandse bankrekening: toepasselijk recht

De in Bangkok gevestigde [Ltd.] heeft een onverschuldigde betaling gedaan, na fraude door middel van e-mail. Het e-mailaccount van de (in Duitsland gevestigde) schuldeiser [D] was gehackt. Via e-mail werden onjuiste betaalgegevens aan [Ltd.] opgegeven, waarna [Ltd.] een factuur van [D] heeft betaald op de Nederlandse bankrekening van X, die in Nederland woonachtig is, in plaats van op de bankrekening van [D]. [Ltd.] vordert terugbetaling door X. De vraag is: welk recht is van toepassing?

De rechtbank overweegt als volgt. Nu X in Nederland woonachtig is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om van de zaak kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).

Aan de hand van Verordening Rome II moet worden bepaald naar welk recht de gestelde onverschuldigde betaling moet worden beoordeeld. Ingevolge artikel 10 lid 1 Rome II wordt de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit ongerechtvaardigde verrijking, waaronder begrepen onverschuldigde betaling, en die tevens verband houdt met een bestaande, nauw met die ongerechtvaardigde verrijking samenhangende, betrekking tussen partijen, zoals een onrechtmatige daad, beheerst door het recht dat op die betrekking van toepassing is. Artikel 4 lid 1 Rome II houdt in dat, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.

Gezien de gang van zaken heeft Nederland te gelden als het land waar de schade zich voordoet. Immers, deze zaak betreft louter vermogensschade, die is geleden in Nederland en wel op het moment dat het onverschuldigd betaalde bedrag werd gestort op de bankrekening van X bij de ING Bank. De ING Bank is statutair gevestigd te Amsterdam. De uitzonderingen van artikel 4 lid 2 en 3 Rome II doen zich in dit geval niet voor. Nederlands recht is dus toepasselijk.

De vorderingen komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. De rechtbank veroordeelt X tot (onder meer) voldoening aan [Ltd.] van € 68.011,03, vermeerderd met de wettelijke rente.

Rechtbank Den Haag 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12398 (publicatie 2 november 2017)
Bron: SDU                  

Aansprakelijkheid materieel werkgever bij onrechtmatige daad doorgeleende werknemer

Indien een partij op grond van art. 6:170 lid 1 BW wordt aangesproken voor een fout van een ondergeschikte, dient de rechter – nu de werknemer in die procedure zelf geen partij is – de onrechtmatigheid van zijn handelen te beoordelen als ware de aansprakelijkheid van de werknemer zelf in het geding.

Voor het aannemen van ondergeschiktheid is het bestaan van zeggenschap bij de aansprakelijk gehouden partij over de vraag of en op welke momenten de persoon die onrechtmatig heeft gehandeld werkzaamheden voor een bepaalde derde dient uit te voeren, in beginsel voldoende.

Achtergrond van de zaak

In opdracht van ProRail heeft BAM onderhoudswerkzaamheden verricht aan het spoor. Daarbij heeft BAM gebruikgemaakt van veiligheidsdiensten van J.M.V. Spoorwegveiligheid B.V. (hierna: ‘JMV’). JMV heeft hierbij werknemers van bedrijf A ingeleend en bij BAM tewerkgesteld. Eén van die werknemers is werktreinbegeleider (hierna: ‘WTB-er’) X. De WTB-er heeft onder meer als taak te controleren of de wissels in de juiste stand staan. Op enig moment heeft een werktrein, waarop WTB-er X aanwezig was, schade veroorzaakt aan een wissel, doordat deze niet in de juiste stand stond. De aansprakelijkheidsverzekeraar van BAM – Zürich – heeft de schade aan ProRail vergoed en wenst in deze procedure, voor zover van belang, op grond van art. 6:170 BW – verhaal te halen op JMV.

Art. 6:170 BW bevat een kwalitatieve aansprakelijkheid van de werkgever voor onrechtmatig gedrag van zijn ondergeschikte. De werkgever is op die grond aansprakelijk indien sprake is van ondergeschiktheid, de ondergeschikte een fout – een toerekenbare onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW – heeft gemaakt en er sprake is van functioneel verband tussen deze fout en het werk van de ondergeschikte. Dit laatste vereiste impliceert zowel dat de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van de taak is vergroot, als dat de werkgever zeggenschap heeft over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

Het hof heeft deze vordering toegewezen. JMV heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. In cassatie gaat het om de vragen of de WTB-er onrechtmatig heeft gehandeld en of voldaan is aan het ondergeschiktheidsvereiste.

Onrechtmatig handelen WTB-er X?

In cassatie bestrijdt JMV het oordeel van het hof dat WTB-er X jegens ProRail onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door af te gaan op zijn (onjuiste) visuele oordeel over de stand van het wissel en zich van die stand niet te vergewissen door van de trein af te stappen.

De Hoge Raad overweegt in dat verband dat het onderdeel niet de door het hof gehanteerde maatstaf bestrijdt dat de betrokken WTB-er had moeten afstappen wanneer hij niet goed kon zien of het wissel goed lag. Deze maatstaf moet volgens de Hoge Raad worden bezien tegen de achtergrond van de meer algemene maatstaf voor de beoordeling of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting, welke maatstaf de Hoge Raad in rov. 3.3.2 weergeeft.

Vervolgens bespreekt de Hoge Raad drie mogelijke wegen waarlangs – in een geval als het onderhavige – schade kan worden verhaald:

“de schade die is toegebracht bij de uitvoering van een overeenkomst kan in beginsel worden verhaald op de tekortschietende contractuele wederpartij, ook indien die schade is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van een werknemer of hulppersoon (art. 6:74 en 6:75 BW). Indien de tekortschietende contractspartij de schade vergoedt en de schade is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van een eigen werknemer, dan kan zij de schade in beginsel slechts dan op deze werknemer verhalen indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid (art. 7:661 lid 1 BW);
de benadeelde partij kan (behoudens andersluidend beding in de overeenkomst) haar wederpartij op grond van art. 6:170 lid 1 BW aanspreken. In dat geval moet zowel komen vast te staan dat sprake is van ondergeschiktheid als dat de betrokken werknemer jegens de benadeelde aansprakelijk is wegens een onrechtmatige daad;
de benadeelde partij kan (tenzij de overeenkomst dat belet) de betrokken werknemer persoonlijk aanspreken tot vergoeding van de schade. In dat geval heeft de werknemer op grond van art. 6:170 lid 3 BW regres op de werkgever, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf. Het rechtstreeks aanspreken van de werknemer is voor hem mogelijk zeer nadelig, omdat hij bij het te nemen regres het insolventierisico van de werkgever draagt.

Tegen deze achtergrond stelt de Hoge Raad tot slot voorop hoe de onrechtmatigheid van de werknemer moet worden beoordeeld, indien aansprakelijkheid op art. 6:170 BW wordt gestoeld:

“3.3.3 (…)

d. Mede gelet op de betekenis die een op art. 6:170 lid 1 BW gebaseerde, de werkgever veroordelende uitspraak kan hebben in een eventuele (bijvoorbeeld wegens insolventie van de werkgever aangespannen) opvolgende procedure tegen de werknemer, maar gezien ook het nadeel dat een dergelijke uitspraak in ander opzicht (zoals voor zijn reputatie) voor de werknemer kan opleveren, dient de rechter in een op art. 6:170 BW stoelende procedure – waarin de werknemer zelf geen partij is – de onrechtmatigheid van het handelen van de werknemer niet anders te beoordelen dan indien de aansprakelijkheid van de werknemer zelf in het geding is.”

In dit licht acht de Hoge Raad – anders dan Advocaat-generaal Hartlief – de motiveringsklacht tegen het oordeel dat WTB-er X onrechtmatig heeft gehandeld gegrond. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom voor WTB-er X het zicht op de wissel ontoereikend was en ook niet waarom hem onrechtmatigheid kan worden verweten ter zake van zijn mening dat hij (en zijn collega’s) de wisselstand correct konden waarnemen. Het feit dat de inschatting van WTB-er X onjuist is gebleken en dat aanzienlijke schade is ontstaan, kan volgens de Hoge Raad evenmin redengevend zijn voor het oordeel dat WTB-er X onrechtmatig heeft gehandeld.

Is aan het ondergeschiktheidsvereiste voldaan?

Het tweede onderdeel van JMV bestrijdt dat aan het ondergeschiktheidsvereiste is voldaan. De Hoge Raad verwerpt de in dat verband de naar voren gebrachte klachten als volgt:

“3.4.2 Deze klachten falen. Het bestaan van zeggenschap bij de aansprakelijk gehouden partij – hier: JMV – over de vraag of en op welke momenten de persoon die onrechtmatig heeft gehandeld, werkzaamheden voor een bepaalde derde – hier: BAM – dient uit te voeren, is in beginsel toereikend voor de voor toepassing van art. 6:170 lid 1 BW vereiste ondergeschiktheid (vgl. HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3070, NJ 1989/896).
Een andere opvatting, die zou meebrengen dat de benadeelde voor het antwoord op de vraag wie ingevolge art. 6:170 BW jegens hem aansprakelijk is, bekend moet zijn met de afspraken die tussen de verschillende in aanmerking komende ‘werkgevers’ met betrekking tot de instructiebevoegdheid van de ondergeschikte zijn gemaakt, zou afbreuk doen aan de door die bepaling beoogde bescherming van de benadeelde (…).”

Voorts overweegt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft aangenomen dat sprake is van een functioneel verband, nu het hof kennelijk het door JMV aan BAM ter beschikking stellen van WTB-er X heeft aangemerkt als de opdracht in de zin van art. 6:170 lid 1 BW en heeft geoordeeld dat die opdracht de kans heeft vergroot op de door hem begane fout. Hij had immers taken te verrichten met betrekking tot de veiligheid van het werk.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. Daarbij zal aan de orde komen of WBT-er X een fout heeft gemaakt in de zin van art. 6:170 lid 1 BW.

Bron: Cassatieblog                                           

Baas mag privécommunicatie medewerkers alleen na melding inzien

Werkgevers mogen de privécommunicatie van hun medewerkers alleen in de gaten houden, als zij hier van tevoren een melding over krijgen.

Dat heeft de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) recent bepaald. Het Hof doet zijn uitspraak in een langlopende zaak die werd aangespannen door de Roemeen Bogdan Mihai Bărbulescu. Hij werd in 2007 ontslagen, nadat zijn werkgever had opgemerkt dat hij privégesprekken had gevoerd via Yahoo Messenger.

De Roemeen vond dat zijn privacy werd geschonden door de werkgever. Bij nationale rechtbanken kreeg hij echter ongelijk, waarna hij in 2008 naar het EHRM stapte.

Daar ving Bărbulescu in eerste instantie ook bot. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat een recht op respect voor privé- en familieleven garandeert, werd niet geschonden, zo oordeelde het Hof vorig jaar. Het was redelijk dat de werkgever van Bărbulescu privécommunicatie bekeek in de context van een onderzoek naar tijdverspilling op zijn werk, stelden de rechters toen.

Notificatieplicht

In beroep besloot de Grote Kamer van het Hof echter dat de privacy van Bărbulescu wel degelijk is geschonden, omdat hij geen bericht kreeg over het monitoren van zijn privécorrespondentie. Zo’n notificatie is wel verplicht om de privacyschending te rechtvaardigen, stelt het Hof dinsdag. In de Grote Kamer vonden elf rechters dat er sprake was van een ongeoorloofde privacyschending, terwijl zes rechters het daar niet mee eens waren.

In zijn uitspraak bepaalt het Hof verder dat rechtbanken die toetsen of een privacyschending door een werkgever gerechtvaardigd is, moeten onderzoeken of er goede redenen voor de schending waren. Ook moet het duidelijk zijn dat er geen minder indringende maatregelen beschikbaar waren.

Tegen de uitspraak van de Grote Kamer is geen beroep meer mogelijk. Daardoor zullen alle lidstaten van de Raad van Europa, waaronder alle EU-landen, voortaan een notificatieplicht voor het doorzoeken van privécommunicatie door werkgevers moeten handhaven.

Bron: Nu.nl

onrechtmatige daad: een als een doen te beschouwen gedraging

Aan een aantal slepende procedures tussen twee (inmiddels) voormalig echtelieden is een einde gekomen door een uitspraak van de Hoge Raad, die voor de personenschadepraktijk relevant is.vTwee vragen worden beantwoord.
1) Wat moet worden verstaan onder ‘een als een doen te beschouwen gedraging’ in artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2) Welke kosten van rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking in het licht van de verhouding tussen artikel 6:96 lid 2 BW en artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Feiten en procesgang

Na het feitelijk uiteengaan, maar nog voor de echtscheiding, is de man op enig moment met een tractor ingereden op de vrouw. De vrouw heeft hierdoor medische behandelingen ondergaan (onder andere van psychiatrische/psychologische aard). De man werd strafrechtelijk veroordeeld tot en boete.

Voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft een notaris in 2004 een bindend advies uitgebracht. Hierover hebben de partijen diverse kortgedingprocedures gevoerd, waarin de vrouw werd veroordeeld om mee te werken aan de uitvoering van het bindend advies.

Nadat de voorzieningenrechter de man had gemachtigd om de echtelijke woning te gelde te maken en vrij van hypotheek en onbezwaard te leveren, heeft de vrouw de woning verlaten en is de woning in 2010 aan een derde geleverd. De man heeft beslag gelegd op het aandeel van de vrouw in de opbrengst, en stelde dat hij schade heeft geleden doordat de vrouw is  tekortgeschoten in het meewerken aan het tot stand komen en uitvoeren van het bindend advies, welke schade hij op de vrouw wenst te verhalen.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man, omdat dat de vrouw zowel de totstandkoming van het bindend advies heeft gefrustreerd, waardoor het advies twee jaar later tot stand is gekomen, als de uitvoering ervan. Het stelselmatig tegenwerken van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, die de man noodzaakte tot een jarenlange juridische strijd, is naar het oordeel van het hof in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Het hof besteedt beantwoordt specifiek de vraag of de handelwijze aan de vrouw kan worden toegerekend en verwijst daarbij (ambtshalve op de voet van art. 25 Rv) naar artikel 6:165 lid 1 BW in verband met de stellingen van de vrouw over haar medische (psychische) gesteldheid. Het hof oordeelt:

‘Voor zover de vrouw zich ter afwering van haar vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad heeft willen beroepen op haar psychische gesteldheid (…), in die zin dat haar handelen en/of nalaten niet toerekenbaar zijn, oordeelt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:165 lid 1 BW bestaat er geen beletsel om het handelen van een (volwassen) persoon onder invloed van een geestelijke (of lichamelijke) tekortkoming aan deze als onrechtmatige daad toe te rekenen. Voor zover de vrouw heeft willen aanvoeren dat zij door “het tractorincident” dan wel door deze vechtscheiding niet in staat was haar belangen te behartigen, heeft zij daarvoor te weinig feiten en omstandigheden aangevoerd, die het oordeel zouden kunnen dragen dat haar handelen (of nalaten) niet aan haar toe te rekenen is. Daarvoor is in elk geval onvoldoende dat er, zoals de vrouw stelt, sprake is van een ptss, een chronische pijnstoornis, burn-outklachten en niet aangeboren hersenletsel, nu de vrouw niet nader onderbouwt dat deze gestelde klachten haar in haar functioneren belemmerde.’

De vrouw komt in cassatie tegen het oordeel dat de aan haar verweten handelwijze haar is toe te rekenen op grond van artikel 6:162 jo. artikel 6:165 lid 1 BW. Volgens haar had de door het hof vastgestelde weigering van de vrouw om mee te werken aan het tot stand komen en uitvoeren van het bindend advies van de notaris door het hof vanwege de geestelijke stoornis niet mogen worden beschouwd als een als ‘doen te beschouwen gedraging’ zoals bedoeld in artikel 6:165 lid 1 BW.

De vrouw komt ook in cassatie van het oordeel dat zij de volledige kosten van rechtsbijstand van de man moet vergoeden. Zij stelt dat het hof het gesloten stelsel van rechtsmiddelen heeft miskend door te oordelen dat de vrouw ook de (werkelijke) advocaatkosten van de man moet vergoeden die betrekking hebben op de tussen de man en vrouw gevoerde (kortgeding)procedures.

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof over artikel 6:165 lid 1 BW in stand, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 6:165 lid 1 BW. De handelwijze van de vrouw is wel degelijk te beschouwen als een ‘als doen te beschouwen gedraging’:

‘Voor zover het hof de aansprakelijkheid van de vrouw heeft gebaseerd op het feit dat zij op diverse wijzen en tijdstippen heeft nagelaten de vereiste medewerking aan de totstandkoming of de uitvoering van het bindend advies te geven, heeft het hof dat kennelijk niet als een “zuiver nalaten” in zojuist bedoelde zin opgevat. Het hof heeft (door hem aldus omschreven) “stelselmatig niet mee willen werken” van de vrouw mogen aanmerken als “een als een doen te beschouwen gedraging” in de zin van art. 6:165 lid 1 BW.’

Het oordeel van het hof over de kosten van rechtsbijstand wordt echter door de Hoge Raad gecorrigeerd en hij kent aan de man uiteindelijk een aanzienlijke lagere schadevergoeding toe, waarbij de kosten van het geding in cassatie tussen partijen worden gecompenseerd.

Bron: Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade

Burenrecht – hoe los je geschillen op

Nederland is drukbevolkt en bebouwing samengepakt op een klein oppervlak. De regels over burenrecht zijn daarom soms tot in detail uitgewerkt. Toch zijn conflicten onvermijdelijk. De  wet bepaalt welke regels buren in acht dienen te nemen. Die regels zijn te vinden in het ‘burenrecht’, in titel 5.4 van het Burgerlijk Wetboek. Link

Het burenrecht is overigens niet alleen voor buren van belang is. Ook aannemers, architecten, ontwikkelaars en gemeenten krijgen regelmatig met burenrecht te maken. Zij worden geacht geschillen over de erfgrens, snoeien van begroeiing, geschillen over afwatering en fundering en onderhoud via het buurterrein bij voorbaart als zoveel mogelijk uit te sluiten.

De wet geeft een aantal gedetailleerde voorschriften voor verschillende situaties die tussen buren tot problemen kunnen leiden. Die regels zijn van dwingend recht en moeten dan strikt worden nageleefd. Vele situaties zijn echter niet in de wet geregelden daarvoor moet dan aan de hand van de redelijkheid te worden beoordeeld welke rechten en plichten de buren jegens elkaar hebben. Voor sommige situaties is dus geen exacte regel gegeven.

Bij een burengeschil moet dus eerst worden onderzocht of er voor dit probleem een specifieke wetsbepaling is. Die geeft dan in de meeste gevallen het antwoord op de juridische vraag in dirt geschil. Is er geen standaard geschil, dan zal men aan de hand van de feitelijke omstandigheden moeten bezien welke oplossing redelijk is, rekening houdend met de wederzijdse belangen.

In zo`n situatie is het vaak moeilijk om te voorspellen hoe het conflict kan worden opgelost. Wat redelijk is is voor ieder weer anders. In het uiterste geval zal de rechter een uitspraak kunnen doen. De rechter beslist dan aan de hand van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met wederzijdse belangen en maatschappelijke normen. Ook hier zal de uitkomst niet te voorspellen zijn; elke rechter heeft immers een eigen redelijkheidsgevoel. Rechtspraak in het burenrecht is dus vaak onvoorspelbaar en casuïstisch; elk geval is weer apart.

In bijna alle gevallen  verdient het dus de voorkeur om in onderling overleg het geschil met de buren op te lossen. Dan hebben de buren immers zelf controle over de uitkomst van het geschil.

Teneinde als buren samen naar een oplossing te zoeken is het noodzakelijk dat u elk uw rechten en plichten kent. Dan kunnen partijen weten wat zij van elkaar mogen verwachten, althans volgens de wet en de rechtspraak. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Advocaten.nl.

Stel vrijblijvend een vraag over uw situatie en binnen 3 dagen hebt u antwoord.              

 

 

 

Reclame misleidend of vergelijkend?

Reclame beoogt dat de consument juist dat produkt of die dienst selecteert uit een breed aanbod van beschikbare produkten en diensten van concurrenten. Het ligt daarom voor de hand dat de positieve eigenschappen van een eigen produkt of dienst worden aangeprezen. Dat mag op zich ook, zolang het niet de grens van de misleiding over gaat, want dan wordt het onrechtmatig.

En een vergelijking trekken met het produkt of de dienst van de concurrent, hoe zit dat ? Mag een muesliaanbieder beweren dat het eigen product “gezonder is dan alle andere muesli’ ? Mag een scheerapparatenfabrikant de vergelijking trekken met het “nat” scheren met behulp van scheermesjes ?  Mag een ziektekostenverzekeraar adverteren met “de beste dekking voor de laagste premie” ?

In het privaatrecht wordt onderscheiden tussen de misleidende reclame en de vergelijkende reclame. Bij het eerste type reclame gaat het om een onjuiste of onvolledige mededeling ten aanzien van (uitsluitend) het eigen product. Dat kan onrechtmatig zijn jegens de ontvangers van die boodschap, indien die daardoor misleid kunnen worden. Een voorbeeld van misleidende reclame is een beleggingsprospectus waarin de vooruitzichten te rooskleurig worden voorgesteld, ook als die prospectus slechts toegezonden is aan een beperkte groep relaties. Beslissend is of de mededeling openbaar is gemaakt en of die voor de gemiddelde consument misleidend kan zijn (artikel 6:194 Burgerlijk Wetboek), waarbij iedereen rekening moet houden met een zekere overdrijving die aan reclame eigen is. Een ander recent voorbeeld was de Staatsloterij, die niet vooraf meedeelde dat het winnende lot getrokken zou worden uit een veel grotere hoeveelheid dan het aantal daadwerkelijk verkochte loten.

Het tweede type reclame (de vergelijking) is ruimer toegestaan. Omdat reclame nu eenmaal een belangrijk marketinginstrument is, zou volgens de Europese Commissie het vrije verkeer van goederen en diensten worden belemmerd als vergelijkingen al te kritisch zouden worden getoetst door de rechter. Juist met uniforme vergelijkende reclameregels zullen ook kleinere ondernemers in staat zijn – aldus een richtlijn van de Europese Commissie – om een groter publiek te wijzen op de voordelen van hun goederen en diensten vergeleken met machtige marktleiders.

Vergelijkende reclame is in artikel 6:194a Burgerlijk Wetboek omschreven als elke vorm van reclame waarbij een concurrent of zijn goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd. In beginsel is vergelijkende reclame toegestaan, mits aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Belangrijk is dat de getrokken vergelijking zo zuiver mogelijk is, dat wil zeggen dat de vergelijking niet subjectief van karakter is. De vergelijking moet gaan over wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken, bijvoorbeeld de after-sales of de prijs of de veiligheid of de onderhoudskosten. Zo werd reclame van een mobiele telefoonaanbieder door de rechter ongeoorloofd geacht, omdat de buitenlandtarieven van de concurrent niet juist werden weergegeven onder de kop “Daarom zijn wij het voordeligst – voordeliger dan met Vodafone op vakantie kan niet’. De vergelijking moet verder zaken betreffen die in dezelfde behoeften voorzien, en mag geen verwarring in de hand werken of de goede naam schaden van een concurrent.

Bron: Actuele artikelen