Onterfd kind heeft recht op stukken voor berekening legitieme portie

Een onterfd kind kon zijn legitieme portie niet berekenen doordat zijn zus onvoldoende informatie over de nalatenschappen van hun ouders verstrekte. De rechter verplichtte haar onder meer boedelbeschrijvingen, bankgegevens, belastingaangiften en informatie over schenkingen af te geven. Zij kreeg daarvoor één maand na betekening van het vonnis.

Datum: 30 september 2026, gepubliceerd op 8 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Overijssel, locatie Almelo
Rechtsgebied: Erfrecht en nalatenschappen

Wie als kind is onterfd, kan in veel gevallen nog aanspraak maken op de legitieme portie. Voor de berekening daarvan is informatie nodig over de bezittingen, schulden en bepaalde schenkingen van de overledene. De Rechtbank Overijssel verduidelijkt welke informatie voor de legitieme portie in een concrete nalatenschapszaak moest worden verstrekt.

Informatie bleef lange tijd uit

Een zoon en dochter waren de enige kinderen van hun inmiddels overleden ouders. Beide ouders hadden de zoon bij testament onterfd. De zoon deed via zijn advocaat een beroep op zijn legitieme portie en vroeg zijn zus om de noodzakelijke financiële gegevens. Ondanks herhaalde verzoeken vanaf december 2024 waren de stukken ten tijde van de procedure nog niet verstrekt.

De rechter vond de zaak spoedeisend. Banken bewaren oude gegevens namelijk niet onbeperkt. Volgens de aangevoerde en niet weersproken informatie worden bankgegevens veelal vijf tot zeven jaar bewaard. Verder uitstel kon het daarom steeds moeilijker maken om de omvang van de nalatenschappen te reconstrueren.

Welke stukken moesten worden verstrekt?

Op grond van artikel 4:78 BW kan een legitimaris aanspraak maken op inzage in en afschrift van de stukken die nodig zijn om de legitieme portie te berekenen. In deze zaak moest de zus binnen één maand onder meer verstrekken:

  • een volledige en controleerbare boedelbeschrijving van beide nalatenschappen;
  • bewijsstukken van bezittingen en schulden, waaronder beschikbare taxatierapporten;
  • informatie en bewijs over verkochte bezittingen en verkoopopbrengsten;
  • overzichten en afschriften van betaal-, spaar- en beleggingsrekeningen over de relevante periode;
  • aangiften inkomstenbelasting en erfbelasting;
  • informatie over bepaalde schenkingen en giften;
  • een eventueel opgemaakte akte van huwelijkse voorwaarden.

Als nog geen boedelbeschrijving bestond, moest de zus deze zelf opmaken of binnen dezelfde termijn een notaris opdracht geven. Zij moest zich inspannen om ontbrekende stukken te verkrijgen en uitleggen waarom bepaalde informatie eventueel niet meer beschikbaar was.

Voorlopig geen dwangsom

De rechter legde nog geen dwangsom op. De zus had tijdens de procedure verklaard bereid te zijn de stukken te verzamelen. De rechter liet wel uitdrukkelijk open dat een dwangsom later alsnog aan de orde kan komen als zij niet meewerkt.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Een erfgenaam of executeur kan niet volstaan met de mededeling dat er weinig of niets te verdelen valt. Een legitimaris moet de berekening kunnen controleren aan de hand van verifieerbare stukken. Welke gegevens precies nodig zijn, hangt af van de nalatenschap en van eventuele schenkingen vóór het overlijden.

Voor een onterfd kind is het verstandig om het beroep op de legitieme portie en het informatieverzoek schriftelijk en aantoonbaar te doen. Benoem daarbij zo concreet mogelijk welke stukken nodig zijn. Wacht niet onnodig lang, omdat bewijs kan verdwijnen en voor het inroepen van de legitieme portie wettelijke termijnen gelden.

Uitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2026:6034.

Bron: Rechtbank Overijssel, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 8 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

€ 82.158 verbeurd door geld te verzwijgen bij scheiding

Een vrouw nam kort voor de ontbinding van haar geregistreerde partnerschap in totaal € 82.158,70 contant op. Zij stelde dat zij het grootste deel in twee maanden had uitgegeven, maar overlegde geen bonnetjes, facturen of reserveringen. De rechtbank concludeerde dat zij het geld verborgen hield en bepaalde dat het volledige bedrag aan de man toeviel.

Uitspraak: 26 augustus 2026, Rechtbank Den Haag
Gepubliceerd: 2 oktober 2026
Rechtsgebied: Personen- en familierecht, verdeling en huwelijksvermogensrecht

Een vrouw nam kort voor de ontbinding van haar geregistreerde partnerschap in totaal € 82.158,70 contant op. Zij stelde dat zij het grootste deel in twee maanden had uitgegeven, maar overlegde geen bonnetjes, facturen of reserveringen. De rechtbank concludeerde dat zij het geld verborgen hield en bepaalde dat het volledige bedrag aan de man toeviel.

Grote contante opnamen vóór de scheiding

De partners waren in 2015 zonder partnerschapsvoorwaarden een geregistreerd partnerschap aangegaan. Daardoor bestond tussen hen een algehele gemeenschap van goederen. Bij de ontbinding moesten de gemeenschappelijke bezittingen in beginsel bij helfte worden verdeeld.

De vrouw had in de periode van oktober tot en met december 2024 bedragen van € 56.150 en € 26.008,70 contant opgenomen van twee bankrekeningen. Zij erkende de opnamen, maar stelde dat zij ongeveer € 67.000 had besteed aan onder meer kleding, cadeaus, restaurants, hotels, beautybehandelingen, weekendjes weg en huishoudelijke kosten. Ook zou zij bedragen voor de kinderen en een privé ontvangen schenking hebben veiliggesteld.

Geen bewijs van de gestelde uitgaven

Volgens de rechtbank lag het op de weg van de vrouw om uit te leggen en zo nodig te bewijzen waar het opgenomen geld was gebleven. Zij overlegde echter geen bonnetjes, facturen, boekingen of andere stukken. De rechtbank vond het bovendien niet aannemelijk dat in ongeveer twee maanden vrijwel het gehele bedrag aan consumptieve uitgaven was besteed.

De rechtbank concludeerde daarom dat de vrouw het geld verborgen hield. Daarmee was volgens de rechtbank voldaan aan de voorwaarden van artikel 3:194 lid 2 BW. Deze bepaling houdt in dat een deelgenoot die opzettelijk een gemeenschappelijk goed verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, zijn aandeel daarin aan de andere deelgenoot verbeurt.

Gevolg is meer dan alleen terugbetalen

De sanctie betekende in deze zaak dat niet alleen de helft van het geld in de verdeling werd betrokken. De vrouw verbeurde het volledige bedrag van € 82.158,70 aan de man. De rechtbank hoefde daardoor niet meer te beslissen over zijn subsidiaire beroep op benadeling van de gemeenschap.

De beslissing over het verzwegen geld maakte deel uit van een omvangrijkere procedure waarin onder meer de woning, bankrekeningen, ondernemingen, auto’s, kinderalimentatie en zorgregeling werden behandeld.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

De sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW is ingrijpend. Vereist is wel dat sprake is van opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden. Een enkele vergissing of onduidelijkheid in de administratie leidt daarom niet automatisch tot verlies van een aandeel.

Bij een scheiding of verdeling is het belangrijk volledige opgave te doen van bankrekeningen, contant geld, beleggingen en andere bezittingen. Wie stelt dat grote bedragen vóór de peildatum zijn uitgegeven, moet rekening houden met de noodzaak die uitgaven met afschriften, facturen of andere stukken te onderbouwen. De andere partij doet er goed aan tijdig volledige bankafschriften en saldi rond de peildatum op te vragen.

Bron: Rechtbank Den Haag, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 2 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:28339.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Ex-partner erft niet na beëindiging van de samenleving

Een vrouw was in het testament van haar ongehuwde partner als erfgenaam en executeur aangewezen. Door een vervalbeding eindigden die aanspraken als hun samenleving vóór het overlijden was beëindigd. Volgens het hof was daarvan sprake, hoewel de samenlevingsovereenkomst formeel nog niet was ontbonden.

Uitspraak: 23 juli 2026, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gepubliceerd: 28 september 2026
Rechtsgebied: Erfrecht, testament en samenlevingsovereenkomst

Een vrouw was in het testament van haar ongehuwde partner als erfgenaam en executeur aangewezen. Door een vervalbeding eindigden die aanspraken als hun samenleving vóór het overlijden was beëindigd. Volgens het hof was daarvan sprake, hoewel de samenlevingsovereenkomst formeel nog niet was ontbonden.

Partner en kinderen als erfgenamen benoemd

De man en de vrouw hadden in 2008 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Op dezelfde dag liet de man een testament opstellen. Daarin benoemde hij zijn partner en zijn twee kinderen ieder voor een gelijk deel tot erfgenaam. De partner werd bovendien tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd.

Het testament bevatte echter een vervalbeding. Alle beschikkingen ten gunste van de partner zouden vervallen wanneer de man ongehuwd zou overlijden en hun samenleving al vóór zijn overlijden was beëindigd. Voor een opname in een verpleeg- of verzorgingsinstelling was een uitzondering opgenomen.

Feitelijke situatie was beslissend

Voor het overlijden verbleven de partners niet meer gezamenlijk in de woning. Uit berichten bleek dat zij tegenover familieleden, vrienden en medewerkers hadden meegedeeld dat de relatie voorbij was. Ook waren stappen gezet voor de verkoop van de woning en de onderneming en was een boedelbeschrijving opgesteld.

Dat de samenlevingsovereenkomst nog niet volgens de daarin opgenomen formaliteiten was beëindigd, vond het hof niet doorslaggevend. Uit de formulering van het testament volgde dat met de beëindiging van de samenleving het feitelijk samenleven als partners werd bedoeld.

Het hof paste bij de uitleg van het testament artikel 4:46 BW toe. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verhoudingen die de erflater met het testament wilde regelen en naar de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Poging tot herstel veranderde de uitkomst niet

De man had kort voor zijn overlijden laten weten dat hij de relatie mogelijk wilde herstellen. De vrouw wilde dat op dat moment echter niet. Volgens het hof veranderde deze eenzijdige wens niets aan het feit dat de samenleving toen al daadwerkelijk was beëindigd.

Het vervalbeding was daarom van toepassing. De vrouw was geen erfgenaam meer en kon evenmin als executeur of afwikkelingsbewindvoerder optreden. Het hof bekrachtigde de eerdere beslissing van de kantonrechter.

Waarom is dit relevant voor bezoekers van advocaten.nl?

Bij samenwoners worden erfrechtelijke aanspraken niet automatisch op dezelfde manier geregeld als bij gehuwden. De precieze tekst van het testament is daarom van groot belang. Een vervalbeding kan ertoe leiden dat aanspraken al eindigen door een feitelijke relatiebreuk, ook als de samenlevingsovereenkomst nog niet formeel is opgezegd en gezamenlijke financiële zaken nog niet zijn afgewikkeld.

Na een relatiebreuk is het verstandig niet alleen de samenlevingsovereenkomst, maar ook testamenten, begunstigingen bij verzekeringen en eventuele executeursbenoemingen te controleren. Voor erfgenamen kan correspondentie over de beëindiging van de relatie, afzonderlijke huisvesting en de voorgenomen verdeling van bezittingen belangrijk bewijs opleveren.

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 28 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2026:1966.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Gezamenlijke woning na relatiebreuk moet opnieuw worden getaxeerd

Na een relatiebreuk kan de waarde van een gezamenlijke woning tijdens de procedure veranderen. Het gerechtshof laat de woning opnieuw taxeren en geeft duidelijkheid over hypotheekaflossingen, woonlasten en uitstel van de verdeling.

Uitspraak: 8 september 2026, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Gepubliceerd: 15 september 2026
Rechtsgebied: Verdeling, gemeenschappelijk eigendom en verbintenissenrecht

Een man en een vrouw hadden tijdens hun relatie gezamenlijk een woning gekocht, ieder voor de helft. De rechtbank deelde de woning voor een waarde van € 415.000 toe aan de man, waarna de woning ook daadwerkelijk aan hem werd geleverd. Omdat de vrouw in hoger beroep zowel de verdeling als de waardering aanvocht, moet volgens het gerechtshof opnieuw worden uitgegaan van de actuele marktwaarde.

Waarom is deze uitspraak relevant?

Na een relatiebreuk ontstaat regelmatig discussie over de vraag wie de gezamenlijke woning mag overnemen en tegen welke waarde. De waarde kan tijdens een langdurige procedure aanzienlijk stijgen of dalen. Deze uitspraak laat zien dat een eerdere taxatie of zelfs een inmiddels uitgevoerde levering niet altijd het laatste woord hoeft te zijn als de verdeling en waardering tijdig in hoger beroep zijn aangevochten.

Het hof benoemt een onafhankelijke makelaar om de actuele marktwaarde vast te stellen. Pas na de taxatie beslist het hof definitief over de toedeling. Dit betekent niet dat bij ieder hoger beroep automatisch een nieuwe taxatie volgt. Van belang was dat de vrouw zowel de waardering als de verdeling uitdrukkelijk aan de orde had gesteld, waardoor het hof daarover opnieuw moest beslissen.

Uitstel van de verdeling

De vrouw wilde de woning voorlopig onverdeeld laten. Op grond van artikel 3:178 lid 3 BW kan een rechter de verdeling telkens voor maximaal drie jaar uitsluiten als de belangen bij uitstel aanmerkelijk zwaarder wegen dan de belangen bij verdeling.

Het hof wees dat verzoek af. De relatie was al ruim drie jaar beëindigd en de man had er belang bij te weten waar hij aan toe was. Van hem kon niet worden verlangd dat de onverdeeldheid nog langer voortduurde.

Hypotheekbetalingen en gebruik van de woning

De man had uit eigen middelen € 235.000 op een gezamenlijke hypothecaire lening afgelost. Omdat beide partijen voor de helft eigenaar en hoofdelijk schuldenaar waren, had hij in beginsel een regresvordering op de vrouw. De vrouw kon niet voldoende onderbouwen dat was afgesproken dat de man alle kosten voor zijn rekening zou nemen.

De man kon daarentegen niet zonder meer de helft van alle rente en eigenaarslasten verhalen. Hij woonde alleen in de woning en had het volledige woongenot, terwijl de vrouw elders eigen woonlasten had. Het hof liet die kosten daarom op grond van redelijkheid en billijkheid voor zijn rekening.

Praktische aandachtspunten

  • Leg afspraken over hypotheekbetalingen en woonlasten schriftelijk vast.
  • Maak bij een overname duidelijk welke waardepeildatum wordt gebruikt.
  • Laat vóór een definitieve verdeling een actuele, onafhankelijke taxatie uitvoeren.
  • Houd onderscheid tussen aflossingen, rente, eigenaarslasten en gebruikerslasten.
  • Controleer bij hoger beroep tegen een woningverdeling de bijzondere inschrijvingsvereisten van artikel 3:301 lid 2 BW.

ECLI: ECLI:NL:GHARL:2026:5813

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 15 september 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.

Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Vergoedingsrechten tussen ongehuwd samenwonenden

Vergoedingsrechten tussen echtgenoten zijn goed verankerd in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht. Het komt vaak voor dat een van de partners met eigen vermogen een investering doet in een gezamenlijk goed, zoals een huis. Bij gehuwde stellen leidt dit doorgaans tot een vergoedingsrecht. Maar hoe zit het met ongehuwde samenwonenden? De recente jurisprudentie van de Hoge Raad maakt duidelijk dat vergoedingsrechten niet zomaar analoog kunnen worden toegepast op samenwoners. Dit artikel onderzoekt de juridische aspecten van vergoedingsrechten, ongerechtvaardigde verrijking, en hoe de rechtspraak hierop anticipeert in situaties van informeel samenleven zonder huwelijkse of geregistreerde verbintenissen.

1. Wat is een vergoedingsrecht?

Een vergoedingsrecht ontstaat wanneer een van de echtgenoten met eigen vermogen een investering doet in een gemeenschappelijk goed of in een goed dat eigendom is van de andere echtgenoot. Het meest voorkomende voorbeeld is de aflossing van een hypotheek op een gezamenlijke woning. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten bevestigd dat dergelijke vergoedingsrechten bestaan tussen echtgenoten​. Dit principe is inmiddels gecodificeerd in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en zorgt ervoor dat de betalende echtgenoot recht heeft op een vergoeding wanneer bijvoorbeeld een lening met eigen middelen wordt afgelost​​.

2. Toepassing van vergoedingsrechten bij ongehuwden: Jurisprudentie Hoge Raad

In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad op 14 april 2023, speelde een geschil tussen een man en een vrouw die ongehuwd samenwoonden. De man had met eigen geld de gezamenlijke hypothecaire lening afgelost en claimde dat de vrouw hem de helft van dit bedrag verschuldigd was, aangezien de woning voor de helft van haar was​​.

Het gerechtshof had eerder geoordeeld dat de vrouw inderdaad een bedrag van €107.000 aan de man moest betalen, verwijzend naar eerdere arresten over vergoedingsrechten binnen het huwelijksvermogensrecht. Echter, de Hoge Raad oordeelde anders. Het Hof had verzuimd te onderkennen dat deze jurisprudentie niet geldt voor ongehuwd samenwonenden. Er is immers geen wettelijke grondslag om vergoedingsrechten uit het huwelijksvermogensrecht analoog toe te passen op ongehuwd samenwonenden​.

3. Vermogensrechtelijke verplichtingen bij ongehuwde samenwonenden

Hoewel er geen vergoedingsrechten bestaan zoals in het huwelijksvermogensrecht, betekent dit niet dat er geen enkele vermogensrechtelijke aanspraak bestaat tussen samenwonenden. Volgens de Hoge Raad kunnen er onder het algemene vermogensrecht wel degelijk verplichtingen ontstaan tussen ongehuwd samenwonenden, bijvoorbeeld op grond van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling​​.

Ongerechtvaardigde verrijking

In situaties waarbij de ene partner de andere partner verrijkt zonder rechtsgrond, kan een vordering ontstaan op grond van ongerechtvaardigde verrijking. De kern van ongerechtvaardigde verrijking is dat iemand ten koste van een ander is verrijkt zonder daarvoor een juridische reden. Artikel 6:212 van het Burgerlijk Wetboek regelt deze verplichting​.

Onverschuldigde betaling

Een andere mogelijke rechtsgrond voor een vordering tussen samenwonenden is onverschuldigde betaling. Dit betreft situaties waarin een partij een betaling doet zonder dat daar een rechtmatige verplichting aan ten grondslag ligt​.

4. Rol van huwelijkse voorwaarden of samenlevingscontracten

Voor ongehuwde samenwonenden is het belangrijk om de financiële afspraken schriftelijk vast te leggen in een samenlevingscontract. Hoewel een samenlevingscontract niet dezelfde juridische werking heeft als huwelijkse voorwaarden, kunnen de partijen hierin wel bepalingen opnemen over de verdeling van vermogens, de woning, en eventuele vergoedingsrechten bij beëindiging van de relatie. Dit biedt rechtszekerheid en voorkomt geschillen bij de verdeling van gezamenlijke eigendommen​​.

Een voorbeeld is het afspreken van een verdelingsclausule die bepaalt dat als een van de partners met eigen vermogen bijdraagt aan een gezamenlijk goed, dit bedrag bij het einde van de relatie terugbetaald moet worden. Dit kan geschillen voorkomen over de vraag of er sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking​​.

5. Conclusie: Voorkom onduidelijkheden met contracten

De uitspraak van de Hoge Raad onderstreept het belang van duidelijke afspraken tussen ongehuwd samenwonenden. Vergoedingsrechten zoals die gelden voor gehuwden of geregistreerde partners zijn niet van toepassing op samenwoners zonder formeel contract. In plaats daarvan moet een beroep worden gedaan op het algemene vermogensrecht, zoals ongerechtvaardigde verrijking. Dit maakt het des te belangrijker voor samenwonenden om hun afspraken goed vast te leggen in een contract. Door een samenlevingscontract op te stellen kunnen partners zich wapenen tegen toekomstige geschillen.

Heeft u vragen over vergoedingsrechten of wilt u hulp bij het opstellen van een samenlevingscontract? Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten ().

Internationaal Alimentatierecht: Welke rechter is bevoegd, welk recht is toepasselijk?

Woont u buiten Nederland en hebt u te maken met alimentatie recht- of onderhoudsverplichting jegens een partner of kinderen, dan is het essentieel om vast te stellen welke rechter in Nederland of een ander land bevoegd is, en welk recht dient te worden toegepast. De uitkomst van een procedure kan per geval sterk wisselen.

Als u te maken heeft met problemen rond de vaststelling of incasso van alimentatie met internationale aspecten, is het belangrijk om te begrijpen hoe het internationaal alimentatierecht en de Europese Alimentatieverordening functioneren. Deze regelgeving is van essentieel belang bij grensoverschrijdende alimentatiezaken, maar is tegelijkertijd dermate complex dat degelijke rechtsbijstand noodzakelijk is.

Erkenning en Tenuitvoerlegging van Buitenlandse Beslissingen

Gaat het om een reeds bestaande beslissing die door een buitenlands rechter is gegeven, dan is het belangrijk om te kunnen bepalen of die beslissing in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Een cruciaal aspect van het internationaal alimentatierecht is de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen. Hierbij zijn onder meer de volgende regelgevingen en verdragen van belang:

In de meeste gevallen zal een buitenlandse beslissing, mits voorzien van een zogenaamd Europees certificaat, in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. Voor meer informatie over ten uitvoerlegging van beschikkingen en incasseren van alimentatie leest u hier meer.

Is er nog geen beslissing, of is er een beslissing die dient te worden gewijzigd, omdat de inhoud niet meer beantwoord aan de feitelijke situatie – en dient over de alimentatie een procedure te worden gevoerd, dan is het van belang vast te stellen of de Nederlandse dan wel een buitenlandse rechter bevoegd is om over de vordering te oordelen. Dus bevoegdheid van de rechter moet eerst door de rechter zelf worden vastgesteld, alvorens hij een inhoudelijke beslissing kan geven. Ook de regels over de bevoegdheid van de rechter zijn bij grensoverschrijdende alimentatiegeschillen complex. In de meeste gevallen geldt binnen Europa de Europese Alimentatieverordening van 2008.

Belangrijkste Bronnen van Internationaal Alimentatierecht

Het internationaal alimentatierecht bestaat uit diverse bronnen, waaronder:

De Europese Alimentatieverordening

De Europese Alimentatieverordening speelt een centrale rol in grensoverschrijdende alimentatiezaken binnen de EU. Deze verordening bepaalt:

  • Welke rechtbanken bevoegd zijn om alimentatiezaken te behandelen (Artikelen 1 lid 1, 3 e.v., 75, 76 Alimentatie Verordening).
  • Forumkeuze en stilzwijgende forumkeuze (Artikelen 4, 5 Alimentatie Verordening).
  • Subsidiaire aanknoping en forum necessitatis (Artikelen 6, 7 Alimentatie Verordening).
  • Verzoeken tot wijziging van alimentatiebeslissingen (Artikel 8 Alimentatie Verordening)​​.

Toepasselijk Recht

Bij het vaststellen van alimentatie dient de Nederlandse rechter het toepasselijke recht te bepalen. Dit kan Nederlands of buitenlands recht zijn, afhankelijk van de omstandigheden. De regels hiervoor zijn vastgelegd in het Haags Alimentatie Protocol 2007 (Artikelen 3-8)​​.

Voor zowel de alimentatiegerechtigde als de alimentatieplichtige is het belangrijk te weten welk mogelijkheden er zijn voor de keuze van het toepasselijk recht. In enkele gevallen, zoals voor kinderbijdragen, bieden de regels weinig speelruimte, en zijn dwingend recht. Men kan daar niet van afwijken. In gevallen van partneralimentatie is dat anders. Zowel door een gezamenlijke keuze van partijen als door de keuze van één partij om de procedure bij de rechter in het ene dan wel het andere land aan te vangen kan de uitkomst van een procedure worden beïnvloed. Die keuzemogelijkheid is echter in sommige gevallen weer beperkt door de bescherming die bijvoorbeeld de alimentatiegerechtigde geniet. De regels hierover zijn complex en het is dus aan te bevelen om vooraf een degelijk advies in te winnen over de processtrategie. Die strategie kan dus zowel de aanvang van de procedure als het te voeren verweer – indien de procedure reeds is aangevangen – omvatten.

Conclusie

Ex-partners die te maken hebben met internationale alimentatiekwesties staan voor complexe juridische uitdagingen. Kennis van zowel nationale als internationale regelgeving, waaronder de Europese Alimentatieverordening en het Haags Alimentatie Protocol, is essentieel. Deze wetten en verdragen bieden een raamwerk voor de vaststelling, wijziging, en incasso van alimentatie over de grenzen heen. Bij problemen of onduidelijkheden is het raadzaam juridisch advies in te winnen bij advocaten.nl. U kunt daarvoor een email zenden aan info@advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Afhandeling van Echtscheiding en Verdeling Gemeenschappelijk Vermogen

De gemeenschap van goederen wordt beëindigd zodra het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend. Vanaf dat tijdstip zijn de echtgenoten niet langer aansprakelijk voor nieuwe schulden die door de andere echtgenoot worden aangegaan.

Bij een echtscheiding is de verdeling van gemeenschappelijk vermogen of de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden een belangrijk proces. In Nederland trouwen de meeste paren in gemeenschap van goederen, waarbij alle bezittingen en schulden worden gedeeld. Dit omvat zaken als de woning, inboedel, auto’s, banktegoeden, spaarpolissen, schulden, maar ook een eigen bedrijf of aandelen in een BV. Uitzonderingen zijn erfenissen of schenkingen die met een uitsluitingsclausule zijn verkregen, waardoor ze privébezit blijven​.

Procedure bij Echtscheiding

Tijdens de echtscheidingsprocedure worden afspraken gemaakt over de verdeling van het vermogen. Standaard wordt alles gelijk verdeeld na het vaststellen van wat tot de huwelijksgemeenschap behoort. De verdeling, inclusief de afhandeling van eventuele schulden, wordt bij voorkeur vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Als er geen overeenstemming is, kan de rechter een beslissing nemen met hulp van deskundigen zoals een makelaar of accountant.

Beëindiging van de Gemeenschap van Goederen

De gemeenschap van goederen eindigt op het moment dat het echtscheidingsverzoek wordt ingediend. Vanaf dat moment zijn de echtgenoten niet meer verantwoordelijk voor nieuwe schulden die door de ander worden aangegaan​​.

Verschillende Vormen van Vermogensverdeling

  1. Gemeenschap van Goederen: Alles wat het echtpaar bezit en schulden zijn gezamenlijk. Vermogen moet ‘in redelijkheid en billijkheid’ worden verdeeld, soms door de ex-partner uit te kopen​​.
  2. Beperkte Gemeenschap van Goederen: Voor huwelijken na 1 januari 2018 geldt vaak deze vorm. Vermogen verkregen vóór het huwelijk blijft privé, en vermogen opgebouwd tijdens het huwelijk wordt als gezamenlijk beschouwd​
  3. Huwelijkse Voorwaarden: Hier worden voorwaarden opgesteld voor het vermogen. Bij een verrekenbeding moet er jaarlijks een verrekening plaatsvinden van het gezamenlijk opgebouwde vermogen​

Bovenstaand biedt enig inzicht in de complexe aspecten van vermogensverdeling bij echtscheidingen in Nederland. Voor gedetailleerd advies en juridische bijstand, bezoek advocaten.nl en 0900-advocaten.

Verzwijging Van Goederen Bij Verdeling En Verbeuring

De Hoge Raad heeft bevestigd dat voor de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW enkel daadwerkelijk weten van de deelgenoot over het behoren van het goed tot de gemeenschap vereist is. De sanctie vervalt niet door inkeer, behoudens bijzondere omstandigheden.

Wat is de reikwijdte Sanctie Artikel 3:194 Lid 2 BW volgens Hoge Raad Uitspraak

De Hoge Raad heeft op 31 maart 2017, onder zaaknummer ECLI:NL:HR:2017:565, een belangrijke uitspraak gedaan over de reikwijdte van de sanctie in artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze bepaling houdt in dat een deelgenoot in een gemeenschap die opzettelijk goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in deze goederen verliest ten gunste van de overige deelgenoten.

In deze zaak was de vraag of voor het toepassen van deze sanctie het voldoende is dat de deelgenoot die het goed verzwijgt of verbergt, behoorde te weten dat dit goed tot de gemeenschap behoort. De Hoge Raad bevestigde dat enkel het ‘behoren te weten’ niet voldoende is om de sanctie toe te passen. Het vereiste van opzet kan niet worden geobjectiveerd; de deelgenoot moet daadwerkelijk weten dat het goed tot de gemeenschap behoort.

De Hoge Raad onderzocht tevens of de sanctie vervalt als de deelgenoot die het goed verzwegen heeft, tot inkeer komt. De Hoge Raad bevestigde dat de sanctie niet vervalt door inkeer, tenzij er sprake is van omstandigheden die een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. Dit standpunt onderscheidt zich van de regel in artikel 1:135 lid 3 BW, waar een sanctie pas van toepassing is na verrekening van het vermogen tussen echtgenoten.

Het arrest van het hof in deze zaak werd echter vernietigd door de Hoge Raad. Dit was vanwege een fout in de beoordeling van de fiscale gevolgen van de verzwijging door het hof, waarmee het buiten de grenzen van de rechtsstrijd trad.

Voor een volledige inzage in de uitspraak, bezoek ECLI:NL:HR:2017:565.

Wilt u meer weten over de gevolgen en mogelijkheden bij verzwijging van gemeenschapsgoederen, stel aan vraag aan advocaten.nl of bel met 0900-advocaten

Gemeenschapsschuld na een echtscheiding

Dit artikel bespreekt de gemeenschapsschuld na een echtscheiding, waarbij wordt ingegaan op draagplicht, verknochtheid en redelijkheid en billijkheid. Het legt uit wanneer schulden als verknocht worden beschouwd en hoe een beroep op redelijkheid en billijkheid kan worden gedaan. Daarnaast wordt het automatisch verdelen van pensioen bij echtscheiding besproken.

De belangrijkste elementen waarmee rekening wordt gehouden omvatten de draagplicht, verknochtheid en de redelijkheid en billijkheid.

Wat betekenen deze begrippen en in hoeverre kunnen ze een oplossing bieden? Sinds 1 januari 2018 is de Wet beperkte gemeenschap van goederen van kracht. Vanaf deze datum trouwt u in een beperkte gemeenschap van goederen. Vóór 1 januari 2018 waren alle schulden en bezittingen die vóór het huwelijk van u persoonlijk waren, automatisch ook schulden en bezittingen van uw echtgenoot.

Wijziging na 1 januari 2018

Als u na 1 januari 2018 in het huwelijk treedt, blijven uw schulden en bezittingen die u vóór het huwelijk had, uw persoonlijke verantwoordelijkheid. Bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk ontstaan, zijn gezamenlijk eigendom van u en uw echtgenoot. Natuurlijk kunt u huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden opstellen om de bezittingen en schulden na het huwelijk gescheiden te houden. Deze situatie verandert niet door de nieuwe wet. Dit artikel behandelt de gemeenschap van goederen van vóór 1 januari 2018. Laten we een studieschuld als voorbeeld nemen. Meestal is zo’n schuld vóór het huwelijk aangegaan door één van de echtgenoten. Dit betekent echter niet dat beide echtgenoten niet verantwoordelijk zijn voor de aflossing van deze schuld. In principe zijn beide echtgenoten elk voor de helft verantwoordelijk voor de gemeenschapsschuld, maar wat houdt draagplicht precies in? Het begrip draagplichtig – in deze context – verwijst naar de verplichte (maandelijkse) bijdrage die u moet betalen aan uw voormalige partner met betrekking tot een schuld die moet worden afgelost. Draagplicht draait om de vraag wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor de aflossing van de schuld. Een studieschuld valt onder de huwelijksgemeenschap en wordt dus gedragen door beide echtgenoten, tenzij deze schuld als verknocht wordt beschouwd. Maar wat betekent verknochtheid eigenlijk en valt een studieschuld hieronder?

Wat betekent verknochtheid?

Bij een echtscheiding worden alle schulden, zowel vóór als tijdens het huwelijk, ongeacht wie van de (ex-)echtelieden deze is aangegaan en ongeacht aan wie ze toebehoren, beschouwd als gemeenschapsschulden. Er zijn slechts drie uitzonderingen op deze regel in de wet:

  • Goederen en schulden die aan een echtgenoot zijn geschonken;
  • Een erfenis met uitsluitingsclausule;
  • Goederen en schulden die als verknocht worden beschouwd.

Verknochtheid verwijst naar individueel eigendom van goederen en schulden die (gedeeltelijk of volledig) buiten de gemeenschap van goederen vallen. Bij verknochte goederen en schulden gaat het om bezittingen en schulden die zo persoonlijk zijn dat ze betrekking hebben op het privévermogen van de betreffende echtgenoot. Persoonlijke bezittingen, zoals sieraden, collecties of hobbygerelateerde items, kunnen als verknocht worden beschouwd. Volgens de jurisprudentie kunnen goederen of schulden als verknocht worden beschouwd als ze als uiterst persoonlijk worden beschouwd. Voorbeelden van zulke hoogstpersoonlijke zaken kunnen onder andere invaliditeitspensioenen, overbruggingsuitkeringen en smartengelduitkeringen zijn. Deze voorbeelden worden als dusdanig persoonlijk beschouwd dat ze als verknocht worden beschouwd.

Is een studieschuld dan niet een uiterst persoonlijke schuld?

Een beroep op de verknochtheid van een goed of schuld wordt in zeer uitzonderlijke gevallen gehonoreerd. In de praktijk zal een beroep op verknochtheid zelden slagen als het gaat om de draagplichtverhouding met betrekking tot een schuld. Een dergelijk beroep kan echter succesvol zijn als de draagplichtverhouding onredelijk is op basis van redelijkheid en billijkheid. Laten we eerst verduidelijken wat redelijkheid en billijkheid precies betekenen.

Wat bedoelen we met redelijkheid en billijkheid?

De wet is van toepassing op iedereen en op elke situatie. In verreweg de meeste gevallen leidt de wet tot een eerlijke en rechtvaardige uitkomst. Toch zijn er uitzonderingen waarin de uitkomst niet eerlijk is en dus niet in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid. De vraag is dan: is het redelijk en billijk? De uitdaging is om de rechter ervan te overtuigen om hetgeen tussen partijen is overeengekomen aan te passen of buiten beschouwing te laten.

Wat betekenen redelijkheid en billijkheid in deze context?

Terugkomend op de studieschuld: is het redelijk en billijk dat een voormalige echtgenoot deze schuld aflost, terwijl het niet zijn/haar uiterst persoonlijke schuld is? In zo’n geval kan de rechter de echtgenoot die niet de studieschuld heeft aangegaan tegemoetkomen. Er wordt dan gekeken naar het doel van de studielening en hoe deze lening zou zijn afgelost als de partijen bij elkaar waren gebleven. De echtgenoot met de studieschuld zou in dat geval meer hebben afgelost, omdat het zijn/haar eigen uiterst persoonlijke studieschuld is. Door de echtscheiding bevindt de echtgenoot met de studieschuld zich in een gunstigere positie, terwijl de gevolgen van de lening door de echtscheiding voor de andere echtgenoot veel zwaarder kunnen wegen. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat door de aflossing de kinderalimentatie niet kan worden betaald of dat de benadeelde echtgenoot maandelijks moeite heeft om rond te komen. Een dergelijk geval als hierboven beschreven kan als uitzonderlijk worden gekwalificeerd. De echtgenoot die wordt belast met het betalen van de studieschuld van zijn/haar ex-partner kan nog sterker staan als de studieschuld vóór het huwelijk is aangegaan en bovendien verzwegen is. Bovendien is een studielening bedoeld om een opleiding te financieren waar alleen degene die de lening heeft afgesloten, baat bij zal hebben. Als de opleiding niet is afgerond, kan de omvang van de schuld worden beperkt door te stoppen met de opleiding en het lenen. Er zijn tal van redenen om het begrip ‘uiterst persoonlijk’ aan te kaarten en zo sterker te staan.

Gevolgen van een succesvol beroep op redelijkheid en billijkheid Als voldoende kan worden aangetoond dat de schuld uiterst persoonlijk is, kan worden afgeweken van de hoofdregel van gelijke verdeling van de gemeenschap. Er moeten echter voldoende feiten en omstandigheden worden aangedragen door de benadeelde partij om dit te laten slagen. Het resultaat van een succesvol beroep is een herziene verdeling van de draagplichtverhouding (verplichte maandelijkse bijdrage voor de schuldaflossing). Het kan ook voorkomen dat de draagplichtverhouding dusdanig onaanvaardbaar is dat degene die de schuld is aangegaan, de schuld volledig moet dragen.

Lees meer in het artikel op advocaten.nl of bel met 0900-advocaten.

Dwangsom Voor De Moeder Die Pakjesavond Bij Vader Tegenhoud

Pakjesavond, kerstviering en Nieuwjaar staan elk jaar gerant voor fikse ruzies tussen ouders over de omgang en de uitvoering van de omgangsregeling.

Pakjes avond, kerstviering en Nieuwjaar staan elk jaar gerant voor fikse ruzies tussen ouders over de omgang en de uitvoering van de omgangsregeling.

Zo ook in geval van de ouders die scheidden in 2019, een omgangsregeling hadden en ook gezamenlijk het ouderlijk gezag.

De vader wilde met hun 5-jarige zoon op 5 december sinterklaas pakjesavond vieren, samen met zijn nieuwe partner en hun kinderen. Zoals vaker gebeurd ontstaat dan een conflict, min of meer ingegeven door afgunst, overbezorgdheid over het welzijn van het kind, de nieuwe partner of om andere redenen. In dit geval weigerde de moeder medewerking aan de omgang van de zoon tijdens pakjesavond, omdat dit volgens haar ‘te vermoeiend’ voor haar zoon zou zijn. Deze had dezelfde dag ook op school al sinterklaasviering, en moest ook naar een belangrijke zwemles.

Hoewel men zich afvraagt waarom het noodzakelijk is voor dergelijke zaken aar de rechter te stappen, deed de vader dit toch. En dwangsom werd gevorderd, voor het geval de moeder aan deze omgang niet zou meewerken.
De rechter wees de vordering toe, inclusief de dwangsom.

In veel uitspraken wordt een dwangsom in dergelijke vordering in eerste instanties afgewezen. Pas nadat een ouder structureel en zonder goede reden de omgangsregeling met de andere ouder frustreert, gaat de rechter er toe over zwaardere maatregelen te nemen.