Processtukken mogen worden ingediend per fax

Processtukken mogen worden ingediend per fax

Stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. Andersluidende bepalingen in procesreglementen zijn onverbindend; de in art. 33 lid 1 Rv neergelegde beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement, geldt niet voor faxverkeer.

Procesverloop: memorie tijdig ingediend per fax, te laat per post

In hoger beroep hadden de appellanten in deze zaak de memorie van grieven per post aan het hof gezonden. Het ‘inlevertijdstip’, waarop in te dienen processtukken in dagvaardingszaken (bodemprocedures) bij het hof moeten zijn, is op dinsdagochtend om 10.00 uur. Voor de zekerheid was de memorie ook nog vóór dat tijdstip aan het hof gefaxt. De fax kwam op tijd aan, de post niet. Het hof weigerde daarom de versie per post: te laat. Maar het hof weigerde ook de memorie die uit de fax was gerold, want in art. 2.1 van hetProcesreglement was bepaald:

“Per telefax ingediende processtukken worden niet in behandeling genomen.”

Het artikel kan worden gezien als een uitwerking van art. 33 lid 1 Rv, waarvan de eerste zin luidt:

“Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement.”

Omdat die mogelijkheid in dit geval door het procesreglement werd uitgesloten, verleende het hof appellanten akte niet-dienen en verklaarde het hen niet-ontvankelijk wegens het niet aanvoeren van grieven. Daarbij speelde ook nog mee dat het ging om een zaak onder het door het Hof Den Bosch gehanteerde pilotregime, waaronder termijnen ambtshalve worden gehandhaafd. Onder het Landelijk Procesreglement (dat geldt bij de hoven Den Haag en Arnhem-Leeuwarden; Amsterdam heeft ook een pilot) gold ook een faxverbod, maar had nog wel een vrij uitstel verkregen kunnen worden; zo niet in de pilot.

Het recht op faxen in het burgerlijk procesrecht

Appellanten stelden cassatieberoep in. De meest verstrekkende klacht luidde dat nu vast stond dat, ondanks het ‘faxverbod’, de memorie feitelijk vóór het inlevertijdstip per fax de griffie had bereikt, het hof de memorie toch had moeten accepteren, in elk geval nu de memorie een dag later alsnog was nabezorgd. Daarbij werd gewezen op de wetsgeschiedenis van art. 33 Rv. Van 2002 tot 2008 luidde dit artikel namelijk:

“Stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend.”

In deze bepaling was eerdere rechtspraak van de Hoge Raad gecodificeerd die ‘indiening’ van stukken per fax gelijkstelde met ‘feitelijke aflevering’ bij de griffie (per post of in persoon). In 2008 werd met de afschaffing van het procuraat het ‘elektronisch berichtenverkeer’ van een basis in de wet voorzien: volgens de wetgever zou elektronisch berichtenverkeer, en uiteindelijk ook het indienen van processtukken steeds meer gaan plaatsvinden. Het gewijzigde art. 33 Rv gaf een basis om dat dan in procesreglementen uit te werken.

In cassatie wezen appellanten erop dat nergens uit bleek dat het de bedoeling van de wetgever was om met de wijziging van art. 33 Rv de mogelijkheid van het indienen van stukken per fax – wat tot 2008 wettelijk toegestaan was – weer op de tocht te zetten; de gedachte was juist méér elektronisch verkeer, niet minder. Zij bepleitten daarom dat de wet en het procesreglement er niet aan in de weg zouden behoren te kunnen staan dat een eenmaal op zichzelf tijdig ontvangen memorie terzijde werd gelaten omdat deze via de fax en niet via de postkamer bij de griffie was binnengekomen. Subsidiair voerden appellanten aan dat het hof had moeten afwijken van het procesreglement, nu de wederpartij het stuk ook op tijd had ontvangen en dus niet benadeeld was, en de memorie de volgende dag alsnog per post was (na)bezorgd. Bij dit alles gold bovendien dat juist het weigeren van een memorie van grieven een fataal gevolg heeft: niet-ontvankelijkheid. Daarmee, aldus appellanten, is de verhouding zoek tussen de ernst van het verzuim (verkeerde wijze van aanbieden) en het gevolg van het verzuim (verlies van de gehele procedure).

Hoge Raad: processtukken mogen nog steeds worden gefaxt

De Hoge Raad kiest de meest principiële insteek: na een bespreking van de parlementaire geschiedenis van art. 33 Rv concludeert hij:

“3.4.3 Noch in de hiervoor geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis, noch elders, wordt aandacht geschonken aan de omstandigheid dat de indiening van processtukken per fax krachtens de rechtspraak van de Hoge Raad reeds omstreeks vijftien jaar – sedert HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0778, NJ 1993/569 – en inmiddels ook sinds enkele jaren wettelijk, mogelijk was. Tegen de achtergrond van een van de doelstellingen van de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, welke doelstelling juist een verruiming van de mogelijkheden van elektronisch verkeer beoogde, moet daarom worden aangenomen dat de wetgever met de wijziging van art. 33 Rv niet heeft willen afdoen aan de reeds jarenlang bestaande mogelijkheid processtukken per fax in te dienen.

3.4.4 Het vorenstaande brengt mee dat art. 33 Rv aldus moet worden uitgelegd dat de in art. 33 lid 1 Rv neergelegde beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement, niet geldt voor faxverkeer en dat daarvoor is blijven gelden de in 2002 in art. 33 Rv gecodificeerde regel dat stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. In zoverre is de bepaling in art. 2.1 van het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’ onverbindend. Opmerking verdient dat hetzelfde geldt voor de gelijkluidende bepaling (art. 2.1) in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingsprocedures bij de hoven.”

De primaire cassatieklacht wordt daarom gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Bosch. Op de subsidiaire klacht – kort gezegd: dat in de omstandigheden van deze zaak het pilotreglement niet onverkort had mogen worden toegepast door akte niet-dienen te verlenen – hoefde de Hoge Raad daarom niet meer in te gaan. Uit twee op dezelfde dag gewezen arresten van de Hoge Raad (besproken in CB 2015-68) blijkt echter dat de Hoge Raad zeer kritisch staat tegenover de toepassing van het pilotreglement als de ernst van de gevolgen van die toepassing niet in redelijke verhouding staat tot het verzuim.

De appellanten zijn in cassatie bijgestaan door de auteur.

Aanvulling (30/04/2015): inlevertijdstip overruled?

Naar aanleiding van het arrest en dit blogje benaderden meerdere advocaten mij met de vraag of deze uitspraak betekent dat stukken bij het hof nog de gehele dinsdag tot 24.00 uur per fax kunnen worden ingediend, ook al schrijft het procesreglement als inlevertijdstip 10.00 uur voor. Dat denk ik niet. In deze zaak was de bepaling over het inlevertijdstip in elk geval niet aan de orde, en de Hoge Raad zegt er ook niets over. Waar de Hoge Raad overweegt (r.o. 3.5) dat vaststaat dat de fax “tijdig is ingekomen”, lijkt hij in de context van het bestreden arrest en het partijdebat te bedoelen: “vóór 10.00 uur“, niet “vóór 24.00 uur”. Een uitleg van art. 33 Rv (oud) dat procesreglementen geen ander tijdstip voor de indiening per fax van een processtuk mogen voorschrijven dan 24.00 uur, lijkt ook niet direct voor de hand te liggen. Een redelijke wetsuitleg zou kunnen zijn: als een termijn afloopt op een bepaalde dag (zonder tijdstip), dan is een indiening per fax vóór 24.00 uur nog tijdig. Is er wel een tijdstip vastgelegd, dan geldt dat tijdstip als uiterste tijdstip voor indiening per fax (in beginsel – afwijken van het procesreglement door het gerecht blijft mogelijk en is soms zelfs geboden).

Bron: Cassatieblog

veroordeling niet exact is nagekomen: dwangsom verbeurd?

Een dwangsom is een effectief middel om een veroordeling te effectueren. Indien niet aan het vonnis wordt voldaan of een verbod wordt overtreden, kan een dwangsom worden verbeurd

Na het vonnis dient dit eerst te worden betekend, en vervolgens dient de dwangsom daadwerkelijk te worden aangezegd. Pas daarna kan een dwangsom ook worden verbeurd, mits vaststaat dat de veroordeelde partij in overtreding van het vonnis is. Toch is ook na zo`n overtreding niet vast dat die dwangsom ook werkelijk verschuldigd is.

Dit blijkt uit een beslissing van de voorzieningenrechter in Almelo. In deze beslissing (ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0324) ging het om de partijen Privatescan B.V. en Prescan B.V., beide aanbieders van preventief medisch onderzoek. In een eerdere procedure had de rechtbank ’s-Gravenhage de eigenaar van Privatescan, hierna A, bevolen om de mededeling “Privatescan is marktleider” te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom met een maximum van € 250.000,-.

Op het LinkedIn profiel van de eigenaar van Privatescan stond ondanks de betekening van het vonnis toch nog gedurende enige tijd de slagzin “Privatescan is marktleider”. Prescan maakte vervolgens aanspraak op de dwangsom en legde beslag op bezittingen van A. Deze heeft vervolgens Prescan in kort geding gedagvaard (in een zogenaamd executiegeschil) en heeft staking van de executie en opheffing van de beslagen gevorderd. Hij voert in dit geschil onder andere aan dat dwangsommen nooit zijn verbeurd omdat de vermelding op het LinkedIn profiel geen overtreding van het vonnis is.

De voorzieningenrechter dient dus het plaatsen van deze slagzin te toetsen aan de inhoud van de veroordeling van het vonnis van de rechtbank. Uitgangspunt hierbij is dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Het doel van dit eerste vonnis van de rechtbank is misleiding bij de consument dient te worden voorkomen. Omdat het LinkedIn profiel van A met daarop de verboden slagzin toegankelijk is voor iedereen, en dus ook voor consumenten toegankelijk is, is het vonnis in principe overtreden.

Volgens de Kort geding rechter is het echter de vraag of deze overtreding, met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid, voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat daardoor dwangsommen zijn verbeurd. In de eerste procedure is het geschil vooral toegespitst op artikelen die op websites van partijen waren geplaatst, en niet op profielen van Social Media, waaronder die van LinkedIn. Volgens de rechter ligt het niet voor de hand dat consumenten dat profiel van A bezoeken en is dus die overtreding van zodanig ondergeschikte betekenis dat er door de overtreding geen dwangsommen zijn verbeurd. De Voorzieningenrechter wijst de vorderingen van A toe, en de executie diende te worden gestaakt en het beslag diende te worden opgeheven.

Volgens de Voorzieningenrechter is er wel sprake van een overtreding maar deze overtreding is niet ernstig genoeg om het verbeuren van dwangsommen te rechtvaardigen. De beslissing is mogelijk in strijd met de regel dat de bevoegdheid om een dwangsom op verzoek van de veroordeelde partij op te heffen of te matigen exclusief ligt bij de rechter die de dwangsom zelf heeft opgelegd (de rechtbank ’s-Gravenhage). De Voorzieningenrechter grondde zijn beslissing op de redelijkheid en billijkheid.