Thuiswerken: arbeidsvoorwaarde of een recht?

Thuiswerken wordt de regel, maar regels zijn er nog niet
De coronacrisis heeft één ding helder gemaakt: thuiswerken is in veel gevallen goed mogelijk is, zonder schade aan de bedrijfsvoering. Veel Europeanen gaan sinds maart vorig jaar niet meer regelmatig naar kantoor om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan.

Op veel plaatsen in de wereld heeft de corona crisis de al ingezette trend naar digitalisering en het hybride werken (PDF) van de werkplek en flexibelere werkregelingen versneld. Helaas hebben overheden nog problemen met de invoering van wetgeving om een en ander te reguleren in hun arbeidswetten. Die inspanningen staan ​​grotendeels nog in de kinderschoenen.

In Europa, in tegenstelling tot in de Verenigde Staten, staat de bescherming van werknemers in het algemeen voorop. De ontslagbescherming is sterker, in het ontslaan van een personeelslid kan een forse ontslagvergoeding met zich meebrengen.

In Nederland is de situatie niet anders Een nieuwe wetsvoorstel moet werknemers het recht geven om hun werk thuis uit te voeren. Werkgevers zien een dergelijke wet nog wet niet zo zitten, maar voelen wel de roep om thuiswerk.

Uit onderzoek van vakbond FNV (PDF) bij diverse sectoren blijkt de behoefte aan thuiswerken groot, en die is de afgelopen jaren sterk gegroeid. De wens om thuis te werken varieert voornamelijk in de mate waarin vanuit huis wordt gewerkt, geheel of slechts gedeeltelijk, en waarbij de meerderheid van de werknemers kantoorwerk wil combineren met thuiswerken.

Omdat veruit de meeste werknemers een afwisseling willen in thuis werken en op kantoor werken, er minder controle is en thuiswerk extra kosten meebrengt is het begrijpelijk dat werkgevers streven naar vaste afspraken in cao’s om thuiswerken te regelen.

Volgens de werkgeversorganisatie AWVN is de wet ‘feitelijk overbodig’ en hebben werkgevers geen behoefte aan wettelijke regulering van het recht op thuiswerken, omdat werkgever en werknemers er in de praktijk altijd wel uitkomen.

De Raad van State meent eveneens dat de initiatiefwet onnodig is omdat het probleem thans nog geen maatschappelijk of sociaal probleem is, waarop de wetgever moet ingrijpen. Een belangrijk SER-advies over hybride werken (PDF), is nog in de maak.

Het thans voorliggende initiatiefwetsvoorstel ‘Wet werken waar je wil’ geldt werkgevers waarin 10 of meer werknemers werken.
Het initiatiefwetsvoorstel is bedoeld om ervoor te zorgen dat werknemers meer vrijheid krijgen in hoe zij de balans tussen het werken op werklocatie en het werken thuis willen organiseren. De Wet flexibel werken (Wfw) wordt gewijzigd om mogelijk te maken dat een verzoek om aanpassing van de arbeidsplaats op eenzelfde manier wordt behandeld als een verzoek om aanpassing van de werktijd of arbeidsduur.

Volgens deze wet kan de werknemer een verzoeken kan doen voor aanpassing van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht door (deels) te werken vanaf het woonadres of de werklocatie van de werkgever. Alleen bij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang en na overleg met de werknemer kan de werkgever het verzoek afwijzen.

Het verzoek moet door de werknemer minstens twee maanden vóór voorafgaande aan de beoogde ingangsdatum worden gedaan, en een motivatie is niet nodig. De werkgever heeft de plicht om hierover met de werknemer in overleg te treden. De werkgever zal binnen een maand voor de beoogde ingangsdatum schriftelijk moeten reageren.

De sociale partners kunnen zelf ook afspraken over flexibel werken opnemen in een cao. Cao-afspraken hierover gaan boven het recht op thuiswerken.

Volgens de opstellers van de wet zullen werkgevers minder reiskostenvergoedingen betalen maar komen daarvoor wel in de plaats de kosten voor de inrichting van een thuiswerkplek. Op langere termijn zullen de vaste lasten voor werkgevers dalen door minder behoefte aan kantoorruimte.

Afspraken die de werknemer en werkgever moeten maken zal ook gaan over de thuiswerkvergoeding in verband met de kosten voor bijvoorbeeld voor stroom, verwarming, koffie en thee op de thuiswerkplek. Volgens de staatssecretaris van Financiën is in in de opzet voor het Belastingplan 2022 (PDF) al rekening gehouden met een belastingfaciliteit voor de thuiswerkvergoeding.

Een voorbeeld van een land waar thuiswerken reeds tot verregaande wetgeving heeft geleid is Portugal. Deze wetgeving is echter niet onverdeeld positief ontvangen door de werknemers.

De Portugese wet bevat ook bijzondere bepaling betreffende regels over het contact dat werkgevers en werknemers buiten werktijd hebben.
Een werkgever mag niet (proberen) contact op te nemen met de werknemer, buiten werktijd, een werkgever moet de werknemer compenseren voor extra kosten van gas, licht, water en internet en het is de werkgever verboden om met digitale software te controleren wat hun werknemer doet.

Volgens werkgevers en werknemers is er veel kritiek op de nieuwe regels die weinig concreet zijn, weinig gedetailleerd en mogelijk onhaalbaar zijn, en zelfs averechts zouden kunnen werken, omdat werkgevers terughoudend worden om thuiswerken toe te staan.

De technologie die thuiswerken mogelijk maakt, heeft ook de deur geopend voor misbruik, zoals lange werkdagen, als gevolg van het feit dat werknemers ook buiten de normale werktijden bereikbaar blijven via email, en andere elektronische berichtendiensten. De gevolgen kunnen onder meer uitputting tussen werk en privé en een gevoel van isolement zijn.

Maar de nieuwe wet stuit op scepsis van degenen die ze moet beschermen. In veel landen in Europa wordt daarom gepleit voor een richtlijn van de Europese Commissie die de verschuiving naar meer uitgebreid thuiswerken wettelijk kan vormgegeven, omdat de regelgeving en veel landen divers, fragmentarisch onduidelijk is. De meeste EU-landen hebben specifieke wetgeving over telewerken, zij het met verschillende benaderingen, en andere overwegen dit door middel van wijzigingen, uitbreidingen of conventies.

In landen als Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en België is het ‘recht om te ontkoppelen’ of het “recht op onbereikbaarheid” voor werknemers nu de standaard. Hierdoor wordt het de werknemer mogelijk buiten werktijd alle berichtgeving met informatie of instructie van de werkgever te negeren.

In Portugal wordt de verantwoordelijkheid afgeschoven op werkgever. “De werkgever heeft de plicht om buiten de werkuren geen contact op te nemen met de werknemer, behalve in situaties van overmacht”. Bij overtreding van de wet kan een boete worden opgelegd.

Ook hebben ouders of verzorgers met kinderen tot acht jaar het recht om desgewenst thuis te werken, zolang het soort werk dat ze doen verenigbaar is met telewerken.

Wetgeving dienst echter rekening te houden met de specifieke aard van het dienstverband en de functie van de werknemer. Een oplossing voor elke sector is nu eenmaal niet eenvoudig te maken.

over de digitalisering van rechtspraak

1. Het voorop stellen van de zaken die wél goed gaan en het verbloemen van zaken die niet goed verlopen lijkt een rode draad te zijn voor ICT-projecten van de overheid. Heeft de Rechtspraak deze les van de commissie Elias wel geleerd?

De Raad voor de rechtspraak laat de aanpak van de digitalisering regelmatig toetsen door externe bureaus. Ook de Rekenkamer heeft in 2015 een onderzoek uitgevoerd en concludeerde toen dat het positief is dat bij de digitalisering van de ,lessen uit het verleden worden meegenomen.

De maatregelen die recent zijn getroffen, om de planning en aansturing aan te passen, komen voort uit deze evaluaties.

2. In hoeveel rechtszaken kan er nu digitaal worden geprocedeerd?

De Rechtspraak behandelt op jaarbasis zo’n 1,5 tot 2 miljoen zaken.

Bij zaken waarin de rechter een toezichthoudende rol heeft, kan met de digitale systemen nu circa 50% van de zaken digitaal worden behandeld (ca. 180.000 zaken van de in totaal 350.000 – 400.000 dossiers). Het gaat dan om faillissementen en bewindszaken met professionele bewindvoerders.
Bij strafrecht kunnen we alle eenvoudige (politierechter)zaken nu digitaal behandelen. In de loop van dit jaar geldt dat ook voor driekwart van de zwaardere (MK-) strafzaken. In totaal gaat het bij straf om circa 260.000 zaken op jaarbasis.
Bij bestuursrecht worden alle asiel- en bewaringszaken verplicht digitaal behandeld, dat zijn er zo’n 20.000 op jaarbasis. Alles bij elkaar gaat het bij bestuur om zo’n 180.000 zaken (denk aan vreemdelingenzaken, verkeerszaken, belastingzaken, bouwzaken, sociale zekerheid etc.).
Bij civiel recht is de rechtspraak begonnen met het digitaliseren van relatief complexe zaken waarbij alleen professionele procespartijen zijn betrokken: verplicht digitaal procederen in handelsvorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging in twee rechtbanken, nu bijna 500 zaken digitaal. Het gaat in dit type zaken niet om grote volumes (circa 10.000 zaken op jaarbasis totaal), maar ze blijken mede door het nog steeds complexe procesrecht wel lastig te digitaliseren.

Een groot deel (bijna de helft) van alle rechtszaken betreft eenvoudige geldvorderingen bij kanton. Dat kantonzaken later worden gedigitaliseerd heeft ermee te maken dat bij dit type zaken burgers betrokken zijn.
Dan is er nog de categorie (familie)verzoeken, bijvoorbeeld zaken rond echtscheiding en ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kinderen. Dit betreft in totaal een kleine 200.000 zaken. En de zaken in hoger beroep, bij elkaar zo’n 65.000 zaken. Deze zijn nog niet gedigitaliseerd.

3. Wanneer kan er in alle rechtszaken digitaal worden geprocedeerd?

Wanneer in alle rechtszaken digitaal wordt geprocedeerd, is niet te zeggen.
In 2018 geeft de Rechtspraak prioriteit aan digitaal procederen in handelsvorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging. In de zwaardere (MK-) strafzaken zal in 2018 in ongeveer 75 procent digitaal gaan worden geprocedeerd.
Daarna gaat de Rechtspraak stapsgewijs verder met de invoering van digitaal procederen.

4. Hoeveel geld is er tot nu toe uitgegeven aan de digitalisering van de Rechtspraak?

In de jaren 2013-2017 is iets minder dan € 100 miljoen geïnvesteerd in de IT-ontwikkeling van digitaal procederen (verspreid over een periode van 5 jaar). Daarnaast is een vergelijkbaar bedrag geïnvesteerd in de implementatie van digitaal procederen. Bijvoorbeeld aan kosten voor opleidingen, reorganisatie en het Rechtspraak Servicecentrum.

5. Hoeveel geld is er nog nodig voor de digitalisering van de Rechtspraak?

Voor 2018 voorziet de Rechtspraak ruim € 45 miljoen aan kosten voor de digitalisering. Dat is inclusief de kosten voor de implementatie van digitaal procederen. Daarna heeft de Rechtspraak jaarlijks een vergelijkbaar bedrag nodig voor de digitalisering. Daarnaast werd met de digitalisering beoogd de efficiencytaakstelling van Rutte II in te vullen door middel van het realiseren van baten. Door de vertraging is dit slechts ten dele gelukt. De Raad voor de rechtspraak en het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn in gesprek over een structurele oplossing voor de financiering.

Bron: de Rechtspraak                        

procedure bij rechter wordt digitaal

De Tweede Kamer is akkoord met de digitalisering van het bestuursrecht en het civiel recht. Donderdag stemde het parlement in met de wet waarmee de invoering vorm krijgt. De Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht werd als hamerstuk aangenomen. De invoeringswet is de laatste van een drietal wetten om de digitalisering te regelen. De andere twee zijn al door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer wil het hele wetgevingspakket in één keer behandelen.

Het kabinet wil net als de rechtspraak dat de procedures bij de bestuursrechter en bij de burgerlijk rechter vereenvoudigd en dus ook gedigitaliseerd worden. Zo voorziet het wetgevingspakket in de eis dat processtukken via elektronische weg ingediend moeten worden. Ook komen er meer termijnen en krijgt de rechter de mogelijkheid om het proces te sturen.

In de eerste wet uit het pakket worden de procedures uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en uit de Algemene wet bestuursrecht onder handen genomen. De tweede wet regelt hetzelfde voor de hoger beroepen.

Bron: Tekst Nieuwsbericht – OpMaat