arbeidsongeschikte zzp-er krijgt alsnog volledige schadevergoeding

Zo is het wel genoeg

Een 62-jarige man, huisschilder van beroep, verdient tot in de eerste helft van 2013 als ZZP’er probleemloos de kost. Hij heeft met gemak werk tot medio 2017 en hij is van plan om ook daarna nog vier jaar door te werken. Dan slaat het noodlot toe. Rijdend op zijn motor op zijn eigen weghelft wordt hij frontaal aangereden door een auto. Hij breekt zijn pols en een groot deel van het spierweefsel van een been wordt door contact met het wegdek weggeschuurd.

De verzekeringsmaatschappij erkent aansprakelijkheid en ziet ook in dat de man blijvend volledig arbeidsongeschikt is. In de daaropvolgende periode keert de verzekeringsmaatschappij in totaal netto € 23.500,- uit waarna op grond van de jaarcijfers wordt beweerd dat hiermee alle schade wegens inkomensverlies wel vergoed is.

Onze schilder spant een kort geding aan tegen de verzekeringsmaatschappij en vordert aanvullende bevoorschotting op zijn schade waartegen de verzekeringsmaatschappij zich verweert, in feite door alles te ontkennen en op grond daarvan te zeggen dat het zo wel genoeg is.

De rechter leest de jaarcijfers bepaald anders, concludeert dat er behalve inkomensderving ook sprake is van verlies aan zelfwerkzaamheid (niet meer zelf klussen, verven, tuin bijhouden doch voortaan moeten inhuren van betaalde krachten) en huishoudelijke hulp behoefte (wat vandaag de dag ook niet meer gesubsidieerd wordt). De rechter wijst als aanvullende schade een bedrag toe van netto € 30.000,- enkel over de periode tot en met 2014.

Te hopen valt dat de man niet ook over de volgende jaren tot en met 2021 elk jaar moet procederen om zijn schade vergoed te krijgen. Misschien valt het mee. Want voordat een rechter in kort geding geldvorderingen toewijst, moet er wel wat aan de hand zijn, in de zin dat de rechter er echt van overtuigd is dat de uiteindelijke schade veel hoger zal liggen. Het standpunt van de verzekeringsmaatschappij moet dus echt onverdedigbaar zijn geweest. Het is niet aannemelijk dat dit bij de verzekeringsmaatschappij op een vergissing berustte. In zo’n geval wekt de verzekeringsmaatschappij de schijn op gewoon geprobeerd te hebben de schilder de bietenbrug op te sturen, want rechters delen echt geen cadeautjes uit.

Het is een zegen dat ook de rechter wel eens kan zeggen: “Zo is het wel genoeg.”

Verzekeren lukt niet meer omdat liegen niet loont

Wie liegt bij de aanvraag voor een verzekering of wie eenmaal uit een verzekering is gezet, loopt het risico voor zeer lange tijd nergens meer een verzekering te kunnen afsluiten. Dat zal de jongeman merken die zich als zzp’er/timmerman verzekerde tegen arbeidsongeschiktheid. Hij kruiste aan geen drugs te gebruiken en de laatste vijf jaar ook geen drugs te hebben gespoten. De aanvraag wordt geaccepteerd.

Na een jaar raakt hij een half jaar arbeidsongeschikt wegens een te opereren kwaal aan zijn polsen. Vlak voor het einde van die arbeidsongeschiktheid wordt hij opgenomen in een psychiatrische inrichting.

De verzekeraar vraagt met machtiging van de jongeman de medische gegevens op. Daaruit blijkt dat hij al jaren (vanaf zijn 12e) aan de drugs is en recentelijk drugs spoot. Hij is nu depressief en probeerde zelfmoord te plegen.

De verzekeringsmaatschappij stopt de polis met een beroep op verzwijging en vordert de gedane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terug (ruim 21.000 euro). De uitkomst is voorspelbaar: de rechter geeft de verzekeraar gelijk.

Velen zullen vooraf niet stil staan bij het feit dat het voor een leugenaar daarna voor zeer lange tijd schier onmogelijk is om nog ergens een polis af te sluiten, ongeacht of hij een auto wil verzekeren of een huis of wat dan ook. En als je je niet kunt verzekeren, krijg je bij een bank vaak ook geen krediet meer. Het gevolg is dat je financieel-economisch gezien in de woestijn terecht komt en grote kans loopt van de dorst om te komen.

Kortom, liegen loont niet, het gebruik van drugs trouwens evenmin, en laten we wel zijn, daar begon het mee.         

vrije advocaatkeuze: een sigaar uit eigen doos?

vrije advocaatkeuze: een sigaar uit eigen doos?

Naast particulieren kiezen ook steeds meer ondernemers er voor om een rechtsbijstandverzekering af te sluiten. Omdat met name bij ondernemers de gerede kans bestaat dat zij ooit in een juridisch conflict terechtkomen, is het geen onverstandig besluit om het risico van de juridische kosten af te dekken met een dergelijke verzekering.

Aangezien een verzekeringsmaatschappij doorgaans een commercieel oogmerk heeft, zal zij proberen om op een zo goedkoop mogelijke manier de overeengekomen rechtsbijstand te verlenen. Dat doet zij over het algemeen niet door rekeningen van willekeurige advocaten te betalen, maar door juristen in dienst te nemen die de kwestie zelf kunnen afwikkelen. Er zullen echter altijd zaken aan externe advocaten moeten worden uitbesteed vanwege het procesmonopolie.

Op 22 juni 1987 heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen een Richtlijn opgesteld, waarin wordt bepaald dat in elke overeenkomst inzake een rechtsbijstandverzekering uitdrukkelijk moet worden opgenomen dat de verzekerde zelf zijn advocaat mag kiezen als het komt tot een gerechtelijke procedure. In Nederland is deze richtlijn opgenomen in artikel 4:67 van de Wet op het financieel toezicht, hierna te noemen: ‘Wft’.

Hoewel deze bepaling aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat, menen rechtsbijstandverzekeraars dat deze bepaling hen niet belemmert om alsnog zelf te bepalen wie de rechtsbijstand in het concrete geval verleent. In dit verband is van belang om te vermelden dat in Nederland niet in elke gerechtelijke procedure een advocaat behoeft te worden ingeschakeld. Zo kunnen arbeidsrechtelijke zaken, die in eerste instantie bij de kantonrechter worden gevoerd, zonder advocaat worden afgedaan. “vrije advocaatkeuze: een sigaar uit eigen doos?” verder lezen

Bijstand, terugvordering en letselschade

Een 27-jarige man overkomt in 1982, toen we nog de gulden hadden, een ernstig verkeersongeval met blijvend letsel. Omdat hij op de datum van het ongeval geen baan had en ook geen inkomen, vraagt en krijgt hij vanaf die dag een bijstandsuitkering. Het komt maar al te vaak voor dat verzekeraars voorschotten weigeren, zodat slachtoffers noodgedwongen naar de bijstand moeten, soms zelfs na eerst hun op hun vermogen te zijn ingeteerd. Over de schuldvraag en de hoogte van de schadevergoeding wordt vijftien jaar gebakkeleid.

In de loop van die vijftien jaar krijgt hij uiteindelijk wel wat voorschotten, deels op de materiële schade en aanvullend op zijn inkomensschade, dus aanvullend op de bijstandsuitkering tot het niveau dat hij zonder ongeval vermoedelijk verdiend zou hebben.

Goed beschouwd betaalt de verzekeringsmaatschappij maar een deel van die inkomensschade omdat een ander deel door de bijstand wordt betaald.

Eigenlijk had de verzekeringmaatschappij de volledige inkomensschade moeten bevoorschotten en de gemeente moeten melden dat ze de bijstand konden stoppen en het reeds betaalde konden terugvorderen. Maar dat doen verzekeringmaatschappijen in de regel zelden. In die vijftien jaar werd per saldo 90.000 gulden ongespecificeerd bevoorschot.

Uiteindelijk wordt in 1997 een eindovereenkomst gesloten tussen slachtoffer en verzekeringmaatschappij waarbij de schade wordt vastgesteld op 640.000 gulden. De specificatie van de schade is (afgerond):

materiële schade: 15.000;
smartengeld: 60.000;
toekomstige medische kosten: 25.000;
toekomstig verlies aan arbeidsvermogen: 500.000;
ongespecificeerd: 40.000.

Het slachtoffer kreeg, afgerond een slotuitkering (schade van 640.000 minus 90.000 voorschotten) van 550.000 gulden, natuurlijk tegen finale kwijting over en weer. So far so good, leek het. Dan ineens staat de gemeente op de stoep en vordert alle verleende bijstand terug, vanaf 30 mei 1982 tot 1 oktober 1997, de datum waarop het slachtoffer de slotuitkering kreeg. Een totaal vordering van 227.000 gulden. Omdat de gemeente slechts over de afgelopen vijf jaar kan terugvorderen, moet het slachtoffer per saldo 106.000 gulden terugbetalen.

Het heeft er alle schijn van dat de verzekeringmaatschappij hier van geprofiteerd heeft, want in de slotdeal zat geen post opgenomen voor reeds geleden verlies aan arbeidsvermogen (lees: netto inkomensverlies), terwijl de betaalde voorschotten hooguit voor ca. 40.000 gulden betrekking kunnen hebben gehad op inkomensverlies.

De advocaat van het slachtoffer had kunnen en moeten voorkomen dat het slachtoffer ineens alsnog met deze claim zou worden geconfronteerd. De verleende bijstand was gewoon een schadepost zodat de totale uitkering van de verzekeringsmaatschappij 106.000 gulden hoger had moeten zijn. En eigenlijk had het totale schadebedrag 227.000 gulden hoger moeten zijn. De verzekeringsmaatschappij profiteerde dus van de bijstand door de gemeente, de laksheid van de gemeente, en de fout van de advocaat van het slachtoffer.

Hoe het anders had gemoeten? Op het moment dat vaststond dat de verzekeringmaatschappij moest betalen, had van de betaalde/ontvangen voorschotten eerst de verleende bijstand moeten worden terugbetaald. Nu draait het slachtoffer daar voor op terwijl dit gewoon als schade door de verzekeringsmaatschappij had moeten worden vergoed.