Verschil maatschap en vof gaat verdwijnen

De Wet Modernisering Personenvennootschappen maakt een einde aan de onduidelijke verschillen tussen de maatschap en de VOF. Uiteindelijk blijven alleen de CV en de VOF

De maatschap en de vennootschap onder firma (VOF) zijn 2 zeer populaire en daarom veel gebruikte ondernemingsvormen voor samenwerkende ondernemers

De beide personenvennootschappen zijn verschillende in oprichting, de interne en externe aansprakelijkheid.

De andere vorm van de personenvennootschap is de commanditaire vennootschap. (CV) En nieuwe wet zal  het verschil tussen maatschap en vof gaan beëindigen, zodat alleen nog verschillen zullen bestaan tussen de commanditaire vennootschap en de vennootschap onder firma.

In beginsel zal in het wetboek van koophandel en het burgerlijk wetboek (titel 9) de benaming ‘maatschap’ of ‘vennootschap onder firma’ blijven bestaan, maar de verschillen verdwijnen.

De belangrijkste regels voor deze uniforme personenvennootschap zijn
– hoofdelijk aansprakelijkheid  voor de hele schuld van de entiteit
– de mogelijkheid van  verpanding van de aanspraak op winst
– toewijzing van een individuele  aansprakelijkheid aan één vennoot in geval van een enkele opdracht;
– de mogelijkheid tot het verlenen van rechtspersoonlijkheid aan de personenvennootschap, o.a. ten behoeve van (het gemak voor) het in of uittreden van vennoten.
Wanneer de wetswijziging (Wet modernisering personenvennootschappen) gaat is nog onbekend.

Hebt u vragen over de gevolgen van deze wetgeving op uw samenwerkingsvorm, bel 0900-advocaten of zend een e-mail aan advocaten.nl

Invoering Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022

Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022 brengt eenvoud en gemak, door de verdeling automatisch te regelen bij wet. Na de scheiding treedt de verdeling automatisch in voor de gewone pensioenaanspraken. De pensioenmaatschappij heeft nu een taak om de gevolgen voor het pensioen te melden bij de pensioengerechtigden, en wijziging door te voeren. Niet iedereen is blij.

Op 1 juli 2022 is de invoering van de nieuwe Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022 gepland.

Na invoering geldt, indien een echtscheidingsverzoek is ingediend ná 1 juli 2022, uitsluitend deze wet voor de verdeling van pensioen. Zoals gewoonlijk is ook in dit geval “the proof in the pudding”. Nog voor dat de wet werking heeft zijn er al partijen, waaronder de pensioenuitvoerders, die beren op de weg zien.

Voorgeschiedenis: Scheidingen vóór 1981

Het opbouwen van een pensioen is pas na de 2e wereldoorlog gebruik geworden. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werd meestal alleen door de kostwinner (lees: de man) pensioen opgebouwd. Bij een echtscheiding hoefde het door de man opgebouwde pensioen niet worden verrekend, ook indien partijen in gemeenschap waren gehuwd. Een huwelijk in gemeenschap van goederen was in die jaren de meest voorkomende vorm. De reden was dat de pensioenaanspraak “juridisch verknocht was” aan (de persoon van) man; verknochtheid verwijst naar individueel eigendom van goederen én schulden die wegens hun karakter buiten de gemeenschap van goederen vallen.

Scheidingen vanaf 1981 tot 1 mei 1995

Maatschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot het Boon/Van Loon-arrest uit 1981: gehuwden, mits in gemeenschap gehuwd, dienden over te gaan tot “verrekening”. Dat is dus nog steeds geen verdeling, maar de trend was gezet; een pensioen tijdens een huwelijk opgebouwd is bedoeld voor beide partners en bij scheiding dienen zij beiden hun (gedeelde aanspraak te behouden. Verrekening betekent dat het pensioen bij één partij blijft, maar de andere partner wordt gecompenseerd. Een onbedoeld gevolg was dat de gehele aanspraak in de verrekening wordt betrokken, dus vanaf de eerste dag van de opbouw. Dit lijkt onredelijk, indien de aanspraak al jaren vóór het huwelijk is opgebouwd, en het huwelijk maar kort heeft geduurd.
De uitspraak heeft werking voor alle huwelijken die zijn ontbonden vóór 1 mei 1995.

Scheidingen vanaf 1 mei 1995

Daarna is de wet verevening pensioenrechten bij scheiding van kracht geworden: de pensioenverevening wordt de norm. Partijen hebben elk een tijdsevenredige aanspraak die dient te worden verdeeld (“verevend”) waarbij rekening wordt gehouden met de duur van het huwelijk. Dus pensioenaanspraken worden voor die verevening eerst herberekend naar een tijdsevenredige aanspraak die wordt vastgesteld aan de hand van de duur van het huwelijk.

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) is geldend recht tot 1 juli 2022. In deze wet wordt alleen het ouderdomspensioen betrokken. Het partnerpensioen, dat de andere partner zou ontvangen bij vóór-overlijden van de pensioengerechtigde partner, viel niet onder de WVPS. Deze aanspraak werd na de scheiding omgezet in een bijzonder partnerpensioen, maar werd wel verrekend bij de vaststelling van de hoogte van het te verevenen pensioen.

De hoofdregel is volgens de WVPS 50%-50% verevening van tijdens huwelijk opgebouwd ouderdomspensioen. De wet geeft echter mogelijkheden om daarvan af te wijken bij overeenkomst.

Die afwijkingen betreffen de verhouding in percentage opbouw of uitkering, de berekening van de opbouw over een andere periode, of volledig afstand. Ook is er de optie van de conversie: de vereveningsgerechtigde partner heeft geen vordering meer die is afgeleid van het pensioen van de aanspraakgerechtigde partner, maar krijgt een volledige onafhankelijke pensioen aanspraak. Een partnerpensioen, dat afhankelijk is van de andere partner, verdwijnt daarmee.

De WVPS behoudt de komende jaren nog gewoon haar werking voor huwelijken die na 1 mei 1995, maar vóór 1 juli 2022 zijn ontbonden.

Scheidingen vanaf 1 juli 2022?

De voordelen van conversie, hiervoor al genoemd, zijn legio. Eén belangrijk voordeel is onder ander dat de ex-partners en hun pensioenregeling, volledig van elkaar los komen. Helaas was in de oude wet na 1 mei 1995 die conversie geen standaardregeling, en partijen dienden bij of na de scheiding zelf actie te ondernemen om de conversie tot stad te brengen. Ook de verdeling zelf, zelfs indien er geen afwijkende afspraken werden gemaakt, dienden partijen zelf binnen 2 jaar na de scheiding te melden bij hun pensioenmaatschappij. Deden zij dat niet, dan geldt de oude regel: de ene partner moet na de pensioendatum zelf zijn aanspraak “ophalen” bij de andere partner. Daar ging het vaak mis door onbekendheid met de regels of stilzitten van één of beide partners. Dit is de afgelopen decennia de oorzaak voor vele rechtbankprocedures, die nog 30 jaar (!) na de scheiding kunnen plaatsvinden tussen ex-partners.

Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022 (Wps 2022) brengt eenvoud en een belangrijke aanpassing, door de verdeling automatisch te regelen bij wet. Nadat een echtscheiding is ingeschreven in de registers, en daardoor een rechtsfeit is, treedt het gevolg van deze wet automatisch in voor de gewone pensioenaanspraken die onder deze wet vallen. De pensioenmaatschappij heeft nu zelf een taak om de gevolgen voor het pensioen te melden bij de pensioengerechtigden, en dient zelf de wijziging door te voeren. (makkelijk!)

Voor echtscheidingen die worden ingeschreven vanaf 1 juli 2022 wordt ook de pensioenconversie standaard uitgevoerd. Elke ex-partner krijgt automatisch een eigen aanspraak op ouderdomspensioen, en de ex-partners hoeven dit niet meer zelf in gezamenlijk overleg te regelen en aan de pensioemaatschappij te melden.

Daarmee is ook een einde gekomen aan de afhankelijkheid van de (medewerking) van de verdelingsplichtige bij de pensioenverdeling. Er is dus aanzienlijk minder aanleiding voor gerechtelijk procedures na de echtscheiding of in het zicht van de pensioendatum van de pensioengerechtigde ex-partner. Voorts blijft de verdelingsgerechtigde gewoon dezelfde pensioenuitkering ontvangen na het overlijden van de pensioengerechtigde (verdelingsplichtige) ex-partner.

Ten aanzien van het bijzonder partnerpensioen is tevens een wijziging in de wet opgenomen. Dit bijzonder partnerpensioen wordt het nabestaandenpensioen genoemd. In de oude wet WVPS wordt deze berekend over de opbouw van zowel vóór het huwelijk als tijdens het huwelijk. In de nieuwe wet is er meer evenwicht. Voor de hoogte van het te converteren pensioen wordt slecht rekening gehouden met pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd.

De wet geeft ex-partners na de scheiding direct hun financiële zelfstandigheid.

De wet bevat één nadeel. De gevolgen van de wet, ook als die automatisch intreed door het stilzitten van partijen, is onomkeerbaar. Dit geldt dus zowel voor de gevolgen die automatisch intreden, omdat partners géén keuze maken, als voor de gevolgen bij een afwijkende keuze. Men kan dus de conversie, eenmaal uitgevoerd, niet weer ongedaan maken. Wie bijvoorbeeld niet de conversie wenst moet dat tijdens na de scheiding direct doorgeven, omdat zij het risico lopen dat een afwijkende keuze niet meer mogelijk is.

Dit nadeel is de reden dat het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie hebben laten weten bezorgd te zijn over de invoering van de wet op 1 juli 2022, en zij willen uitstel van de invoering, om nog reparatiewetgeving uit te voeren.

Er zijn immers veel redenen om af te wijken van een automatische conversie. Er kunnen immers zeer goede redenen  zijn om af te wijken van de standaard fiftyfifty verdeling en conversie. Het huwelijksvermogen is immers in elk huwelijk afwijkend, en pensioen is slechts één bestanddeel die moet worden verdeeld. Door ten aanzien van één bestanddeel de verdeling automatisch te regelen, kan het zijn dat verdeling van andere goederen bijzonder aandacht verdiend. Een echtelijke woning op beider namen wordt immers ook niet volgens de wet aan ieder bij helfte toegedeeld, ook niet ten aanzien van de overwaarde.

Meer informatie over scheiden en pensioenverdeling, bel met 0900-advocaten of zend een email aan info@advocaten.nl.

Hoe lang is een executoriale titel geldig?

Hoe lang is een vonnis geldig, en hoe lang kan een proces-verbaal akte ten uitvoer worden gelegd? En hoe voorkom ik de verjaring van een vordering? Lees hier meer.

Een titel is een gerechtelijk grondslag waar in een bepaalde vordering of rechtstoestand is gevat. Een executoriale titel is wat het woord al zegt; men kan er mee ingrijpen in rechten en eigendommen van anderen. Dat ingrijpen is bij de wet voorbehouden aan de gerechtsdeurwaarder. Met  een executoriale titel kan een deurwaarder goederen in beslag nemen en rekeningen bevriezen en goederen en geld overdragen aan de houder  van deze titel, zodat de eigendom of de vordering definitief veranderd. Dit is de ultieme bevoegdheid in een rechtsstaat, waarmee bepaalde rechten en plichten kunnen worden afgedwongen, teneinde de feitelijke toestand in overeenstemming met de rechtstoestand te krijgen.

Alleen een deurwaarder kan dat, en de wet bepaalt in artikel 430 Rv wat onder een titel met executoriale  kracht wordt verstaan: Dit zijn

  • uitspraken van de Nederlandse rechter;
  • in Nederland verleden authentieke akten, zoals een notariële akten of een dwangbevel van een belastinginspecteur;
  • andere titels die de wet aanwijst, zoals een proces-verbaal van een regeling die voor een rechter is opgemaakt of een arbitrale vonnis mits voorzien van een verlof voor executie.

De meest voorkomende titel is natuurlijk de notariële akte, bijvoorbeeld die van een geldlening, zoals een hypotheekakte.

Termijnen

Titels hebben geen onbeperkte gelding. Zodra een bepaalde termijn is verstreken kan de titel nog wel bestaan, maar niet meer ten uitvoer worden gelegd. Voor meer over verjaringstermijnen in het algemeen leest u meer in dit artikel. Om verrassingen te voorkomen, en tijdig maatregelen te nemen om verjaring van een vordering te voorkomen, is het van belang om de in de wet gehanteerde verschillende verjaringstermijnen te kennen in.

De rechterlijke uitspraak

Een rechterlijke uitspraak kan gedurende twintig jaar ten uitvoer worden gelegd. Laat men 20 jaar verstrijken zonder de titel te gebruiken waarvoor het is bedoeld, dan kan de deurwaarder deze niet meer executeren: Artikel 3:324 lid 1 BW. Dit geldt voor de hoofdvordering die in een uitspraak is genoemd.
In veel uitspraken staan ook (neven)vorderingen die samenhangen met de hoofdvordering, bijvoorbeeld de wettelijke rente, die loopt over de hoofdvordering, zolang deze niet is betaald. De wet bepaalt dat deze rente is onderhevig is aan een verjaringstermijn vijf jaar, teneinde te voorkomen dat de vordering tot onredelijke hoogte onredelijk oploopt. Een zeer kleine vordering zou na 30 jaar rente immers een enorme vordering kunnen worden, hetgeen maatschappelijk als ongewenst wordt beschouwd.

Een ander voorbeeld van zo`n neven veroordeling is de dwangsom, die wordt verbeurd indien de veroordeelde niet voldoet aan het vonnis. Een dwangsom heeft een verjaringstermijn van zes maanden, wederom om te voorkomen dat iemand bij niet naleving van een veroordeling in een vonnis na vele jaren nog kan worden geconfronteerd met een financiële strop, die eigenlijk alleen was bedoeld om de veroordeelde te prikkelen om “direct”de veroordeling na te leven. (artikel 611g Rv).

Vordert degene, die het vonnis kan afdwingen, die naleving niet, dan is klaarblijkelijk het belang om aan het vonnis te voldoen niet zo groot. Een dwangsom is immers niet bedoelt als extra straf die ten voordele van de andere partij dient te leiden.

Een overeenkomst in een proces-verbaal

Soms zijn partijen in een procedure verwikkeld, maar vraagt de rechter aan partijen of zij niet bereid zijn hun geschil bij te leggen, dat wil zeggen dat partijen hierover samen een schikking treffen, waarbij beide partijen meestal water bij de wijn doen.

Er zijn enkele voordelen aan een schikking: partijen nemen hun lot in eigen handen, en de rechter doet geen eenzijdige uitspraak over het geschil. Een gerechtelijke uitspraak kan immers in veel gevallen voor één partij zeer nadelig uitvallen, en soms is het van te voren niet te voorspellen naar welke kant het kwartje valt. Het bespaart bovendien kosten van de verdere procedure, omdat deze bij een schikking meteen teneinde komt. Hoger beroep is uitgesloten. En bovendien worden er ook meestal afspraken gemaakt over de wijze waarop de schikking wordt uitgevoerd. Dat hoeft dus niet via een deurwaarder die de titel “executeert”, maar gaat geheel vrijwillig. Ook dat bespaart kosten, frustratie en vertraging

Zo`n schikking kan natuurlijk in een vonnis worden opgemaakt, en dat geldt hetgeen hierboven staat over de executie van gerechtelijke uitspraken. Maar in veel gevallen gebeurt dat in de vorm van een zogenaamd “proces-verbaal”, ten overstaan van een rechter in een rechtszitting. Dit proces-verbaal wordt dan weliswaar in executoriale vorm opgemaakt, (bovenaan staat “In Naam Der Koning”) en kan door een deurwaarder ten uitvoer worden gelegd, maar is toch wezenlijk anders dan een vonnis. Een proces-verbaal bevat immer een partijovereenkomst, terwijl een vonnis een eenzijdige uitspraak van een rechter bevat.

Omdat artikel 3:324 BW een 20 jarige termijn stelt, waarna de executiebevoegdheid eindigt, is de vraag voorgelegd of die termijn ook geldt voor dergelijke partijovereenkomsten, die in een proces verbaal ten overstaan van een rechter zijn vastgelegd. Met andere woorden, kan zo`n afspraak gewoon 20 jaar gelden tussen partijen, en ook door een deurwaarder worden afgedwongen.

De Hoge Raad heeft in een arrest 27-11-2015 (ECLI:NL:HR:2015:3423) hierover een uitspraak gedaan die alle deurwaarders dienen te volgen.  De Hoge Raad overweegt dat het overwegende karakter van een dergelijk proces-verbaal toch niet meer is dan een vorderingsrecht van één partij jegens de ander, en dat daarom de gewone verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing is, zoals voor alle gewone vorderingen bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW.

Vonnis of proces-verbaal

Het is dus aan te bevelen om in een procedure, waar partijen een schikking overwegen, toch nog eens goed na te denken over de uitvoerbaarheid aan het einde van het traject, zeker indien er bij voorbaat twijfel is over de nakoming van een regeling. Is er twijfel dan kan het geen kwaad om de rechter en de wederpartij te bewegen om in plaats van een proces-verbaal te maken, een vonnis te wijzen waarbij partijen eerst over en weer hun eis of verweer wijzigen, en gezamenlijk daarover een uitspraak te vragen ( waarvan de uitkomst tevoren met de rechter is besproken en dan eigenlijk al vaststaat). Een vonnis kan immers 20 jaar ten uitvoer worden gelegd, een proces-verbaal maar 5 jaren.

Dit laatste geldt vanzelfsprekend ook voor de andere zeer belangrijke titel, de notariële akte die in executoriale vorm is opgemaakt. In een notariële akte kan bijvoorbeeld een geldlening worden gevat, maar ook hier geldt dat het karakter een gewone rechtsvordering is, waarvoor de korte verjaringstermijn van 5 jaar geldt .

De verjaring is overigens een termijn die met in beginsel tot het oneindige kan voorkomen, door de zogenaamde stuiting. Meer over deze stuiting leest u in een volgend artikel.

Wilt u meer weten over de tenuitvoerlegging van een vonnissen, een proces verbaal of een notariële akte, bel dan 0900-advocaten of stuur een email aan advocaten.nl

Schenking door ouderen en wilsbekwaamheid

Onderzoeksresultaten gepubliceerd in het Journal of Alzheimer’s Disease suggereert een verband tussen de bereidheid geld weg te geven en de vroegste stadia van de ziekte van Alzheimer. Om ouderen te helpen beschermen tegen financiële uitbuiting proberen onderzoekers te begrijpen wie het meeste risico loopt.

Na het overlijden komen erfgenamen in bezit van de nalatenschap van een ouder of partner. Hoe het beheer, de vaststelling van de omvang en de verdeling plaatsvindt kunt u lezen in andere artikelen op deze website over dit onderwerp

Regelmatig komt het voor dat erfgenamen worden geconfronteerd met uitgaven die kort voor het overlijden zijn gedaan, of schenkingen door de overledene bij leven nog aan familieleden of derden gedaan.
De twijfel die som kan ontstaan betreft de vraag of de erflater ten tijde van die schenking nog wilsbekwaam was. Ook kan er regelrecht sprake zijn van uitbuiting of misbruik van de erflater in kwestie, die in de laatste levensfase aan familie of derden de beschikking gaf over bankgegevens of een machtiging om uitgaven te doen.

Indien er twijfels bestaan over de rechtmatigheid van schenkingen is een belangrijke maatstaf of er een notariële schenkingsakte opgemaakt. Een persoon die zelfstandig beslissingen kan nemen en de gevolgen van daarvan begrijpt, is wilsbekwaam.
Is er een schenking gedaan middels het opstellen van een notariële akte dan zal de notaris voor de akte is verleden de wilsbekwaamheid moeten hebben vastgesteld. Een akte waarbij deze toetsing niet of onjuist heeft plaatsgevonden kan in beginsel dus ongeldig zijn, indien later komt vast te staan dat de schenker wilsonbekwaam was. Overigens geldt dit niet alleen voor schenkingen, maar voor elke rechtshandeling die ten overstaan van een notaris wordt uitgevoerd.

De notaris toetst middels een vast protocol of iemand wilsbekwaam is. Natuurlijk is een  notaris geen medicus, en de  notaris tracht door het stellen van vragen te beoordelen of iemand wilsbekwaam is. Onder andere zal een persoon die ene bedrag schenkt wilsbekwaam moeten zijn, niet onder invloed van medicijnen moeten zijn en niet onder druk van familie moeten staan. Bij twijfel kan de notaris een onafhankelijke VIA-arts vragen om een medisch oordeel, alvorens hij de akte kan passeren.

Zoals gezegd zijn er randgevallen  bekend, waarbij reeds een diagnose van dementie is gesteld, maar iemand toch nog redelijk de gevolgen van zijn handelen kan overzien. De diagnose dat iemand lijdt aan dementie betekend nog niet direct dat men wilsonbekwaam is. De aandoening betekent een geleidelijk verlies van realiteitsbesef, die in de beginfase nog moeilijk is vast te stellen.

Ook wanneer geen notariële schenkingsakte bestaat, kan het vanzelfsprekend zo zijn dat een erflater, ook in het zich van zijn overlijden, nog een of meer personen heeft willen begiftigen of bevoordelen. Zolang iemand wilsbekwaam is kan niemand zo iets beletten. Hoewel sommige functionarissen, artsen, verzorgers, mentoren en bewindvoerders uitgesloten zijn van dergelijke bevoordeling, geldt dat dus niet voor familie of derden. En zolang de wilsonbekwaamheid niet is vastgesteld is het vermoeden dat iemand volledig over zijn geestelijke vermogens kan beschikken. Een schenking of gift is dan gewoon geldig.
Gaat het om erfgenamen, dan geldt sinds 2012 niet eer de regel dat die schenking weer werd verrekenend bij de latere verdeling van de nalatenschap. Met andere woorden, de bevoordeling is definitief.

Wetenschappelijk onderzoek door de Keck School of Medicine van de University of Southern California heeft opgeleverd dat de bereidheid van oudere mensen om meer geld weg te geven lijkt te correleren met cognitieve achteruitgang die wordt geassocieerd met dementie. Deze bevindingen kunnen verklaren waarom veel oudere volwassenen meer vatbaar zijn voor financiële uitbuiting.

Het doel van dit onderzoek was te begrijpen waarom sommige ouderen vatbaarder zijn dan anderen voor oplichting, fraude of financiële uitbuiting. Omdat algemeen bekend dat een van de eerste tekenen van de ziekte van Alzheimer zijn het niet meer kunnen omgaan met geld, is een dergelijk onderzoek relevant.

In een klinisch onderzoek onder zevenenzestig ouderen met een gemiddelde leeftijd van 69 jaar die geen dementie of een andere cognitieve stoornis hadden, werd de keuze voorgelegd ze geld aan een anonieme persoon wilden geven of het voor zichzelf wilden houden.

In een ander deel van het onderzoek werden ze onderworpen aan cognitieve tests, zoals het herinneren van woorden en verhalen. De resultaten van deze tests correleerden met een predispositie voor de ziekte van Alzheimer. Het onderzoeksresultaat gaf aan de zij die meer geld weggaven, slechter presteerden in die cognitieve tests. De conclusie zou dus kunnen luiden dat er een correlatie is tussen altruïsme en een toekomstige screening op de ziekte van Alzheimer.

Bent u erfgenaam, en zit u met vragen over een testament, legaat, schenking of de verdeling, dan kunt u bellen met 0900-advocaten of een email zenden aan info@advocaten.nl of stel hier een vraag.

Cadeaubon vanaf 1 januari 2022 minimaal 2 jaar geldig

Cadeaubonnen zijn een populair middel om kopers aan te trekken. Veel bonnen zijn al verlopen voordat iemand besluit om er gebruik van te maken.

Met ingang van1 januari 2022 geldt de nieuwe bepaling inzake voor de consumentenmarkt.

Voor 1 januari 2022 gold een wettelijke minimale geldigheidsduur van 1. Nu bij wet is bepaald dat deze 2 jaar hun geldigheid behouden hem consumenten langer om hun cadeaubon te gebruiken. Veel cadeaubonnen verdwijnen immers ongebruikt in een lade.

De wet geldt voor alle soorten binnen ongeacht de gebruiker, de vorm (digitale of papier) de wijze van aankoop (via webshop of in een fysieke winkel) of waar de cadeaubon recht op geeft (korting of eens zaak in natura)

Afstand van het recht op alimentatie – kan dat bij de huwelijkssluiting al worden vastgelegd?

Afscheid nemen doet zeer, zeker als er een hoge alimentatie verschuldigd wordt na de echtscheiding. Veel echtelieden komen vóór het huwelijk al overeen om daarop geen aanspraak te maken. Maar werkt dat ook?

Levensonderhoud na de echtscheiding is een wettelijke recht waar op elke ex partner jegens de andere partner een beroep kan doen. Toch doen ex-partners regelmatig afstand van dit recht bij de echtscheiding.
Hoewel sinds 2018 de termijn waarin de alimentatie dient te worden betaald verkort is van 12 naar 5 jaren komt het nog regelmatig voor dat echtelieden reeds vóór de huwelijkssluiting dit beroep op alimentatie willen uitsluiten.

Afstand van onderhoudsbijdrage of alimentatie
Bij huwelijkse voorwaarden kunnen echtgenoten reeds vóór het huwelijk overeen komen dat zij over en weer afzien van het recht op partneralimentatie na de echtscheiding.

Dit zogenaamde nihilbeding wordt door sommige notarissen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden opgenomen, maar met dien verstande dat de contractspartijen rekening moeten houden met de omstandigheid dat dit beding mogelijk geen rechtskracht heeft.

In de wet is bepaald dat echtelieden bij de echtscheiding kunnen overeenkomen (vóór of na de echtscheidingsbeschikking) of en welk bedrag één ex-partner jegens de ander alimentatie verschuldigd is. (art. 1:158 Burgerlijk wetboek) Een overeenkomsten waar in partijen reeds vooraf afstand doen van dit recht is echter nietig, zoals is te lezen in artikel 1:400 lid 2 Burgerlijk wetboek.

Een nihilbeding wordt echter zowel in de wet als in de parlementaire geschiedenis niet zonder meer als nietig beschouwd. Zowel in de rechtspraak als in de literatuur zijn de opvatting over dit onderwerp verdeeld. In de rechtspraak zijn in 1980 en 1996 arresten gewezen door de Hoge Raad. Nihilbedingen in voorhuwelijkse voorwaarden zijn een aantal maal voorgelegd aan Rechtbanken en ook in appel is de kwestie voorgelegd.
Volgens de jurisprudentie is een voorhuwelijkse nihilbeding nietig, maar onder bijzondere omstandigheden kan het beroep op de nietigheid van het beding in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Dat wil zeggen dat het beding kennelijk toch indirecte werking kan hebben, ook al is de uitkomst onzeker.

In een recent geval had het Gerechtshof in Den Haag een soortgelijke arrest gewezen. Naar aanleiding van dit arrest heeft de Advocaat Generaal van het Hof Den Haag een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld.

De Advocaat Generaal stelt soms beroep in in het belang van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid, teneinde de Hoge Raad ervoor te laten zorgen dat verschillende lagere rechters in het land juridische regels op dezelfde manier uitleggen en toepassen. Het is toch in strijd met de rechtszekerheid als een rechter in Utrecht in dezelfde soort zaken anders oordeelt dan een rechter in Groningen. Overigens heeft cassatie in het belang der wet geen rechtsgevolgen voor de partijen in deze procedure.

De Advocaat Generaal geeft zijn opinie in dit beroep, en geeft als zijn mening dat de wettelijke bepaling over de nietigheid van overeenkomsten waarin vooraf reeds afstand wordt gedaan van een wettelijk recht als partneralimentatie, niet van toepassing is op overeenkomsten over partneralimentatie.
De AG betoogd dat de in wet bepaalde contractsvrijheid van echtgenoten ten aanzien van partneralimentatie leidend is en voorrang heeft op de wettelijke plicht die voortvloeit uit de wet.
Bovendien zijn er nu reeds tal van andere mogelijkheden voor toekomstige echtgenoten om bij overeenkomst van de wettelijke regeling af te wijken, onder andere voor pensioen en het huwelijksvermogensregime.

In het betoog wordt wel gesteld dat een nihilbeding in de voorhuwelijkse alimentatieovereenkomst aantastbaar is op grond van bijzondere omstandigheden, zodat, eenvoudiger dan bijvoorbeeld een uitsluiting van gemeenschap, de rechter kan worden gevraagd het nihilbeding terzijde te stellen of te wijzigen. Dit is in feite de omgekeerde uitleg van de rechtspraak tot aan heden, waarin een nihilbeding nietig is, maar onder bijzondere omstandigheden toch indirect werking kan hebben wegen de redelijkheid en billijkheid.

De uitspraak Hoge Raad wordt niet eerder verwacht dan november 2022.
Wilt u meer weten over alimentatie, uw recht, het doen van afstand, de berekening en invordering van alimentatie, bel dan met 0900-advocaten of stuur een email aan Advocaten.nl.

Opstarttijd is ook werktijd?

Verplichte aanwezigheid op de werkplek vóórdat daadwerkelijk de werkzaamheden op het werk starten is vaak een heikel punt van geschil tussen werkgever en werknemer. Er zijn echter wel duidelijk regels over. Hieronder leest u meer.

Regelmatig ontvangen wij vragen over de loonbetaling voor werkzaamheden die weliswaar gerelateerd zijn aan het dienstverband en de functie van de werknemer, maar die structureel niet worden betaald door de werkgever.

Één voorbeeld is natuurlijk de werktijd. Tot heden is echter duidelijk dat regulier reistijd niet tot gewerkte uren worden gerekend. Reistijd tussen huis en werk valt meestal niet onder arbeidstijd, maar indien hierover specifieke afspraken bestaan kan dat natuurlijk wel. Dat betekent dat de gewone reistijd naar de werkgever meestal voor eigen rekening is.

Ook indien in opdracht van de werkgever op verschillende werkplekken wordt gewerkt, zoals een (service)monteur of een vertegenwoordiger, is de reistijd tussen die plaatsen natuurlijk gewoon werktijd, en wordt betaald. Voorts kan het zijn dat bij de eerste afspraak buiten kantoor eerst een bezoek aan het kantoor dient te worden gebracht. Ook dan is de reistijd naar de eerste afspraak gewoon werktijd.
Essentieel is meestal de vraag of, voordat de werkelijke werkzaamheden, de inhoud van de functie, kan worden uitgevoerd, een bepaalde instructie dient te worden opgevolgd “ter voorbereiding van die werkzaamheden”

Niet in alle gevallen is het duidelijk, en werkgevers stellen soms hun eigen regels. Zo was er een callcenter dat zijn werknemers betaalde om vanaf 9.00 `s ochtends telefonische support te verstrekken, maar van hen werd gevraagd om tenminste 10 minuten vóór “aanvangstijd” aanwezig te zijn, zodat de computers konden worden opgestart en alles in gereedheid kon worden gebracht om volledig klaar te zitten voor de eerste telefoonsessie.

Een werknemer vroeg zich terecht af wat onder “aanvangstijd” moet worden verstaan. De salarisbetaling voor de werkgever begint immers te lopen vanaf dat moment.

De werkgever betoogde dat van de werknemers niet werd verwacht werkelijk arbeid te verrichten, en stelde dat de werkgever ook geen instructies gaf. Het was zuiver bedoeld om “op te starten”. De werknemers konden tijdens dat opstarten gezellig koffie drinken of uit het raam staren.

De Hoge Raad heeft onder andere bepaald dat, ook al kwalificeert een bepaalde tijd als arbeidstijd als bedoeld in de Arbeidstijdenwet, dit nog niet meebrengt dat over die uren ook loon moet worden betaald. Op grond van artikel 7:610 BW hoeft immers alleen te worden betaald voor de tijd waarin arbeid wordt verricht door de werknemer.

En de werkgever redeneert dat, zolang er géén loonafspraken gelden, er ook geen loon verschuldigd is. Het is dus volgens de werkgever niet relevant dat de werknemer aanwezig moet zijn, maar slechts bepalend of tussen werkgever en werknemer afspraken zijn gemaakt of loon moet worden betaald over die periode. Volgens de werkgever is het verplicht aanwezig zijn vóór de aanvang van de werkzaamheden geen werktijd. De werkgever baseert dit recht onder andere op het reguliere instructierecht dat hij op grond van artikel 7:660 BW heeft. Dit recht is niet direct gerelateerd aan een loonverplichting of aan werkzaamheden.
De essentie van die afspraak is slechts dat de werknemer aanwezigheid moet om tijdig, in dit geval dus klokslag 9.00, zijn arbeid aan te vangen.

De werknemer baseerde zich op eerdere, soortgelijke, uitspraken van de kantonrechter te Roermond van 12 november 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:8802 en een uitspraak van de kantonrechter te Alkmaar van 4 november 2020, ECLI:RBNHO:2020:8777 waaruit volgt dat de tien minuten als arbeidstijd gelden en waarin de kantonrechter wel aannam dat er een loonbetalingsplicht was.

De kantonrechter Den Haag beschouwde op 08-12-2021 deze tien minuten eveneens gewoon als meeruren, die loonbetaling meebrengen. De werknemers moet immer wel arbeid verrichten: het inloggen op meerder programma’s of het openen daarvan op de computer. Dit is immers een instructie van de werkgever.
Dit zijn dus voorbereidende werkzaamheden om de werkelijke arbeid te kunnen uitoefenen. Nu de instructie luidde om 10 minuten eerder te beginnen ging te kanton er van uit dat deze voorbereidende werkzaamheden 10 minuten in beslag namen telefoonwerkzaamheden uit te kunnen voeren en diende de werkgever over deze tien minuten loon door te betalen, met een verwijzing naar de “Cao Facilitaire Contactcenters“.

Heb u vragen over werktijden of loonbetaling, bel dan met 0900-advocaten
of stuur een bericht via dit formulier.

ZZP-er of werknemer? Wezen gaat voor schijn.

Een opdrachtgever die meende met een zzp-er  te handelen, blijkt ineens aan een arbeidsovereenkomst te worden gehouden. Het komt vaker voor dan je denkt.  De beëindiging van de opdracht blijkt ineens een nietig ontslag te zijn, of er blijkt een loondoorbetalingsplicht te bestaan bij ziekte. Een kostbare vergissing.

In Nederland is de zelfstandige zonder personeel (zzp) een steeds bekender verschijnsel, omdat er inmiddels meer dan 1 miljoen zijn.
De zzp’ers werkt op basis van een overeenkomst van opdracht, en kan aldus een of meer opdrachtgevers hebben. De zzp’er heeft meer vrijheid dan een werknemer bij het verrichten van de arbeid. Hij bepaalt voor het merendeel zelf met wie hij werkt en wat hij doet, hoe lang, waar en wanneer. Afhankelijk van de overeenkomst kan hij zelfs een ander zijn werk laten verrichten.

Een overeenkomst van opdracht is volgens de wet een ´overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt – anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst – werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.

Die vrijheid is leuk maar de keerzijde is dat hij niet automatisch is beschermd bij ziekte en werkeloosheid. Ook bij geschillen met de opdrachtgever loopt de zzp-er meer risico; de opdracht kan in beginsel altijd door de opdrachtgever worden beëindigd zonder veel formaliteiten en op zeer korte termijn. De zzp-er die niet verzekerd is voor verlies aan inkomsten bij ziekte of beëindiging van de opdracht is dan nadeliger af dan een gewone werknemer.

Een werknemer heeft minder vrijheid, maar heeft wel ontslagbescherming; hij kan niet zomaar worden ontslagen ( behoudens uitzonderingen), en bij ziekte krijgt hij in principe doorbetaald. Meer zekerheid die vaak opweegt tegen de vrijheid van een zzp-er.

Voor een opdrachtgever geldt evenzeer dat hij meer vrijheid heeft bij een conflict of ziekte van de opdrachtnemer; de overeenkomst kan eenvoudig worden beëindigd.

Soms komt een opdrachtgever voor verrassingen te staan; hij denkt dat hij een opdracht heeft gegevens, maar bij een conflict blijkt achteraf dat er toch sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het resultaat? De beëindiging van de opdracht blijkt ineens een nietig ontslag te zijn, of er blijkt een loondoorbetalingsplicht te bestaan jegens de werknemer. Een kostbare vergissing.

Hoe is zoiets mogelijk? In Nederland bestaat contractvrijheid. Zowel een arbeidsovereenkomst als een opdrachtovereenkomst kan mondeling of zelfs stilzwijgend worden gesloten. Wat partijen zijn overeengekomen blijkt pas bij een geschil hierover. Ook kan het zijn dat partijen een opdrachtovereenkomst op papier zetten, maar dat de feitelijke verhouding alle kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst.
In zo`n geval is in de wet art. 7:610 BW en de rechtspraak de leer ontwikkeld dat het ‘wezen’, dus de werkelijke feitelijke verhouding, de doorslag geeft, en niet de aanduiding of de bedoeling die partijen aan de overeenkomst geven.

Het komt vaak voor dat er op basis van een overeenkomst van opdracht arbeid wordt verricht, maar de feitelijke verhouding die van een arbeidsovereenkomst is.

Aan de rechter wordt dus regelmatig de vraag voorgelegd of de verhouding tussen de zzp’er en zijn opdrachtgever achteraf alsnog moet worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst en/of fictieve dienstbetrekkingen. De beide verhoudingen lijken sterk op elkaar, immers een partij verricht werkzaamheden voor de ander gedurende een bepaalde tijd tegen een bepaald loon. De centrale vraag is echter of sprake is van een gezagsverhouding.

Dat de kwalificatie van een overeenkomst kan afwijken van de werkelijke verhouding is onder andere bepaald in een uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020 (X/Gemeente Amsterdam; ECLI:NL:HR:2020:1746). Hier is bepaald dat de kwalificatie van een overeenkomst moet worden onderscheiden van de – daaraan voorafgaande – vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. De vraag welke rechten en verplichtingen zijn overeengekomen hangt af van alle feitelijke omstandigheden van het geval en hetgeen partijen over en weer in redelijkheid van elkaar hebben mogen begrijpen, dus niet slechts van de tekst van de schriftelijke overeenkomst (de Haviltexmaatstaf) Nadat met behulp van die maatstaf de overeengekomen rechten en verplichtingen zijn bepaald (uitleg), kan worden beoordeeld of een overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst of van een opdracht.

Onder andere is belangrijk of de ene partij aan de andere werkinstructies kan geven. Indien de verhouding zo is dat de opdrachtgever gedetailleerde instructies kan geven, dan lijkt dat eerder op een arbeidsovereenkomst, waar immers de werknemer gehouden is werkinstructies op te volgen. Het maakt niet uit of partijen bedoeld hebben een opdracht overeenkomst te sluiten; De feitelijke verhouding beheerst het karakter van de overeenkomst.

Een belangrijke maatstaf is een aantal elementen die de belastingdienst hanteert om vast te stellen of er sprake is van een loondienstverhouding dan wel van een andere overeenkomst.
Het Handboek Loonheffing van de Belastingdienst noemt de volgende elementen:
– Leiding en toezicht
– Vergelijkbaarheid personeel
– Werktijden, locatie, materialen, hulpmiddelen en gereedschappen
– De wijze waarop de medewerker naar buiten treedt
– Overige aspecten

Het gaat dus niet slechts om de mogelijkheid om instructies aan de medewerker te geven, maar ook andere elementen zijn belangrijk, maar bijvoorbeeld ook of de medewerker een wezenlijk onderdeel vormt van de organisatie van de werkgever en zijn bedrijfsvoering.

Een ander element is bijvoorbeeld of aan de medewerker bedrijfsmiddelen beschikbaar worden gesteld, of al dan niet in staat is zich onder eigen naam naar buiten te presenteren.

De kantonrechter te Rotterdam bepaalde in een recente uitspraak 21 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:868 dat voorshands bewezen was dat sprake is van arbeidsovereenkomst en dat is voldaan aan vereisten van art. 7:610 BW.
In dit geval had de werknemer zich aanvankelijk voorgedaan als zzp-er, en had zich ook naar buiten als zelfstandige opgesteld, maar andere kenmerken overheersten de overeenkomst, zoals de mogelijkheid tot het geven van instructies (gezagsverhouding). Voorts waren er uiterlijke kenmerken die meespeelden, zoals het bestaan van loonstroken en een jaaropgave, en de mededeling aan het UWV dat er er een arbeidsverhouding was. Weliswaar presenteerde de werknemer zich als zelfstandige, zowel naar zijn contractspartij als naar buiten toe, maar zo oordeelde kantonrechter, het wezen van de overeenkomst gaat voor de schijn.

De opdrachtgever werd dus terecht beschouwd als een werkgever en terecht aangesproken tot loonbetaling in verband met een nietig ontslag.

Wilt u meer weten over de zzp-overeenkomst die voldoet aan de werkelijke vereisten voor zelfstandigheid, en wilt u de risico`s van een schijnzelfstandigheid voorkomen, bel dan met 0900-advocaten of stel een vraag aan Advocaten.nl.