De risico`s van de turboliquidatie

Let op bij de turboliquidatie. Gewild, of ongewild, kan de bestuurder voor verrassingen te staan komen door persoonlijke aansprakelijkheid voor schulden van de vennootschap.

Het einde van een onderneming van een vennootschap komt in zicht zodra er wordt voorzien dat er in de toekomst geen baten meer zijn om een verplichtingen te voldoen. In zo`n geval kan de BV worden ontbonden door een besluit van de aandeelhouder(s). Zijn op dat moment al geen baten meer dan houdt de bv direct op met bestaan.
Zijn er nog baten, dan blijft de ontbonden rechtspersoon nog wel bestaan om de lopende zaken af te wikkelen, de vereffening van het vermogen, de zogenaamde liquidatie. Deze vereffening is in de wet geregeld en dient een vaste procedure te doorlopen, inclusief de oproep aan eventuele schuldeisers. Meer informatie over deze vereffening vindt u bij de Kamer van Koophandel
Voor de ESV, Europees Economisch Samenwerkingsverband.
gelden overigens bijzondere regels, neergelegd in de Verordening (EEG) nr. 2137/85

Zijn er meer schulden dan baten, dan ligt een faillissementsaanvraag voor de hand, tenzij alle schuldeisers bekend zijn en deze instemmen met een vereffening zonder faillissement.

Een derde, snellere en goedkopere beëindiging is de zogenaamde turboliquidatie.
Artikel 2:19 lid 4 BW bepaalt in welk geval dit mogelijk wordt; De turboliquidatie is alleen mogelijk indien de vennootschap geen baten heeft.
Er vindt geen ontbinding of vereffening plaats, er hoeft niet te worden gepubliceerd en geen termijnen in acht worden genomen. Het enige dat nodig is is een formeel ontbindingsbesluit van de aandeelhouder(s). In bijzondere gevallen is een (HR 18 december 2015, ECLI:HR:2015:3636) turboliquidatie zelf geraden, omdat een lege boedel geen faillissement (en hoge kosten die dit veroorzaakt) rechtvaardigt.

De turboliquidatie wordt in de praktijk ook wel eens misbruikt, zoals ook bleek uit de uitspraak van het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2021:1792)  

De schuldeisers worden niet vooraf geïnformeerd over het verdwijnen van de bv, waar zij een vordering op hebben schuldenaar en blijven zonder geld en zonder enige verantwoordingsinformatie over een vereffening achter. De wet bepaalt immers niet dat het bestuur schuldeisers aanschrijft of een slotbalans opmaakt en publiceert.

Soms onttrekt het bestuur kort voor de liquidatie  vermogen aan de vennootschap of doet selectieve betalingen aan schuldeisers om alle baten uit te geven, zodat de vereiste voorwaarde voor turboliquidatie in leven wordt geroepen. Een selectieve betalingen houdt weer het gevaar in dat een bestuurder wordt aangesproken in verband met betalingsonwil, hetgeen betalingsonmacht uitsluit. In zo`n geval kan het bestuur persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. In het bovengenoemde geval had een vennootschap zich voor dochtervennootschappen borg gesteld. De borg werd op enig moment aangesproken door een crediteur, de bank, maar toen bleek dat de vennootschap inmiddels was ontbonden door een turboliquidatie.

De crediteur liet het er niet bij zitten en sprak de bestuurder van de borg-vennootschap aan, allereerst als persoonlijke borg, maar ook als bestuurder die aansprakelijk werd gehouden voor het ten onrechte uitvoeren van de turbo liquidatie. Kort voor de ontbinden waren er immers aantoonbaar nog baten aanwezig.
Volgens de rechtbank mag van de bestuurder worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de borg niet in staat was om de bank te betalen bij gebrek aan baten. Volgens art. 2:19 lid 4 BW is dat immers de voorwaarde voor de turboliquidatie.

De bestuurder stelde in hoger beroep dat er geen aantoonbare baten meer waren, immers alleen een oninbare vordering. Het hof
(ECLI:NL:GHDHA:2021:1792) meende
dat dit verweer niet inhield dat de vennootschap net over over baten kan beschikken, nu kennelijk kort voor de ontbinding ook een woonhuis en een rekening –courant vordering van € 146.000,- op de balans stonden. De bestuurder had hiervoor geen duidelijke verklaring. Op grond hiervan concludeerde het Hof dat de bestuurder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van betalingsonmacht maar van betalingsonwil.

Om bestuurdersaansprakelijkheid te voorkomen, doet een bestuurder er dus goed aan voorafgaan de aan de ontbinding alle baten zoveel mogelijk aan te wenden voor de schuldeisers in evenredigheid van hun vorderingen, transparant te handelen en er voor te zorgen dat er afdoende informatie is om achteraf aan te tonen dat er geen baten meer zijn.

Voor meer informatie over de mogelijkheden bestuurders aansprakelijk te stellen of dit juist te voorkomen kunt u bellen met 0900-advocaten of stuur een bericht aan advocaten.nl.

Ontruiming van de wanbetalende huurder

Met de uitvoerbaarheid bij voorraad kan een verhuurder de ontruiming direct uitvoeren, zonder de uitkomst van het hoger beroep af te wachten. Mits in dit vonnis een bijzondere afweging over de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad ontbreekt, kan een huurder die afweging alsnog vragen aan de voorzieningenrechter, om directe ontruiming te voorkomen.

Als een huurder met enige regelmaat een huurachterstand laat ontstaan loopt deze een hoog risico ontruimd te worden. Tegen een veroordeling tot ontruiming staat echter altijd een hoger beroep open. Met de huidige doorlooptijden kan de uitkomst van een hoger beroep vele maanden tot meer dan een jaar in beslag nemen. Een hoger beroep schorst immers in de regel het vonnis, totdat het in hoger beroep is bekrachtigd.

Uitvoerbaar bij voorraad

Om die reden zal een verhuurder, die de ontruiming wenst, aan de rechter altijd een verklaring vragen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is.
Deze uitvoerbaarheid bij voorraad betekent dat de verhuurder de uitkomst van het hoger beroep niet hoeft af te wachten, maar zonder vertraging de ontruiming via een deurwaarder ten uitvoer kan leggen.

Daarmee loopt de verhuurder natuurlijk de kans aansprakelijk te worden gesteld voor de schade die de huurder onherroepelijk lijdt, mocht in het hoger beroep de ontruimingsvordering alsnog worden afgewezen. Dit risico neemt de verhuurder meestal op de koopt toe.

Executiegeschil

Anderzijds staat de huurder tegen die uitvoerbaarheid bij voorraad ook nog een rechtsmiddel ten dienst: hij kan in een kort geding de schorsing van de ten uitvoerlegging vorderen bij de voorzieningenrechter, of vragen dat de verhuurder wordt verboden het vonnis uit te voeren totdat in hoger beroep is beslist. Deze procedure, het executiegeschil, geeft, zoals de naam reeds zegt, op korte termijn een uitspraak over de vraag of er bijzondere redenen zijn om de executie, dus de ontruiming, door te zetten.

Noodtoestand door ontruiming

De huurder kan die schorsing vragen indien hij meent dat er een noodtoestand ontstaat indien er wordt ontruimd, of dat de verhuurder misbruik maakt van zijn recht. De huurder heeft daarbij een spoedeisend belang, omdat ontruiming immers in de praktijk vaak een onomkeerbare situatie schept.
In het bijzonder kan aan de voorzieningenrechter een schorsing worden gevraagd indien uit het ontruimingsvonnis blijkt dat de rechter, die deze voorziening gaf, geen expliciete waardering heeft gegeven met betrekking tot de vordering van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Belangrijke aspecten bij een geschil over executie

Bij een dergelijk executiegeschil zijn een paar aspecten van groot belang. Indien een vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard zonder dat de rechter dit laatste heeft gemotiveerd, kan alsnog een belangenafweging voorafgaande aan een uitspraak in appel zijn gerechtvaardigd.

Verder is van belang dat de kort geding rechter in een executiegeschil nooit de kans van slagen van het hoger beroep zal beoordelen. Dit laatste is immers voorbehouden aan het Gerechtshof die het hoger beroep behandelt.

Dit is slechts anders indien het ontruimingsvonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag. Wat dit laatste betreft zal de executierechter alle feiten en omstandigheden, alsmede al hetgeen partijen in de voorafgaande ontruimingsprocedure naar voren hebben gebracht, in aanmerking moeten nemen. Men dient dan te denken aan een evidente vergissing van de rechter, waarbij bijvoorbeeld een rekenfout is gemaakt, of belangrijke feiten of omstandigheden bewust of kenbaar achter zijn gehouden bij de voorstelling van zaken.

Als er echter geen sprake is van een evidente vergissing kan de voorzieningenrechter dus alsnog een afweging maken ten aanzien van de vraag of de ontruiming een noodtoestand in het leven roept voor de huurder, die, in afwachting van het hoger beroep, zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder om tot ontruiming over te gaan.

Een ander aspect is hier ook van belang. De noodtoestand voor de huurder dient wel helder en inzichtelijke te worden gemaakt. Met andere woorden, het is niet voldoende dat de huurder dat stelt. Een ontruiming zal voor de meeste huurders wel een ernstige nood doen ontstaan, maar die nood weegt in de regel niet zwaarder dan het belang van de verhuurder tot ontruiming; die afweging is in beginsel al bij de rechter gemaakt, die de ontruimingsvordering toewees. Nee, de huurder dient, in aanvulling wat in de gewone ontruimingsprocedure is aangevoerd als verweer, expliciet aan te geven en aannemelijk te maken waarom zijn belang het afwachten van de uitspraak in hoger beroep, althans een schorsing van de tenuitvoerlegging voor een bepaalde door de rechter te geven termijn, rechtvaardigt.
Overigens kan de rechter wel nieuwe feiten, die zich na het vonnis hebben voorgedaan, en die eerder niet zijn meegewogen, alsnog meewegen, óók indien de uitvoerbaarverklaring expliciet is gemotiveerd.

Al deze aspecten komen aan bod in een uitspraak van Rechtbank Overijssel, 14-03-2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1072, 9725881 CV EXPL 22-895.
Hier voerde de huurder een executiegeschil, teneinde te voorkomen dat de verhuurder gebruik maakte van een ontruimingsvonnis. Tegen dit vonnis had de huurder al hoger beroep ingesteld, maar omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad was, had dit niet tot gevolg dat het vonnis werd geschorst. De ontruiming was dus al aangekondigd.

Het geschil volgde op een wanbetaling gedurende meerdere jaren, en reeds eerder was tegen deze huurder een ontruimingsvordering toegewezen.

Volgens de huurder zou een noodtoestand ontstaan door de ontruiming. De huurder ontkende niet dat een huurachterstand was ontstaan, maar stelde dat deze eenvoudig kon worden ingelopen. Geld zou geen probleem zijn. Er was geen betalingsonwil, en er was al een betalingsregeling tot stand gekomen. De door de huurder aangevoerde noodtoestand kwam neer op de hoge leeftijd en de ziekte van de huurder en het ontbreken van alternatieve huisvesting, waardoor de ontruiming de ziekte nog zou verergeren.

De rechter bepaalde hier dat alsnog die belangenafweging diende plaats te hebben, omdat in het ontruimingsvonnis de afweging ontbrak. Helaas bleef het bij die afweging, omdat de huurder in dit geval geen bewijs leverde noch deze aanbood. De rechter oordeelt ten overvloede dat de ontruiming reeds lang geleden was aangekondigd en de huurder tijdig maatregelen had kunnen treffen. Bovendien weegt de rechter ten overvloede op mee dat er al meerdere jaren betalingsproblemen waren en dat de huurder al eerder een ontruimingsvonnis tegen zich hoorde uitspreken.

De kantonrechter wees de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en laat de verhuurder toe het ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen.

De conclusie is dat het voor de verhuurder die de ontruiming wenst belangrijk is om de uitvoerbaarverklaring goed te laten motiveren door de rechter die de ontruiming uitspreekt. Dit voorkomt dat hierover in de 2e instantie alsnog een uitspraak moet worden gegeven. Voor de huurder is relevant om een noodtoestand expliciet inzichtelijk maken, omdat de rechter anders een dergelijke belangenafweging niet alsnog kan maken.

Voor meer informatie over huurgeschillen belt u 0900-advocaten, of zend een bericht via dit formulier.