Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Publicatiedatum: 27 oktober 2026
Gerecht: Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied: Personen- en familierecht, kinder- en partneralimentatie
Verzoek om hogere kinder- en partneralimentatie
De voormalige echtgenoten hadden drie kinderen. In hun ouderschapsplan was in 2021 een kinderalimentatie van € 200 per kind per maand afgesproken. De vrouw vroeg later om verhoging naar € 400 per kind per maand. Daarnaast verzocht zij om € 716,07 bruto per maand aan partneralimentatie.
Volgens de vrouw was het inkomen van de man sinds de echtscheiding aanzienlijk gestegen. De man werkte als ondernemer in een nagelstudio en kapsalon. Uit zijn belastingaangiften bleek een winst die opliep van € 14.979 in 2023 naar € 35.441 in 2024 en € 45.305 in 2025.
Kostbare woning paste niet bij opgegeven inkomen
De man had in 2024 een woning gekocht voor in totaal € 574.979. Op de woning rustte een hypotheek van € 560.000. Volgens de rechtbank riepen die bedragen vragen op, omdat de financiering en de bijbehorende maandlasten moeilijk te verenigen waren met het bij de Belastingdienst opgegeven inkomen.
De vrouw had de man herhaaldelijk gevraagd om uitleg en financiële stukken. Ook de rechtbank vroeg om een toelichting op zijn inkomsten, uitgaven en hypotheekfinanciering. De man verstrekte uiteindelijk wel zijn aangifte inkomstenbelasting over 2025, maar geen actuele gegevens over 2026 en evenmin het hypotheekdossier of de stukken die bij de financieringsaanvraag waren gebruikt.
De advocaat van de man verklaarde bovendien dat in de onderneming veel contant geld omging en niet alles bij de Belastingdienst werd opgegeven. Een duidelijke verklaring voor de financiering van de woning bleef echter uit.
Ontbrekende informatie kwam voor rekening van de man
Voor de berekening van alimentatie moet de rechter de behoefte en draagkracht kunnen beoordelen. Een wijziging van alimentatie is mogelijk wanneer de omstandigheden zijn veranderd, zoals bepaald in artikel 1:401 BW.
De rechtbank oordeelde dat de man voldoende gelegenheid had gekregen om zijn financiële positie inzichtelijk te maken. Dat hij geen afdoende verklaring en geen volledige stukken had verstrekt, kwam voor zijn rekening en risico.
De rechter achtte het, gelet op de aankoopprijs van de woning, de hypotheek en de betaalde woonlasten, voldoende aannemelijk dat de man feitelijk over meer inkomen beschikte dan uit zijn aangiften bleek.
Alimentatie met terugwerkende kracht verhoogd
De kinderalimentatie werd verhoogd naar € 400 per kind per maand met ingang van 7 december 2025. Vanaf die datum wist de man dat de vrouw om een herberekening vroeg en kon hij met een verhoging rekening houden.
Daarnaast moest de man vanaf 26 januari 2026 € 716,07 bruto per maand aan partneralimentatie betalen. Dat was de datum waarop de vrouw haar verzoekschrift had ingediend.
De man stelde nog dat de vrouw had samengewoond alsof zij getrouwd was en dat haar aanspraak op partneralimentatie daardoor op grond van artikel 1:160 BW was geëindigd. De rechtbank vond de vereiste duurzame affectieve relatie, wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding echter onvoldoende bewezen.
Waarom is deze uitspraak relevant voor bezoekers van advocaten.nl?
Bij de vaststelling of wijziging van alimentatie kijkt de rechter niet uitsluitend naar belastingaangiften. Ook de feitelijke levensstijl, verworven bezittingen, financieringen, contante inkomsten en betaalde lasten kunnen aanwijzingen geven over de werkelijke draagkracht.
Een woning of hoge hypotheek leidt niet automatisch tot de conclusie dat iemand meer verdient dan hij opgeeft. In deze zaak was vooral van belang dat de financiering niet bij het opgegeven inkomen paste en dat de man ondanks herhaalde verzoeken geen controleerbare verklaring of onderliggende stukken gaf.
Een ondernemer die partij is in een alimentatieprocedure doet er daarom verstandig aan volledige jaarstukken, bankafschriften, aangiften, actuele omzetgegevens en financieringsstukken over te leggen. Onvolledigheid kan ertoe leiden dat de rechter op basis van andere omstandigheden een hoger inkomen aannemelijk acht.
ECLI-uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:31568
Bron: Rechtbank Den Haag, gepubliceerd op Rechtspraak.nl op 27 oktober 2026.
Lees het volledige oorspronkelijke bericht op Rechtspraak.nl.
Deze samenvatting en toelichting zijn opgesteld door advocaten.nl. De Rechtspraak is daarbij niet betrokken.
Voor meer gedetailleerde informatie en professionele hulp door advocaten kunt u een vraag stellen via www.advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.