Raad van State kritisch over linkse wet gelijke betaling payrollers

De Raad van State vindt dat de drie oppositiepartijen een te klein onderdeel van de problemen op de arbeidsmarkt proberen op te lossen. PvdA-Kamerlid Van Dijk erkent het belang van het aanpassen van de totale arbeidsmarkt, maar vindt het verstandig om met één onderdeel te beginnen.

De Raad van State is kritisch over het initiatiefwetsvoorstel van de linkse partijen om de positie van de payrollers te verbeteren. Het hoogste adviesorgaan van de regering noemt de wet van GroenLinks, de SP en de PvdA ontoereikend, complex en kostenverhogend.

De wet moet regelen dat payrollers dezelfde arbeidsvoorwaarden hebben als werknemers met een vast contract. De ruim 200.000 mensen met een payroll-contract zijn op papier in dienst bij een payroll-bedrijf, waardoor ze bijvoorbeeld een slechtere pensioenregeling kunnen hebben.

De Raad van State vindt dat de drie oppositiepartijen een te klein onderdeel van de problemen op de arbeidsmarkt proberen op te lossen. PvdA-Kamerlid Van Dijk erkent het belang van het aanpassen van de totale arbeidsmarkt, maar vindt het verstandig om met één onderdeel te beginnen.

“We moeten dit nu al doen, want er is geen tijd te verliezen”, aldus Van Dijk. De drie partijen willen niet wachten op een plan van het kabinet om de flexibilisering van de arbeidsmarkt te beperken. “Het duurder maken van payrollers is een begin,” aldus Van Dijk.

Bron: NOS

Nieuw IPR-huwelijksvermogensrecht

Alle achttien lidstaten waar de verordening gaat gelden (waaronder Nederland), passen voortaan dezelfde conflictregels toe. En als het goed is, komt men op grond daarvan tot hetzelfde oordeel over het toepasselijke huwelijksvermogensrecht. Dit betekent dat bijvoorbeeld huwelijkse voorwaarden gemakkelijker in het buitenland worden erkend.

Niet alleen in Nederland houdt de wetgever zich met het huwelijksvermogensrecht bezig. Ook de Europese wetgever laat zich op dit terrein niet onbetuigd. In het kader van een nauwere samenwerking binnen de Europese Unie dient vanaf volgend jaar de Huwelijksvermogensrechtverordening te worden toegepast. Deze verordening bepaalt onder meer welk huwelijksvermogensrecht in grensoverschrijdende situaties van toepassing is

Uniforme regels voor huwelijksvermogensrecht

Verschillen de echtgenoten van nationaliteit of wonen zij bijvoorbeeld in het buitenland, dan rijst de vraag welk recht hun huwelijksvermogensregime beheerst. Nu nog bepaalt Nederland dit aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, waarbij naast Nederland alleen Frankrijk en Luxemburg zijn aangesloten. Verder past ieder land zijn eigen regels toe. Niet erg handig natuurlijk, in een wereld waarin steeds meer mensen hun heil ook buiten de eigen landsgrenzen zoeken.

Dat gaat met de komst van de Huwelijksvermogensrechtverordening veranderen. Alle achttien lidstaten waar de verordening gaat gelden (waaronder Nederland), passen voortaan dezelfde conflictregels toe. En als het goed is, komt men op grond daarvan tot hetzelfde oordeel over het toepasselijke huwelijksvermogensrecht. Dit betekent dat bijvoorbeeld huwelijkse voorwaarden gemakkelijker in het buitenland worden erkend. Ook het belangrijke estateplanningsinstrument van de rechtskeuze zal in alle deelnemende lidstaten geldig zijn.

Welk recht is van toepassing?

Hebben de echtgenoten geen rechtskeuze uitgebracht, dan geldt voor hen het recht van het land waar zij zich na hun huwelijk hebben gevestigd. Blijven zij in verschillende landen wonen, dan is het recht van hun gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing. Ontbreekt ook die, dan geldt het recht waarmee de echtgenoten het nauwst zijn verbonden.

In het kader van de estate planning verdient het natuurlijk aanbeveling dat de echtgenoten zelf het toepasselijke recht vastleggen. Dit kan bijvoorbeeld door in de huwelijkse voorwaarden een rechtskeuzebeding op te nemen. De keuzemogelijkheden zijn beperkt tot rechtsstelsels waarmee een nauwe band bestaat. De echtgenoten mogen kiezen voor het recht van het land van de nationaliteit of de gewone verblijfplaats van een van hen.

Naast het toepasselijke recht, regelt de Huwelijksvermogensrechtverordening ook de internationale bevoegdheid van de rechter en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het terrein van de huwelijksvermogensrecht.

Geregistreerde partnerschappen

In aanvulling op de verordening voor huwelijksvermogensstelsels gaat een tweede verordening gelden voor de vermogensrechtelijke gevolgen van grensoverschrijdende geregistreerde partnerschappen. Ook hier worden de regels van rechtsmacht, toepasselijk recht en erkenning en tenuitvoerlegging binnen de deelnemende lidstaten – waaronder Nederland – geharmoniseerd. Als de partners niet zelf een rechtskeuze zijn overeengekomen, wordt hun partnerschapsvermogensregime onder de verordening beheerst door het recht van het land waar het partnerschap is aangegaan.

Vooruitgang?

De Europese verordeningen betekenen zeker een vooruitgang voor de eenvoud van de afwikkeling van grensoverschrijdende huwelijksboedels en partnerschapsvermogensregimes in de deelnemende landen. De kring van achttien lidstaten kan bovendien nog groter worden. Ook nemen de mogelijkheden om maatregelen van estate planning in het buitenland erkend te krijgen, toe. Dit geldt overigens alleen voor de civiele aspecten; fiscale zaken blijven buiten schot.

Ingangsdatum

De verordeningen zijn van toepassing op huwelijken en geregistreerde partnerschappen die op of na 29 januari 2019 worden gesloten. Voor huwelijken en partnerschappen van vóór deze datum blijven de oude regels gelden, tenzij na deze datum een rechtskeuze wordt uitgebracht. Ook echtgenoten en partners die reeds voor 29 januari 2019 zijn gehuwd of als partners zijn geregistreerd, kunnen op deze wijze van de estateplanningsinstrumenten uit de nieuwe verordeningen profiteren.

Bron: SDU

Executierechter versus de beslagrechter; wie oordeelt over het verbeuren van een dwangsom?

In civiele geschillen wordt vaak beslag gelegd met verlof van de voorzieningenrechter of door executie van een vonnis. (Executie) geschillen inzake zo`n beslag worden beoordeeld door de voorzieningenrechten

In civiele geschillen wordt vaak beslag gelegd met verlof van de voorzieningenrechter of door executie van een vonnis. (Executie) geschillen inzake zo`n beslag worden beoordeeld door de voorzieningenrechten.

In een vonnis legt de rechter soms een dwangsom op. Geschillen over het verbeuren van een dwangsom worden eveneens beoordeeld door de executierechter, maar dat is soms een andere rechter dan degene die het vonnis ter zake van het onderliggende geschil gaf of die verlof gaf tot het leggen van beslag.

De Hoge Raad gaf recent  een beslissing (ECLI:NL:HR:2017:2455) over de vraag van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die in een vonnis een dwangsom heeft opgelegd en de rechter die oordeelt in een executiegeschil.

In dit geval was er een schuldenaar die in verband met een derdenbeslag verplicht was roerende zaken onder zich te houden. Gelijktijdig was deze echter ook op straffe van een dwangsom veroordeeld om die zaken af te geven aan zijn schuldeiser. Hier was de vraag of de schuldenaar dwangsommen had verbeurd. Meestal zal de rechter die de dwangsom oplegde hierover moeten oordelen. In zo`n situatie van schuldeisersverzuim, kan de veroordeelde partij ook de rechter die oordeelt in het executiegeschil verzoeken te bepalen of dwangsommen al dan niet zijn verbeurd.

In deze zaak was A veroordeeld tot betaling van een geldbedrag en, op straffe van een dwangsom, tot afgifte van goederen aan B. Een schuldeiser van partij B legde nog voordat A kon voldoen aan het vonnis derdenbeslag op de gelden en goederen van partij B, die dus nog  onder partij A verkeerden. Partij A kan door het beslag wettelijk gezien de goederen niet afgeven aan B. Had A nu de dwangsommen verbeurd?

De deurwaarder speelt in zaken van executie een belangrijke rol en kan zelfstandig naar de rechter gaan voor een uitspraak. De voorzieningenrechter oordeelde dat partij A terecht de goederen onder zich had gehouden en dus geen dwangsommen verbeurde, aangezien A onmogelijk aan het vonnis kon voldoen.

Volgens de wet is die beslissing voorbehouden aan de rechter die de dwangsom oplegde. In hoger beroep oordeelde het hof dan ook dat de rechter die oordeelt in het executiegeschil niet bevoegd is hierover te oordelen, omdat dat dat volgens de wet is voorbehouden aan de rechter die de dwangsom had opgelegd.

In cassatie kwam de Hoge Raad tot een ander oordeel. De Hoge Raad stelt voorop dat volgens de wet uitsluitend de rechter die de dwangsom had opgelegd bevoegd is de dwangsom op te heffen of te verminderen als de veroordeelde niet aan de hoofdveroordeling kan voldoen.

Daaruit had het hof afgeleid dat de rechter die oordeelt in het executiegeschil dus niet kan oordelen over een op “onmogelijkheid” gebaseerde stelling van de veroordeelde, in dit geval de stelling van A dat zij geen dwangsommen hoeft te betalen als gevolg van het derdenbeslag.

De Hoge Raad bepaalde dat ook de rechter die oordeelt in het executiegeschil, net als in andere gevallen waarin executiegeschillen aan hem worden voorgelegd, kan onderzoeken of de uitspraak waarbij de dwangsom is opgelegd nog actueel en uitvoerbaar is in het licht van nieuwe omstandigheden.

Ook nu oordeelde de rechter dat A door het derdenbeslag verplicht was om de goederen onder zich te houden en dus kon niet aan de veroordeling tot afgifte kon voldoen. Het derdenbeslag leverde schuldeisersverzuim op voor B, (door een aan B toe te rekenen omstandigheid was A niet in staat de zaken aan B af te geven) en zo lang dat verzuim duurde, mocht partij B geen maatregelen tot executie nemen. Daardoor kon de hoofdveroordeling waaraan de dwangsom was verbonden gedurende die periode niet ten uitvoer worden gelegd. Dit brengt mee dat A gedurende de periode van het schuldeisersverzuim dus geen dwangsommen kon verbeuren.

Daaraan doet niet af dat het verzuim van de schuldeiser ook overmacht voor de schuldenaar oplevert. Het hof kon immers vaststellen dat de hoofdveroordeling niet vatbaar was voor tenuitvoerlegging. Voor een schuldenaar die zelf, of van wie de wederpartij niet aan een veroordelend vonnis kan voldoen door een gelegd beslag of een andere gebeurtenis die wordt aangemerkt als schuldeisersverzuim, is nu duidelijk dat de rechter in het executiegeschil dus ook bevoegd is te oordelen over verbeurde dwangsommen en dat dus geen een afzonderlijke procedure hoeft te worden gestart bij de rechter die de oorspronkelijke dwangsom had opgelegd.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, stel een vraag aan advocaten.nl of bel met 0900-advocaten.

Bij verstek veroordeeld: wat nu?

Een gedaagde partij die niet verschijnt in een procedure zal door de rechter in bijna alle gevallen bij verstek worden veroordeeld. De vordering van de eiser wordt dan meestal geheel toegewezen.

Verstek

De wet geeft de veroordeelde partij echter alsnog een mogelijkheid om de zaak opnieuw te laten beoordelen door de rechter. Die partij moet dan wel binnen 4 weken verzet aantekenen bij dezelfde rechter.

Een gedaagde partij krijgt een oproep voor een datum waarop hij zich moet melden in de procedure die de eiser aanspant. Doet hij dat niet dan wordt er verstek tegen hem verleend. Dit is niet het einde van de procedure omdat de gedaagde, nog voordat vonnis is gewezen, alsnog het verstek kan zuiveren. Hij meldt zich dan alsnog in de procedure. Daarmee gaat de procedure gewoon verder. Doet de gedaagde partij dat niet, dan wijst de rechter in de meeste gevallen de eis volledig toe. Dat vonnis kan vervolgens door de deurwaarder ten uitvoer worden gelegd.

Verzet

Maar ook dan is nog niet alles verloren voor de veroordeelde partij. Die kan alsnog binnen 4 weken verzet aantekenen door middel van een dagvaarding. In die dagvaarding moet hij dan wel direct het inhoudelijk verweer voeren om ontvankelijk te worden verklaard. De procedure wordt gevoerd voor dezelfde rechter die het verstekvonnis heeft gewezen. De zaak wordt dan heropend en alsnog wordt de zaak inhoudelijk door de rechter beoordeelt.

executiegeschil

Er kan echter toch nog een probleem zijn voor de veroordeelde partij indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. In dat geval schorst het verzet niet de mogelijkheid van de executie van het vonnis. In dat geval zal de veroordeelde partij gelijktijdig een executiegeschil aanhangig moeten maken, of hij moet in de lopende procedure een voorlopige voorziening vragen waarin hij alsnog verzoekt om de schorsing van de executie.

Verzettermijn

Verzet is mogelijk tot 4 weken nadat de veroordeelde kennis heeft kunnen nemen van het verstekvonnis. In theorie betekent dit dat de veroordeelde partij nog zelfs jaren na zijn verstek veroordeling in verzet kan komen. Dat kan bijvoorbeeld indien de eiser het vonnis pas na lange tijd aan de voordeelde partij betekent via een deurwaardersexploot. Pas vanaf het moment dat die betekening heeft plaatsgevonden gaat de 4 weken termijn lopen.

Omdat de aanvang van de verzettermijn dus nogal kan variëren, heeft de wet voor sommige gevallen bepaalt wanneer die termijn aanvangt. Bijvoorbeeld indien de veroordeelde berust in het vonnis, door een verklaring of door een daad blijk geeft van die berusting, of indien executie van het vonnis plaatsvindt.

Hebt u zich te laat gemeld in een procedure, of ontvangt u een vonnis , maar bent u niet in de procedure verschenen, laat dan allereerst door een jurist of advocaat beoordelen of het zinvol is om alsnog te verschijnen en verweer te voeren, of de verzettermijn nog niet is verstreken en of verzet zinvol is. Bel in alle gevallen 0900-0600 of zend een email aan advocaten.nl .

‘Klaagcultuur ontwricht tuchtrechtspraak advocaten’

Een klaagcultuur dreigt de tuchtrechtspraak voor advocaten te ontwrichten. Dat stelt Tjeerd Zuidema, voorzitter van het Hof van Discipline, in het jaarverslag over 2017 dat dinsdag is gepubliceerd.

Zuidema waarschuwt dat een kleine groep ‘veelklagers’ het Hof en de vier Raden van Disciplines overstelpt met ‘kansloze klachten’ en berichten die niets met een zaak te makken hebben. Hierdoor dreigen de tuchtcolleges niet meer toe te komen aan hun eigenlijke taak: het behandelen van relevante tuchtklachten tegen advocaten. ‘Deze ontwikkeling wordt door tuchtcolleges steeds meer als ontwrichtend ervaren’, schrijft Zuidema. ‘De noodzaak bestaat om een schifting te maken aan welke zaken wel en aan welke zaken geen tijd meer besteed wordt.’

De klaagcultuur komt volgens Zuidema ook terug in de jaarcijfers van de tuchtcolleges. Zo is vorig jaar het aantal wrakingsverzoeken tegen tuchtrechters, herzieningsverzoeken en klachten over dekens gestegen. In 2017 waren er overigens niet veel meer klachten tegen advocaten dan een jaar eerder: 1020 om 998. Een derde van de klachten werd gegrond verklaard.

Tien advocaten zijn vorig jaar onherroepelijk van het tableau geschrapt, één meer dan in 2016.

bron: FD                            

Tweede Kamer voor meer disciplinaire maatregelen rechters

Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

De Tweede Kamer heeft vandaag ingestemd met een wetsvoorstel waarmee de mogelijkheden om rechters bij ongeoorloofd gedrag te berispen of te bestraffen worden verruimd. Alle partijen in de Kamer stemde voor de wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

De Rechtspraak pleit al langer voor zo’n wijziging en adviseerde eerder positief over het wetsvoorstel. De rechterlijke organisatie kan op dit moment maar zeer beperkt maatregelen treffen als rechters ongeoorloofd gedrag vertonen.

Toen zich vorige week tijdens een Kamerdebat over het voorstel een meerderheid leek af te tekenen, reageerde Kees Sterk (vicevoorzitter van de Raad voor de rechtspraak) tevreden. Hij benadrukte dat de uiteindelijke keuze vanzelfsprekend aan de politiek is, maar ook dat de Rechtspraak graag ziet dat de mogelijke disciplinaire maatregelen worden uitgebreid. Sterk: ‘Het voorstel komt voor een belangrijk deel overeen met voorstellen die de Rechtspraak eerder zelf deed. Op dit moment kunnen we geen maatwerk bieden als een rechter zich ongepast gedraagt. We kunnen óf een schriftelijke waarschuwing geven, of een ontslagprocedure starten bij de Hoge Raad. Een vrij lichte straf en een hele zware straf dus. Dat is echt te beperkt.’

Als de wet wordt gewijzigd komen hier onder andere de mogelijkheid om te berispen of te schorsen bij. Nu de Tweede Kamer heeft ingestemd met het voorstel moet de Eerste Kamer er nog over oordelen voordat de wet van kracht kan worden.

Bron: de Rechtspraak                             

over de digitalisering van rechtspraak

1. Het voorop stellen van de zaken die wél goed gaan en het verbloemen van zaken die niet goed verlopen lijkt een rode draad te zijn voor ICT-projecten van de overheid. Heeft de Rechtspraak deze les van de commissie Elias wel geleerd?

De Raad voor de rechtspraak laat de aanpak van de digitalisering regelmatig toetsen door externe bureaus. Ook de Rekenkamer heeft in 2015 een onderzoek uitgevoerd en concludeerde toen dat het positief is dat bij de digitalisering van de ,lessen uit het verleden worden meegenomen.

De maatregelen die recent zijn getroffen, om de planning en aansturing aan te passen, komen voort uit deze evaluaties.

2. In hoeveel rechtszaken kan er nu digitaal worden geprocedeerd?

De Rechtspraak behandelt op jaarbasis zo’n 1,5 tot 2 miljoen zaken.

Bij zaken waarin de rechter een toezichthoudende rol heeft, kan met de digitale systemen nu circa 50% van de zaken digitaal worden behandeld (ca. 180.000 zaken van de in totaal 350.000 – 400.000 dossiers). Het gaat dan om faillissementen en bewindszaken met professionele bewindvoerders.
Bij strafrecht kunnen we alle eenvoudige (politierechter)zaken nu digitaal behandelen. In de loop van dit jaar geldt dat ook voor driekwart van de zwaardere (MK-) strafzaken. In totaal gaat het bij straf om circa 260.000 zaken op jaarbasis.
Bij bestuursrecht worden alle asiel- en bewaringszaken verplicht digitaal behandeld, dat zijn er zo’n 20.000 op jaarbasis. Alles bij elkaar gaat het bij bestuur om zo’n 180.000 zaken (denk aan vreemdelingenzaken, verkeerszaken, belastingzaken, bouwzaken, sociale zekerheid etc.).
Bij civiel recht is de rechtspraak begonnen met het digitaliseren van relatief complexe zaken waarbij alleen professionele procespartijen zijn betrokken: verplicht digitaal procederen in handelsvorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging in twee rechtbanken, nu bijna 500 zaken digitaal. Het gaat in dit type zaken niet om grote volumes (circa 10.000 zaken op jaarbasis totaal), maar ze blijken mede door het nog steeds complexe procesrecht wel lastig te digitaliseren.

Een groot deel (bijna de helft) van alle rechtszaken betreft eenvoudige geldvorderingen bij kanton. Dat kantonzaken later worden gedigitaliseerd heeft ermee te maken dat bij dit type zaken burgers betrokken zijn.
Dan is er nog de categorie (familie)verzoeken, bijvoorbeeld zaken rond echtscheiding en ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kinderen. Dit betreft in totaal een kleine 200.000 zaken. En de zaken in hoger beroep, bij elkaar zo’n 65.000 zaken. Deze zijn nog niet gedigitaliseerd.

3. Wanneer kan er in alle rechtszaken digitaal worden geprocedeerd?

Wanneer in alle rechtszaken digitaal wordt geprocedeerd, is niet te zeggen.
In 2018 geeft de Rechtspraak prioriteit aan digitaal procederen in handelsvorderingen met verplichte procesvertegenwoordiging. In de zwaardere (MK-) strafzaken zal in 2018 in ongeveer 75 procent digitaal gaan worden geprocedeerd.
Daarna gaat de Rechtspraak stapsgewijs verder met de invoering van digitaal procederen.

4. Hoeveel geld is er tot nu toe uitgegeven aan de digitalisering van de Rechtspraak?

In de jaren 2013-2017 is iets minder dan € 100 miljoen geïnvesteerd in de IT-ontwikkeling van digitaal procederen (verspreid over een periode van 5 jaar). Daarnaast is een vergelijkbaar bedrag geïnvesteerd in de implementatie van digitaal procederen. Bijvoorbeeld aan kosten voor opleidingen, reorganisatie en het Rechtspraak Servicecentrum.

5. Hoeveel geld is er nog nodig voor de digitalisering van de Rechtspraak?

Voor 2018 voorziet de Rechtspraak ruim € 45 miljoen aan kosten voor de digitalisering. Dat is inclusief de kosten voor de implementatie van digitaal procederen. Daarna heeft de Rechtspraak jaarlijks een vergelijkbaar bedrag nodig voor de digitalisering. Daarnaast werd met de digitalisering beoogd de efficiencytaakstelling van Rutte II in te vullen door middel van het realiseren van baten. Door de vertraging is dit slechts ten dele gelukt. De Raad voor de rechtspraak en het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn in gesprek over een structurele oplossing voor de financiering.

Bron: de Rechtspraak                        

Noodkreet over digitale rechtspreek

De Centrale Ondernemingsraad (COR) van de Raad voor de rechtspraak luidt de noodklok over de digitalisering van de rechtspraak. In een brief aan voorzitter Frits Bakker van de Raad schrijft de COR “zeer kritisch en bezorgd te zijn” over het project. De COR pleit voor een onafhankelijk onderzoek naar digitalisering van de rechtspraak

De brief van de COR is in handen van NRC Handelsblad die er dinsdag 30 januari een bericht over publiceerde onder de kop ‘Flop dreigt met digitale rechtspraak’. Volgens een woordvoerster van de Raad voor de rechtspraak trekt NRC uit de brief ten onrechte de conclusie dat de digitalisering volgens de COR dreigt te mislukken.

GAT IN DE BEGROTING

Wel bevestigt de woordvoerster dat de contracten van zestig externe ict-deskundigen niet worden verlengd wegens geldgebrek. Eerder deze maand bleek uit de voortgangsrapportage over het project KEI al dat de invoering van digitaal procederen forse vertraging oploopt en duurder uitpakt. De kosten voor de operatie werden oorspronkelijk geraamd op 60 miljoen euro, maar inmiddels is er 200 miljoen aan uitgegeven.

De Rechtspraak zit nu met een gat van 20 miljoen euro in de begroting. Met minister Dekker (Justitie en Veiligheid) wordt naar een oplossing gezocht.

HANDELSVORDERINGEN

Verplicht digitaal procederen voor handelsvorderingen vanaf 25.000 euro is op 1 september ingevoerd in de arrondissementen Gelderland en Midden-Nederland en zou op 1 april 2018 landelijk worden toegepast. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat die datum niet wordt gehaald, maar verwacht wordt dat het wel gaat lukken ‘binnen de periode 2018 tot 2019’. Datzelfde geldt voor de digitalisering van reguliere vreemdelingenzaken en toezichtsdossiers zoals bewind.

Op de vraag of er een onafhankelijk onderzoek komt naar digitalisering van rechtspraak antwoordt de woordvoerster van de Raad voor de rechtspraak: “We gaan in overleg met de COR. Dat is het enige wat we er nu over kunnen zeggen.”

Bron: Mr. Online

Pensioen bij scheiding automatisch geregeld

Het pensioen wordt in de toekomst na een echtscheiding automatisch verdeeld tussen de voormalige partners

Het pensioen wordt in de toekomst na een echtscheiding automatisch verdeeld tussen de voormalige partners

Ook worden de pensioenrechten direct gesplitst waardoor voor beiden direct duidelijk wordt welk pensioen later te verwachten is.

Dat heeft minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken) de Tweede Kamer laten weten. “Echtscheiding is een moeilijke situatie waarbij je veel aan je hoofd hebt, en pensioen is een ingewikkeld onderwerp. De verdeling kan en moet eenvoudiger.” Hij hoopt dat het in 2020 ingaat.

Helft van het pensioen

Veel mensen hebben geen idee welke gevolgen een echtscheiding kan hebben voor het pensioen, bleek twee jaar geleden nog uit onderzoek van het ministerie van Financiën. Na een scheiding heeft een man of vrouw recht op de helft van het pensioen dat de ex-partner heeft opgebouwd tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Op dit moment is het nog zo dat het pensioen na een scheiding wordt verdeeld als de echtbreuk binnen twee jaar aan het pensioenfonds wordt gemeld. Gebeurt dit niet, dan moet de uitbetaling later tussen de partners worden geregeld. Dat kan tot lastige situaties leiden.

Kwetsbare partners

Door het automatisch te regelen worden kwetsbare partners beter beschermd, aldus Koolmees. Omdat de voormalige partners met de nieuwe regeling ook direct inzicht krijgen in hun toekomstig pensioen krijgen ze volgens hem “meer regie over hun eigen financiële planning”.

Bron: ANP                       

straf op beledigen koning moet verdwijnen

In de Tweede Kamer tekent zich een meerderheid af om majesteitsschennis uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen. Het is alleen nog niet duidelijk hoe de wet er precies gaat uitzien

De Kamer sprak vanavond over een initiatiefwet van D66-Kamerlid Verhoeven. Die vindt een afzonderlijk artikel over belediging van het staatshoofd niet meer van deze tijd. Hij wil de koning op dit punt net zo veel bescherming bieden als alle andere Nederlanders.

Het is nu nog zo dat op belediging van de koning een maximale gevangenisstraf staat van vijf jaar, en op belediging van ‘gewone burgers’ slechts drie maanden. Voor belediging van ambtenaren en bestuurders is de maximale straf vier maanden.

Eerst klacht indienen

Behalve D66 spraken ook coalitiepartner VVD en de oppositiepartijen PVV, SP, GroenLinks en PvdA waarderende woorden voor de initiatiefwet, maar er zijn nog wel vragen over de uitwerking.

Zo zijn VVD en PvdA het er niet mee eens dat de koning in het D66-voorstel eerst een klacht moet indienen voordat het OM tot vervolging kan overgaan, terwijl bij ambtenaren geen klacht nodig is. Ze vinden het ook niet terecht dat op belediging van ambtenaren een zwaardere straf komt dan op belediging van de koning. “Het is een fout idee om de koning minder bescherming te bieden dan ambtenaren”, zei VVD-woordvoerder Koopmans. VVD en PvdA dienden samen wijzigingsvoorstellen in om de initiatiefwet van D66 op dat punt te veranderen.

D66-woordvoerder Groothuizen zei dat het voorstel gaat over het onnodig beperken van de vrijheid van meningsuiting, maar dat het “geen onbegrensde mogelijkheid geeft om andere mensen te beledigen”.

Eer van de natie

De regeringspartijen CDA, ChristenUnie en oppositiepartij SGP zijn tegen de initiatiefwet. “De koning vertegenwoordigt de eer van de natie en dat rechtvaardigt een afzonderlijke strafbaarstelling van het beledigen van de koning”, zei CDA-Kamerlid Van Dam. Bovendien ligt het hem “als een steen op de maag” dat belediging van de koning alleen kan worden vervolgd na een klacht door het staatshoofd zelf.

ChristenUnie-leider Segers zei dat het voorstel past in de D66-traditie om “majesteitsstennis” te schoppen en volgens SGP-voorman Van der Staaij gaat van de wet het signaal uit dat er meer ruimte komt om de koning te beledigen.

Buitenlandse staatshoofden

Een ruime Kamermeerderheid is het eens met het schrappen van de aparte strafbepaling voor het beledigen van bevriende buitenlandse staatshoofden, zoals D66 ook voorstelt.

Verhoeven zal de Kamer over een paar weken antwoorden. Hij zei na het debat dat hij zijn wet niet zal intrekken als de Kamer de koning dezelfde behandeling wil geven als ambtenaren. “Je moet niet op kleine dingen een groot ding laten vallen.”

Als de Tweede Kamer met de initiatiefwet akkoord gaat, moet ook de Eerste Kamer er nog mee instemmen.

Bron: NOS