Vernietiging en vervangende toestemming tot erkenning

Kort nadat de biologische vader van de minderjarige een procedure aanhangig heeft gemaakt omtrent het vaststellen van een omgangsregeling heeft de moeder haar partner vervangende toestemming tot erkenning gegeven. Daarmee heeft zij echter misbruik van haar bevoegdheid gemaakt. De erkenning wordt vernietigd en aan de biologische vader wordt vervangende toestemming verleend.

De feiten
Uit de affectieve relatie tussen M en V wordt in 2010 zoon Z geboren, over wie V het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. Niet veel later beëindigen M en V hun relatie. Inmiddels woont V (samen met Z) samen met haar nieuwe partner X.
In januari 2012 volgt uit DNA-onderzoek dat M de verwekker van Z is. Op 23 februari 2012 verzoekt M (bij brief van zijn advocaat) daarom aan V toestemming om Z erkennen. V weigert.
Op 13 maart 2012 ontvangt V een dagvaarding: M eist in kort geding omgang met Z. Exact een week later, op 21 maart 2012, wordt Z – met toestemming van V – door X erkend.
In juni 2013 bevestigt een tweede DNA-onderzoek de conclusie van het eerste onderzoek: M is de biologische vader van Z.

Het verzoek
M verzoekt de rechtbank (1) de erkenning van Z door X te vernietigen en (2) hem vervangende toestemming te verlenen om Z te erkennen. De rechtbank willigt de verzoeken in. V en X gaan in hoger beroep.

Standpunten van partijen
V en X gingen er, tot de uitslag van het tweede DNA-onderzoek, vanuit dat X de biologische vader van Z was. V stelt dat zij enkel toestemming aan X tot erkenning van Z heeft gegeven om de belangen van Z te behartigen en de bestaande gezinssituatie te bevestigen. Zij wist niet dat M ook Z wilde erkennen. X stelt daarbij dat de erkenningsprocedure al was gestart vlak na de geboorte van Z. Door het ontbreken van een aantal papieren (die uit Polen moesten komen) is deze procedure echter vertraagd, waardoor de erkenning toevalligerwijze kort na uitbrengen van de dagvaarding in kort geding is gerealiseerd.
M stelt dat X niet de gehele tijd de intentie had om Z te erkennen en onderbouwt dit aan de hand van Facebookberichten. Daarnaast blijkt uit niets dat de erkenningsprocedure is vertraagd door het ontbreken van papieren, aldus M, die zich beroept op misbruik van bevoegdheid aan de zijde van V (artikel 1:205 BW).

Beoordeling
Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat V, gelet op alle omstandigheden van het geval, voldoende op de hoogte was van het feit dat M zich als de biologische vader van Z beschouwde en de wens tot erkenning van zijn vaderschap had. Daarmee heeft V zowel het belang van Z als dat van M geschaad en misbruik van haar bevoegdheid gemaakt door aan X toestemming tot erkenning van Z te geven, met het oogmerk de belangen van de M te schaden.

Aangezien tussen partijen vast staat dat M de verwekker van Z is, kan hem de mogelijkheid tot erkenning in beginsel niet worden onthouden. Het is aan V om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken waaruit kan worden afgeleid dat de belangenafweging ex artikel 1:204 lid 3 BW dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van M.
V heeft gesteld dat M haar in het verleden heeft gestalkt en bedreigd en haar nog immer en met grote regelmaat lastig valt. Zij heeft hiervan meldingen en aangiften gedaan bij de politie, waarvan zij processen verbaal heeft overgelegd. M heeft gemotiveerd betwist dat hij heeft gehandeld en zich heeft gedragen op de wijze als door V gesteld.
Het hof is van oordeel dat V, tegenover de gemotiveerde betwisting door M, haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover V haar stelling al met concrete gegevens heeft gestaafd, valt uit de feiten en omstandigheden niet de vergaande conclusie te trekken dat door de erkenning de ongestoorde verhouding tussen V en Z in het gedrang komt. Ook brengt de erkenning geen wijziging in de feitelijke gezinssituatie van V en X, waardoor niet valt aan te nemen dat de emotionele weerstand of belasting van V negatieve gevolgen voor Z zou kunnen hebben. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die zich verzetten tegen de erkenning.
Het belang van M bij vervangende toestemming tot erkenning van Z behoort dan ook te prevaleren boven het belang van V bij het achterwege blijven daarvan. Nu ook niet is gebleken dat er ten gevolge van de erkenning reële risico’s zijn dat Z wordt belemmerd in een evenwichtige en gezonde ontwikkeling, acht het hof het in het belang van Z dat voor hem duidelijk wordt wie zijn biologische vader is en dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische.

bron: SDU
Rechtspraak.nl ECLI:NL:GHAMS:2014:6148      

procedure bij rechter wordt digitaal

De Tweede Kamer is akkoord met de digitalisering van het bestuursrecht en het civiel recht. Donderdag stemde het parlement in met de wet waarmee de invoering vorm krijgt. De Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht werd als hamerstuk aangenomen. De invoeringswet is de laatste van een drietal wetten om de digitalisering te regelen. De andere twee zijn al door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer wil het hele wetgevingspakket in één keer behandelen.

Het kabinet wil net als de rechtspraak dat de procedures bij de bestuursrechter en bij de burgerlijk rechter vereenvoudigd en dus ook gedigitaliseerd worden. Zo voorziet het wetgevingspakket in de eis dat processtukken via elektronische weg ingediend moeten worden. Ook komen er meer termijnen en krijgt de rechter de mogelijkheid om het proces te sturen.

In de eerste wet uit het pakket worden de procedures uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en uit de Algemene wet bestuursrecht onder handen genomen. De tweede wet regelt hetzelfde voor de hoger beroepen.

Bron: Tekst Nieuwsbericht – OpMaat

Advocaat kan zich niet verschuilen achter zijn praktijk-BV

De Hoge Raad klaagt wel eens over zijn hoge werklast, maar soms draagt hij zelf nodeloos aan die last bij. Het inmiddels beruchte Spaanse Villa-arrest (NJ 2013/302) heeft, zoals bekend, de nodige discussie uitgelokt onder vennootschapsjuristen.

Sommigen leidden hieruit af dat voor een bestuurder van een rechtspersoon geen hoge drempel voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meer zou gelden, ongeacht de aard van diens optreden. Anderen meenden juist dat een bestuurder altijd die hoge drempel kon inroepen.

Onzin natuurlijk, de Hoge Raad had zich alleen wat ongelukkig uitgedrukt. Niettemin voelde onze hoogste rechter zich vorig jaar geroepen zijn standpunt nog eens uit te leggen in het arrest Hezemans Air (NJ 2015/21). Alleen indien een bestuurder van een rechtspersoon in die hoedanigheid een derde schade heeft berokkend, geldt voor hem een hoge drempel. Er moet dan sprake zijn van een ernstig persoonlijk verwijt, in plaats van een “gewoon” verwijt (whatever the difference).

Het zaad der verwarring was toen echter al gezaaid. Een door een kantoorcliënt tot schadevergoeding aangesproken advocaat betoogde in hoger beroep met succes dat voor hem de hoge drempel gold, nu niet hij maar zijn praktijk-BV partner was in de maatschap aan wie de opdracht was verstrekt. Hij wenste zich dus te verschuilen achter de rug van zijn BV. De Hoge Raad maakt hier echter korte metten mee in zijn arrest van 18 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2745). Het optreden van een advocaat staat immers volkomen los van zijn hoedanigheid als bestuurder van een praktijk-BV. Begaat hij in die beroepsuitoefening een onrechtmatige daad, dan leidt dat dus ook niet tot een van zijn BV afgeleide – of secundaire – aansprakelijkheid, die volgens de Hoge Raad een hoge drempel rechtvaardigt. Voor hem geldt het gebruikelijke maatmancriterium van “handelen in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht” (NJ 1991/26). Dat geldt overigens ook voor een advocaat in dienstbetrekking.

Nogmaals, de advocaat in kwestie werd hier door de cliënt aangesproken uit onrechtmatige daad (wegens onvoldoende onderzoek naar de waarde van een stuk grond waarop de cliënt een lening had verstrekt). Hij werd niet uit contract aangesproken. De opdracht was immers aan de maatschap verstrekt. Beperking van contractuele aansprakelijkheid en uitsluiting van de aansprakelijkheid van de “feitelijke opdrachtnemer” (art. 7:404 jo. 7:413 BW) in de algemene voorwaarden heeft dus nog altijd zin.

Bron: mr-Online    

Consumentenbond wil toelatingsregels voor incassobureaus

De Consumentenbond wil dat er wettelijke toetredings- of opleidingseisen komen voor incassobureaus. Ook wil de belangenorganisatie dat de sector gecontroleerd gaat worden door een toezichthouder. Daarvoor pleit de bond in een eigen incassoplan dat dinsdag is overhandigd aan de Tweede Kamer. De PvdA en de ChristenUnie hebben de Consumentenbond al laten weten met een wetsvoorstel te komen.

Het plan is bedoeld om de rechtspositie van consumenten te verbeteren. Als die hun rekening niet betalen, hebben ze daar meestal een reden voor, redeneert de bond. ,,Ze willen wel betalen, maar kúnnen het nu even niet, of zij willen niet betalen omdat zij de vordering betwisten.”

Nu kan iedereen zomaar een incassobureau beginnen, met misstanden tot gevolg. ,,Veel consumenten worden op dit moment de dupe van onbeschofte incassobureaus en deurwaarders, die onbegrijpelijke rekeningen sturen en volstrekt onbereikbaar zijn”, zegt Bart Combée, directeur van de Consumentenbond. ,,Als consument sta je in zo’n traject bij voorbaat al met 3-0 achter, en is de kans groot dat je veel dieper in de schulden belandt. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn.”

Bron: Elsevier    ▲

Rechtbank wijst vorderingen OAD tegen Rabobank af

De rechtbank Midden-Nederland heeft vandaag de vorderingen afgewezen die de aandeelhouder van het OAD-concern heeft ingesteld tegen de Rabobank. De aandeelhouder verwijt de Rabobank dat -door ten onrechte de kredietovereenkomst met het OAD-concern op te zeggen- het faillissement van het OAD-concern is veroorzaakt, en daarmee het waardeloos worden van de aandelen. De aandeelhouder vordert van de Rabobank een vergoeding voor deze waardevermindering van de aandelen. Lees hier de uitspraak.

De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet toe. De rechtbank is van oordeel dat de aandeelhouder deze vordering niet kan instellen. Dat kan alleen (de curator van) OAD. De Hoge Raad heeft in diverse arresten uitgemaakt dat in beginsel alleen het concern zelf schadevergoeding kan vorderen vanwege waardevermindering van aandelen van degene die de waardevermindering heeft veroorzaakt door wanprestatie of onrechtmatig handelen, en niet de aandeelhouder(s).

Op dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad alleen een uitzondering gemaakt, als er ook specifiek tegenover de aandeelhouder onrechtmatig is gehandeld. Van deze uitzonderingssituatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Rabobank heeft de eisen die zij stelde aan het voortzetten van de kredietrelatie met OAD (waaronder kapitaalversterking) niet aan de aandeelhouder van OAD gesteld maar aan (het bestuur van) OAD. Dit betekent dat de Rabobank bij de aandeelhouder ook geen verwachting heeft kunnen wekken over de gevolgen van een geslaagde kapitaalversterking.

Source: rechtspraak.nl

Deurwaarder uit ambt gezet wegens tekort van €1,2 miljoen

Normaal gesproken zitten deurwaarders achter mensen met schulden aan. Maar dit keer zit een gerechtsdeurwaarder zelf met de gebakken peren.

Van Roon is door de Amsterdamse rechtbank uit zijn ambt gezet omdat hij 1,2 miljoen euro van de klantenrekening heeft gebruikt om zijn deurwaarderskantoor overeind te houden. Dit blijkt uit een geanonimiseerd vonnis, in handen van De Telegraaf. Een dergelijk ’bewaringstekort’, dat uiteindelijk door de belastingbetaler moet worden aangezuiverd, is een doodzonde in deze streng gereguleerde beroepsgroep.
“Deurwaarder uit ambt gezet wegens tekort van €1,2 miljoen” verder lezen

Faillissement vof geldt niet automatisch voor alle vennoten

Een faillissement is een ingrijpende gebeurtenis die veel vragen oproept. Wat zijn de belangrijkste gevolgen als je failliet gaat? Ben je dan alleen zakelijk of ook privé failliet? Het de vragen die veel ondernemers in financieel zwaar weer zich stellen.

Bij een eenmanszaak gaan zowel de onderneming als de ondernemer in privé failliet, bij een BV alleen de onderneming. En bij een vennootschap onder firma (vof)? Gaan dan ook de vennoten automatisch failliet? Tot 6 februari 2015 was het antwoord een simpel: ja. Als een vof failliet wordt verklaard zijn daardoor alle vennoten ook failliet. Als deze vennoten natuurlijke personen zijn, valt ook hun privé-vermogen in het faillissement. De Hoge Raad heeft deze lijn in 1927 uitgezet en nog eens in 2009 klip en klaar bevestigd. Tot 6 februari 2015; de Hoge Raad is van mening veranderd.

Wat is er veranderd?

Een schuldeiser vraagt het faillissement aan van zowel de vof als de vennoten. Een van de vennoten (een natuurlijke persoon) heeft echter de rechter gevraagd om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Voor dat de rechter op dit verzoek kan beslissen is het faillissement van de vof uitgesproken, waarbij de rechtbank tevens, volgens de bestaande regels, het faillissement van alle vennoten uitsprak.

De man die om toepassing van de schuldsaneringsregeling had gevraagd neemt hier geen genoegen mee en vindt uiteindelijk bij de Hoge Raad gehoor.

De Hoge Raad oordeelt dat het faillissement van de vof niet steeds en noodzakelijkerwijs tevens het faillissement van de vennoten meebrengt. Ten eerste wijst de Hoge Raad erop dat de vof weliswaar geen rechtspersoonlijkheid heeft, maar wel een afgescheiden vermogen heeft. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat het feit dat een vof haar verplichtingen niet voldoet en failliet gaat, zal het faillissement van de vennoten doorgaans onvermijdelijk zijn, maar dat behoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn. Zo kan een vennoot, in tegenstelling tot de vof zelf, voldoende (privé)vermogen hebben om zowel de schuldeisers van de vof als zijn privéschuldeisers te voldoen; ook als hij bepaalde vorderingen niet voldoet, brengt dat nog niet noodzakelijkerwijs mee dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

De Hoge Raad merkt verder op dat handhaving van de regel uit 1927 niet meer op zijn plaats is, gezien de invoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling per 1 december 2008.

Tot slot benoemt de Hoge Raad enkele aandachtspunten die uit deze nieuwe lijn volgen. Zo dient de schuldeiser die naast het faillissement van de vof ook een faillietverklaring van de vennoten wenst, die ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk te verzoeken en dient de rechter ook afzonderlijk te beoordelen of aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan. De rechter moet de vennoten uiteraard wel de gelegenheid geven voor afzonderlijk verweer. Deze nieuwe rechtsregel kan meebrengen dat de vof wel, maar de vennoten niet failliet worden verklaard.

Bron: Actuele artikelen

Processtukken mogen worden ingediend per fax

Processtukken mogen worden ingediend per fax

Stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. Andersluidende bepalingen in procesreglementen zijn onverbindend; de in art. 33 lid 1 Rv neergelegde beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement, geldt niet voor faxverkeer.

Procesverloop: memorie tijdig ingediend per fax, te laat per post

In hoger beroep hadden de appellanten in deze zaak de memorie van grieven per post aan het hof gezonden. Het ‘inlevertijdstip’, waarop in te dienen processtukken in dagvaardingszaken (bodemprocedures) bij het hof moeten zijn, is op dinsdagochtend om 10.00 uur. Voor de zekerheid was de memorie ook nog vóór dat tijdstip aan het hof gefaxt. De fax kwam op tijd aan, de post niet. Het hof weigerde daarom de versie per post: te laat. Maar het hof weigerde ook de memorie die uit de fax was gerold, want in art. 2.1 van hetProcesreglement was bepaald:

“Per telefax ingediende processtukken worden niet in behandeling genomen.”

Het artikel kan worden gezien als een uitwerking van art. 33 lid 1 Rv, waarvan de eerste zin luidt:

“Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement.”

Omdat die mogelijkheid in dit geval door het procesreglement werd uitgesloten, verleende het hof appellanten akte niet-dienen en verklaarde het hen niet-ontvankelijk wegens het niet aanvoeren van grieven. Daarbij speelde ook nog mee dat het ging om een zaak onder het door het Hof Den Bosch gehanteerde pilotregime, waaronder termijnen ambtshalve worden gehandhaafd. Onder het Landelijk Procesreglement (dat geldt bij de hoven Den Haag en Arnhem-Leeuwarden; Amsterdam heeft ook een pilot) gold ook een faxverbod, maar had nog wel een vrij uitstel verkregen kunnen worden; zo niet in de pilot.

Het recht op faxen in het burgerlijk procesrecht

Appellanten stelden cassatieberoep in. De meest verstrekkende klacht luidde dat nu vast stond dat, ondanks het ‘faxverbod’, de memorie feitelijk vóór het inlevertijdstip per fax de griffie had bereikt, het hof de memorie toch had moeten accepteren, in elk geval nu de memorie een dag later alsnog was nabezorgd. Daarbij werd gewezen op de wetsgeschiedenis van art. 33 Rv. Van 2002 tot 2008 luidde dit artikel namelijk:

“Stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend.”

In deze bepaling was eerdere rechtspraak van de Hoge Raad gecodificeerd die ‘indiening’ van stukken per fax gelijkstelde met ‘feitelijke aflevering’ bij de griffie (per post of in persoon). In 2008 werd met de afschaffing van het procuraat het ‘elektronisch berichtenverkeer’ van een basis in de wet voorzien: volgens de wetgever zou elektronisch berichtenverkeer, en uiteindelijk ook het indienen van processtukken steeds meer gaan plaatsvinden. Het gewijzigde art. 33 Rv gaf een basis om dat dan in procesreglementen uit te werken.

In cassatie wezen appellanten erop dat nergens uit bleek dat het de bedoeling van de wetgever was om met de wijziging van art. 33 Rv de mogelijkheid van het indienen van stukken per fax – wat tot 2008 wettelijk toegestaan was – weer op de tocht te zetten; de gedachte was juist méér elektronisch verkeer, niet minder. Zij bepleitten daarom dat de wet en het procesreglement er niet aan in de weg zouden behoren te kunnen staan dat een eenmaal op zichzelf tijdig ontvangen memorie terzijde werd gelaten omdat deze via de fax en niet via de postkamer bij de griffie was binnengekomen. Subsidiair voerden appellanten aan dat het hof had moeten afwijken van het procesreglement, nu de wederpartij het stuk ook op tijd had ontvangen en dus niet benadeeld was, en de memorie de volgende dag alsnog per post was (na)bezorgd. Bij dit alles gold bovendien dat juist het weigeren van een memorie van grieven een fataal gevolg heeft: niet-ontvankelijkheid. Daarmee, aldus appellanten, is de verhouding zoek tussen de ernst van het verzuim (verkeerde wijze van aanbieden) en het gevolg van het verzuim (verlies van de gehele procedure).

Hoge Raad: processtukken mogen nog steeds worden gefaxt

De Hoge Raad kiest de meest principiële insteek: na een bespreking van de parlementaire geschiedenis van art. 33 Rv concludeert hij:

“3.4.3 Noch in de hiervoor geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis, noch elders, wordt aandacht geschonken aan de omstandigheid dat de indiening van processtukken per fax krachtens de rechtspraak van de Hoge Raad reeds omstreeks vijftien jaar – sedert HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0778, NJ 1993/569 – en inmiddels ook sinds enkele jaren wettelijk, mogelijk was. Tegen de achtergrond van een van de doelstellingen van de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, welke doelstelling juist een verruiming van de mogelijkheden van elektronisch verkeer beoogde, moet daarom worden aangenomen dat de wetgever met de wijziging van art. 33 Rv niet heeft willen afdoen aan de reeds jarenlang bestaande mogelijkheid processtukken per fax in te dienen.

3.4.4 Het vorenstaande brengt mee dat art. 33 Rv aldus moet worden uitgelegd dat de in art. 33 lid 1 Rv neergelegde beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement, niet geldt voor faxverkeer en dat daarvoor is blijven gelden de in 2002 in art. 33 Rv gecodificeerde regel dat stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. In zoverre is de bepaling in art. 2.1 van het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’ onverbindend. Opmerking verdient dat hetzelfde geldt voor de gelijkluidende bepaling (art. 2.1) in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingsprocedures bij de hoven.”

De primaire cassatieklacht wordt daarom gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Bosch. Op de subsidiaire klacht – kort gezegd: dat in de omstandigheden van deze zaak het pilotreglement niet onverkort had mogen worden toegepast door akte niet-dienen te verlenen – hoefde de Hoge Raad daarom niet meer in te gaan. Uit twee op dezelfde dag gewezen arresten van de Hoge Raad (besproken in CB 2015-68) blijkt echter dat de Hoge Raad zeer kritisch staat tegenover de toepassing van het pilotreglement als de ernst van de gevolgen van die toepassing niet in redelijke verhouding staat tot het verzuim.

De appellanten zijn in cassatie bijgestaan door de auteur.

Aanvulling (30/04/2015): inlevertijdstip overruled?

Naar aanleiding van het arrest en dit blogje benaderden meerdere advocaten mij met de vraag of deze uitspraak betekent dat stukken bij het hof nog de gehele dinsdag tot 24.00 uur per fax kunnen worden ingediend, ook al schrijft het procesreglement als inlevertijdstip 10.00 uur voor. Dat denk ik niet. In deze zaak was de bepaling over het inlevertijdstip in elk geval niet aan de orde, en de Hoge Raad zegt er ook niets over. Waar de Hoge Raad overweegt (r.o. 3.5) dat vaststaat dat de fax “tijdig is ingekomen”, lijkt hij in de context van het bestreden arrest en het partijdebat te bedoelen: “vóór 10.00 uur“, niet “vóór 24.00 uur”. Een uitleg van art. 33 Rv (oud) dat procesreglementen geen ander tijdstip voor de indiening per fax van een processtuk mogen voorschrijven dan 24.00 uur, lijkt ook niet direct voor de hand te liggen. Een redelijke wetsuitleg zou kunnen zijn: als een termijn afloopt op een bepaalde dag (zonder tijdstip), dan is een indiening per fax vóór 24.00 uur nog tijdig. Is er wel een tijdstip vastgelegd, dan geldt dat tijdstip als uiterste tijdstip voor indiening per fax (in beginsel – afwijken van het procesreglement door het gerecht blijft mogelijk en is soms zelfs geboden).

Bron: Cassatieblog

veroordeling niet exact is nagekomen: dwangsom verbeurd?

Een dwangsom is een effectief middel om een veroordeling te effectueren. Indien niet aan het vonnis wordt voldaan of een verbod wordt overtreden, kan een dwangsom worden verbeurd

Na het vonnis dient dit eerst te worden betekend, en vervolgens dient de dwangsom daadwerkelijk te worden aangezegd. Pas daarna kan een dwangsom ook worden verbeurd, mits vaststaat dat de veroordeelde partij in overtreding van het vonnis is. Toch is ook na zo`n overtreding niet vast dat die dwangsom ook werkelijk verschuldigd is.

Dit blijkt uit een beslissing van de voorzieningenrechter in Almelo. In deze beslissing (ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0324) ging het om de partijen Privatescan B.V. en Prescan B.V., beide aanbieders van preventief medisch onderzoek. In een eerdere procedure had de rechtbank ’s-Gravenhage de eigenaar van Privatescan, hierna A, bevolen om de mededeling “Privatescan is marktleider” te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom met een maximum van € 250.000,-.

Op het LinkedIn profiel van de eigenaar van Privatescan stond ondanks de betekening van het vonnis toch nog gedurende enige tijd de slagzin “Privatescan is marktleider”. Prescan maakte vervolgens aanspraak op de dwangsom en legde beslag op bezittingen van A. Deze heeft vervolgens Prescan in kort geding gedagvaard (in een zogenaamd executiegeschil) en heeft staking van de executie en opheffing van de beslagen gevorderd. Hij voert in dit geschil onder andere aan dat dwangsommen nooit zijn verbeurd omdat de vermelding op het LinkedIn profiel geen overtreding van het vonnis is.

De voorzieningenrechter dient dus het plaatsen van deze slagzin te toetsen aan de inhoud van de veroordeling van het vonnis van de rechtbank. Uitgangspunt hierbij is dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Het doel van dit eerste vonnis van de rechtbank is misleiding bij de consument dient te worden voorkomen. Omdat het LinkedIn profiel van A met daarop de verboden slagzin toegankelijk is voor iedereen, en dus ook voor consumenten toegankelijk is, is het vonnis in principe overtreden.

Volgens de Kort geding rechter is het echter de vraag of deze overtreding, met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid, voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat daardoor dwangsommen zijn verbeurd. In de eerste procedure is het geschil vooral toegespitst op artikelen die op websites van partijen waren geplaatst, en niet op profielen van Social Media, waaronder die van LinkedIn. Volgens de rechter ligt het niet voor de hand dat consumenten dat profiel van A bezoeken en is dus die overtreding van zodanig ondergeschikte betekenis dat er door de overtreding geen dwangsommen zijn verbeurd. De Voorzieningenrechter wijst de vorderingen van A toe, en de executie diende te worden gestaakt en het beslag diende te worden opgeheven.

Volgens de Voorzieningenrechter is er wel sprake van een overtreding maar deze overtreding is niet ernstig genoeg om het verbeuren van dwangsommen te rechtvaardigen. De beslissing is mogelijk in strijd met de regel dat de bevoegdheid om een dwangsom op verzoek van de veroordeelde partij op te heffen of te matigen exclusief ligt bij de rechter die de dwangsom zelf heeft opgelegd (de rechtbank ’s-Gravenhage). De Voorzieningenrechter grondde zijn beslissing op de redelijkheid en billijkheid.