Nieuwe Regels Partneralimentatie

Op 1 januari 2020 gaan de wet herziening partneralimentatie in. Volgens de nieuwe wet wordt de duur van de partneralimentatie na echtscheiding ingekort. De maximale termijn is nu 12 jaar en dit wordt teruggebracht naar maximaal 5 jaar.

De nieuwe wet partneralimentatie gaat gelden voor partneralimentaties die na 1-1-2020 worden vastgesteld. Indien voor die datum afspraken over partneralimentatie zijn vastgesteld, dan blijven die onverkort gelden, en daarop heeft de nieuwe wet geen invloed. afspraken hebt, deze gewoon zo blijven. De nieuwe wet verandert niets aan de huidige situatie.  Het wetsvoorstel is alleen van toepassing op nieuwe alimentatieafspraken.

In welk geval geldt de nieuwe wet?

Ook als vóór 1 januari 2020 al een verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank dan blijven de huidige maximale termijnen gelden.

De huidige regeling

De huidige alimentatieplicht duurt 12 jaar met een mogelijke uitloop voor bijzondere gevallen. Voor huwelijken korter dan 5 jaar geldt nu reeds een beperkte alimentatieduur, gelijk aan de duur van het huwelijk. Die uitzondering geldt dan weer niet voor huwelijken waarin nog minderjarige kinderen uit dit huwelijk zijn geboren.

Beperkte duur alimentatieplicht

De wet beperkt de duur van de partneralimentatie. De kinderalimentatie blijft onveranderd tot 21 jaar. De duur van de partneralimentatie wordt vanaf 1-1-2020 de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Wie 3 jaar getrouwd was, moet dus 1,5 jaar kan dus gedurende maximaal 18 maanden alimentatieplichtig worden.  De duur vangt  aan op de dag van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De duur van de alimentatie in het voortraject, dus tijdens de echtscheidingsprocedure, die in theorie meer dan een jaar kan duren,  wordt daarin niet meegeteld.

Verschil met de huidige regelingen

In de huidige wet geldt reeds dat voor een huwelijk van maximaal 5 jaar de alimentatieplicht dezelfde duur als het huwelijk heeft, tenzij er nog minderjarige kinderen zijn die in het huwelijk zijn geboren. In dat geval blijft de alimentatieplicht nog 12 jaren.

Huwelijken met jonge kinderen

In de nieuwe wet geldt dat die alimentatieplicht dus wordt gehalveerd, en niet langer dan 5 jaar kan duren. Ook hier geldt echter dat, in geval er kinderen jonger dan 12 jaar in het huwelijk zijn, de alimentatieplicht blijft bestaan tot het jongste kind 12 jaar is.

Bij huwelijken met kinderen, die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt, wordt de duur van de partneralimentatie maximaal 12 jaar, ongeacht de duur van het huwelijk of de leeftijd van de partners.

Indien in het huwelijk nog minderjarige kinderen zijn, kan de partneralimentatie dus maximaal nog 12 jaar gelden tot het jongste kind twaalf is geworden.

Oudere huwelijkspartners

Wie langer dan vijftien jaar is getrouwd én op het moment van het scheidingverzoek binnen tien jaar de AOW-leeftijd bereikt, kan tot de AOW datum aanspraak maken op partneralimentatie.

Overgangsregeling langdurige huwelijken

De alimentatieplicht van iemand met een partner die ouder is dan 50 jaar, en die minimaal 15 jaar getrouwd zijn, is dan weer 10 jaar. Het betreft hier een overgangsregeling en deze uitzondering geldt 7 jaar na invoering van de wet. Na 2027 vervalt deze uitzonderingsgroep. De eerstkomende 7 jaar hebben alle 50-plussers na een huwelijk van minimaal 15 jaar dus recht op 10 jaar alimentatie.

Ook kunnen rechters rekening houden met schrijnende gevallen. Het is afwachten hoe de rechtspraak zich ontwikkeld. Verwacht wordt dat deze niet zal afwijken van de huidige jurisprudentie betreffende schrijnende gevallen.

In de aanloop naar de invoering van de wet is het dus goed om vooraf uit te rekenen of u als alimentatieplichtige of alimentatiegerechtigde het verzoek vóór of na 1 januari 2020 moet indienen. Om te onderzoeken welke aanpak voor u het beste is kunt u een vraag stellen aan advocaten.nl of bellen met 0900-advocaten.

Verkorting termijn partneralimentatie

In de nieuwe situatie wordt de 12-jaars termijn verkort tot 5 jaar.

Het begint er nu steeds meer op te lijken dat met ingang van 1 januari 2020 de termijn voor partneralimentatie zal worden verkort. De Tweede Kamer heeft op 11 december jl. ingestemd met het wetsvoorstel Herziening Partneralimentatie. Als ook de Eerste Kamer instemt dan betekent dit een behoorlijke wijziging van de termijn waarover partneralimentatie verschuldigd is

Huidige situatie
Op dit moment is de maximum duur van partneralimentatie 12 jaar, waarbij enkel kinderloze huwelijken die korter dan 5 jaar hebben geduurd een uitzondering vormen. In deze laatste gevallen is de termijn waarover partneralimentatie verschuldigd is gelijk aan de duur van het huwelijk.

Nieuwe situatie
In de nieuwe situatie wordt de 12-jaars termijn verkort tot 5 jaar. In beginsel zal de termijn waarover partneralimentatie verschuldigd is gelijk zijn aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van 5 jaar. Wel zijn er nog behoorlijk wat uitzonderingen, waarbij de termijn toch nog langer kan zijn en zelfs de huidige termijn van 12 jaar kan bedragen.

Uitzonderingen tot meer dan 12 jaar …
Deze uitzonderingen gelden in situatie waarbij de alimentatiegerechtigde in een zwakkere positie zit. Zo geldt dat in de situatie waarin een echtpaar kinderen heeft onder de 12 jaar de termijn waarover partneralimentatie verschuldigd is voortduurt tot het moment dat het jongste kind de 12-jarige leeftijd heeft bereikt. Ook mensen die boven de 50 zijn en langer dan 15 jaar gehuwd zijn hebben een langere tijd recht op partneralimenatatie namelijk 10 jaar.

Deze uitzondering geldt overigens maar gedurende 7 jaar na invoering van de wet. Ook in situaties waarbij het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar na de echtscheiding de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, heeft de alimentatiegerechtigde maximaal 10 jaar recht op partneralimentatie. De rechter heeft wel de mogelijkheid om in schrijnende gevallen een langere termijn dan 5 jaar toe te wijzen.

De hierboven genoemde termijnen gelden overigens enkel voor nieuwe gevallen dat wil zeggen dat de procedure over de partneralimentatie is gestart na de inwerkingtreding van de wet. In situaties waarbij de procedure is gestart of waarbij reeds een alimentatie is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de wet blijven de huidige termijnen gelden.

Partneralimentatie en lotsverbondenheid

Door een recente Hoge Raad uitspraak is het een stuk lastiger geworden om eenmaal vastgestelde partneralimentatie voor de thans nog geldende termijn van 12 jaar definitief te beëindigen.

De termijn van partneralimentatie bedraagt nog steeds 12 jaar in Nederland. De grondslag voor partneralimentatie is de lotsverbondenheid, die door het huwelijk is ontstaan. Partneralimentatie wordt vastgesteld op grond van enerzijds de behoefte bij de alimentatiegerechtigde en draagkracht bij de alimentatieplichtige anderzijds.

Wat te doen bij opnieuw samenwonen?
Gedurende de tijd dat er partneralimentatie verschuldigd is, kunnen zich wijzigingen van omstandigheden voordoen, die een wijziging van de hoogte van de partneralimentatie rechtvaardigen. Zo kan de draagkracht van de alimentatieplichtige bijvoorbeeld door onvrijwillig inkomensverlies verminderen en zal de partneralimentatie in de regel (mits goed onderbouwd) worden verlaagd tot de actuele draagkracht. Ook is het mogelijk dat er een einde komt aan de partneralimentatie. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de alimentatiegerechtigde hertrouwt. Het recht op partneralimentatie vervalt eveneens indien de alimentatiegerechtigde gaat samenleven als ware hij/zij gehuwd. Aan deze wijziging zitten echter behoorlijk wat haken en ogen omdat in de jurisprudentie is vastgelegd dat aan het laten beëindigen van de vastgestelde partneralimentatie binnen de 12-jaars termijn hoge motiveringseisen aan de rechter worden gesteld. Het dient dus volledig vast te staan dat er inderdaad sprake is van een duurzame relatie, waar sprake is van een samenwoning en dat er sprake is van wederzijdse verzorging (in financiële zin). Het is ook wel logisch dat er hoge motiveringseisen aan een dergelijke wijziging worden gesteld: er is immers sprake van een definitief einde van het recht op alimentatie.

Procederen over einde lotsverbondenheid
Er is regelmatig geprocedeerd over een vervroegd einde van de partneralimentatie als gevolg van het afnemen of vervallen van de lotsverbondenheid. Het Gerechtshof Den Haag heeft meerdere keren uitgesproken dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde door verloop van de tijd kan verbleken. De lotsverbondenheid neemt volgens het Gerechtshof Den Haag in de loop van de tijd af en van de alimentatiegerechtigde kan worden verlangd dat hij of zij zich inspant om zelf in eigen levensonderhoud te voorzien.

Hoge Raad komt tot ander oordeel
Recent heeft de Hoge Raad daar echter een heel andere uitspraak over gedaan. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 4 mei 2018 beslist dat het afnemen of vervallen van de lotsverbondenheid geen grond kan zijn voor het eindigen van de partneralimentatie. Weliswaar is de lotsverbondenheid de grondslag voor het ontstaan van het recht op partneralimentatie, maar het voortduren van het recht op partneralimentatie is niet afhankelijk van het voortduren van de lotsverbondenheid. Om die reden kan – ook niet in samenhang met andere omstandigheden – een afnemende lotsverbondenheid tot een beëindiging van de partneralimentatie leiden.

Kortom door de recente Hoge Raad uitspraak is het een stuk lastiger geworden om eenmaal vastgestelde partneralimentatie voor de thans nog geldende termijn van 12 jaar definitief te beëindigen.

Voorstel partneralimentatie: geen afspraken in huwelijkse voorwaarden

Partneralimentatie moet niet langer twaalf, maar vijf jaar gelden. Dat blijkt uit schriftelijke vragen naar aanleiding van het verslag van het wetsvoorstel herziening partneralimentatie. Verder is ervoor gekozen dat afspraken maken over partneralimentatie – over bijvoorbeeld de duur – in huwelijkse voorwaarden niet mogelijk is

Op de termijn van vijf jaar zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is voor mensen die bijna AOW-gerechtigd zijn. Voor hen kan de partneralimentatie maximaal tien jaar duren. Ook diegenen die voor jonge kinderen zorgen, zijn uitgezonderd van de hoofdregel. Zij kunnen maximaal twaalf jaar partneralimentatie krijgen.

Volgende fase
Het wetsvoorstel heeft twee jaar stilgelegen. Met de bekendmaking van deze punten gaat het nu een volgende fase in. Initiatiefnemers VVD, PvdA en D66 hebben het wetsvoorstel ingrijpend vereenvoudigd.

Kritiek
In het oorspronkelijke voorstel van 2015 konden afspraken over partneralimentatie in huwelijkse voorwaarden worden vastgelegd. Door kritiek van de Raad van State hebben de initiatiefnemers dit teruggedraaid. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft bij de indieners nog gepleit voor het wel mogelijk maken van afspraken hierover. Bij huwelijkse voorwaarden kan namelijk ook worden afgezien van partnerpensioen.

Bron: knb                                                         

Partneralimentatie afkopen

In het geval van een echtscheiding, zal er gekeken worden of er sprake is van een onderhoudsverplichting van de ene echtgenoot ten opzichte van de andere. Afhankelijk van de omstandigheden kan er sprake zijn van behoefte aan een bijdrage in zijn/haar levensonderhoud bij een van de partners en, indien de andere partner over voldoende draagkracht beschikt, zal een bedrag aan partneralimentatie vastgesteld worden. De wettelijke termijn waarover partneralimentatie dient te worden betaald, is tot op heden nog gelijk aan de duur van het huwelijk – voor zover dit niet langer dan 5 jaar heeft geduurd en kinderloos is gebleven – en in alle andere situaties bedraagt deze 12 jaar. Uiteraard is het wel mogelijk in onderling overleg daar andere afspraken over te maken

De vastgestelde/overeengekomen partneralimentatie wordt vervolgens veelal maandelijks bij vooruitbetaling betaald. Er zijn ook situaties denkbaar dat het niet wenselijk is om een langere periode iedere maand een bepaald bedrag aan de ander te betalen. Het is dan ook mogelijk om in onderling overleg overeen te komen dat de partneralimentatie wordt afgekocht. Een rechter kan dit overigens niet opleggen. Er wordt dan een afkoopsom in één keer betaald, waarmee partijen elkaar finale kwijting ten aanzien van de partneralimentatie verlenen. Voor kinderalimentatie is dit niet mogelijk.

Het voordeel van het afkopen van partneralimentatie zit met name in het feit dat partijen financieel onafhankelijk van elkaar zijn na de scheiding en er geen maandelijkse confrontatie meer is of kosten voor nieuwe procedures in verband met wijzigingen van de alimentatie in de toekomst, als gevolg van wijziging van omstandigheden in bijvoorbeeld inkomen.
De ontvangende partij ontvangt een groot bedrag in één keer dat zij/hij normaliter over meerdere jaren zou ontvangen.

Aan de andere kant kleven er ook nadelen aan afkoop van partneralimentatie. Ten eerste zal een groot bedrag in één keer opgehoest moeten worden en de mogelijkheid bestaat dat er onterecht geld betaald is, bijvoorbeeld in het geval de ontvanger na korte tijd al gaat samenleven met een nieuwe partner, zodat normaliter het recht op partneralimentatie zou zijn komen te vervallen. Ook andere situaties zijn denkbaar, zoals het verlies/verminderen van inkomen aan de zijde van de betalende partij, waardoor er door de afkoop achteraf gezien teveel is betaald.

Deze voor- en nadelen zullen op een rij gezet moeten worden en allemaal verdisconteerd moeten worden in de berekening van de afkoopsom. Tot slot kleven er nog de nodige fiscale aspecten aan het afkopen van partneralimentatie. Immers is de afkoopsom voor de betalende partij aftrekbaar en voor de ontvanger belast. Kortom: denkt u over het afkopen van de partneralimentatie dan is het verstandig u hierover goed te laten informeren: zowel juridisch als fiscaal!

Bron: Actuele Artikelen                         

Partneralimentatie op de schop?

Er is het afgelopen jaar al veel geschreven over de wijzigingen met betrekking tot de kinderalimentatie. Daar is immers veel in veranderd en nog steeds is niet volledig duidelijk hoe omgegaan moet worden met het kindgebondenbudget in relatie tot de wijze van berekenen van de kinderalimentatie. Over dit punt zijn prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Inmiddels heeft de Advocaat Generaal zijn advies uitgebracht hoe met dit punt om te gaan. Zijn advies is dat het kindgebondenbudget niet van de behoefte van het kind moet worden afgetrokken, maar bij het inkomen van de ontvangende partij moet worden opgeteld en zo moet worden meegenomen in de berekening van de kinderalimentatie. De Hoge Raad is echter niet verplicht om het advies van de Advocaat Generaal op te volgen, zodat het nog afwachten is wat de definitieve uitkomst van dit vraagstuk zal zijn. Tot die tijd zullen de rechtbanken de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen volgen, hetgeen inhoudt dat het kindgebondenbudget in zijn geheel van de behoefte van het kind moet worden afgetrokken.

Dan de partneralimentatie. Bij de berekening en vaststelling van partneralimentatie zijn we al jaren gewend dat deze geldt voor de duur van 12 jaar, tenzij het huwelijk niet langer dan 5 jaar heeft geduurd en kinderloos is gebleven. In die laatste situatie is de duur van de partneralimentatie gelijk aan de duur van het huwelijk. Verder geldt thans dat de verplichting om partneralimentatie te betalen vervalt zodra de ontvanger hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenleven als ware men gehuwd. Het recht op partneralimentatie is dan volledig vervallen en herleeft ook niet meer.

Van deze regels kan overigens wel bij echtscheidingsconvenant afgeweken worden op het moment dat het huwelijk eindigt, maar het is onder de huidige regelgeving niet mogelijk om bij huwelijkse voorwaarden reeds afspraken te maken over eventuele partneralimentatie.

De samenleving is echter behoorlijk veranderd sinds de invoering van deze regels op het gebied van partneralimentatie. Er is dan ook een wetsvoorstel ingediend om de regels rondom de partneralimentatie te wijzigen en daarmee aan te passen aan de huidige samenleving, waarin veel meer zelfredzaamheid van beide partners wordt verwacht.

In grote lijnen komt het er op neer dat de duur van de partneralimentatie behoorlijk verkort wordt en afhankelijk wordt van de duur van het huwelijk. Voorgesteld is dat de duur van de partneralimentatie wordt bekort tot de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Overigens zijn er nog wel uitzonderingen op deze hoofdregel, zoals in het geval er nog kinderen jonger dan 12 jaar zijn op het moment van de echtscheiding en in het geval het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd.

Of de ontvangende partij een nieuwe partner krijgt en daarmee gaat samenwonen, trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaat, heeft in het wetsvoorstel geen invloed meer op het recht op partneralimentatie. Ook wordt het mogelijk om reeds bij huwelijkse voorwaarden bindende afspraken over de partneralimentatie te gaan maken. Tot slot wijzigt de wijze van berekenen van de behoefte van de ontvangende partij. Nu werken we met een huwelijks gerelateerde behoefte, waarbij de mate van welstand gedurende het huwelijk het aanknopingspunt is. Het wetsvoorstel gaat echter uit van het inkomensverlies dat de ontvangende partij door het huwelijk heeft geleden.

Of al deze wijzigingen daadwerkelijk wet zullen worden is nog de vraag, maar in ieder geval is met het indienen van het wetsvoorstel wel een eerste stap gezet in de richting van een wijziging van het stelsel van partneralimentatie.

Bron: Actuele artikelen

de financiële gevolgen van vreemdgaan

Dat vreemdgaan kan leiden tot een relatiebreuk met alle financiële gevolgen van dien spreekt voor zich. De vraag is of vreemdgaan verdergaande financiële consequenties heeft dan een relatiebreuk die niet door vreemdgaan is veroorzaakt. U verliest in ieder geval niet uw recht op partneralimentatie als u vreemd bent gegaan, noch moet u meer partneralimentatie betalen als gevolg van vreemdgaan. Vreemdgaan beïnvloedt evenmin de verdeling of verrekening van het vermogen. Desondanks kan het verzwijgen van een relatie u in heel bijzondere omstandigheden duur komen te staan als u uit elkaar gaat.

Dwaling is een wettelijke grondslag om een overeenkomst ongedaan te maken. Bij of na een echtscheiding wordt regelmatig een beroep op dwaling of een aanverwante grondslag gedaan, maar dergelijke pogingen lopen in de meeste gevallen op niets uit.
Samenlevingscontract

Dat was anders in een zaak waar ons hoogste rechtscollege vorig jaar over had te oordelen. De casus is als volgt: de man en de vrouw wonen sinds 1986 ongehuwd samen. Beiden hebben voor een korte periode een relatie met een ander gehad. In augustus 2004 hebben zij na een evaluatie van hun relatie besloten samen verder te gaan. In dat kader hebben zij een samenlevingsovereenkomst opgesteld, met als doel de vermogenspositie van de vrouw te verbeteren check my source.

Eind augustus 2007 beëindigt de man de relatie. Hij vindt dat het samenlevingscontract vernietigd moet worden, want achteraf is hem gebleken dat de vrouw heeft verzwegen dat zij vlak voor de sluiting van het samenlevingscontract nogmaals een relatie met een ander heeft gehad. Hij stelt dat als hij dat had geweten hij het samenlevingscontract nooit zou hebben gesloten.

Overspel

De Hoge Raad formuleert als hoofdregel dat partners in een affectieve relatie vrij zijn om te bepalen in hoeverre hoogstpersoonlijke informatie wordt gedeeld. Echter, gelet op de eerdere evaluatie na het overspel had de vrouw de man voor de ondertekening van het contract moeten inlichten, aldus de Hoge Raad. Ze had behoren te weten dat dit essentiële informatie voor de man was. De Hoge Raad acht het beroep van de man op dwaling daarom gegrond met als gevolg dat de samenlevingsovereenkomst ongedaan is gemaakt.

Lees verder in De telegraaf                 

einde aftrek kinderalimentatie

Wet hervorming kindregelingen (WHK) en kinderalimentatie

De wet hervorming kindregelingen (WHK) is in juni 2014 aangenomen. Het aantal regelingen voor het berekenen van (kinder)alimentatie verminderd aanzienlijk. De forfaitaire aftrek kinderbijdrage verdwijnt.

De alleenstaande oudertoeslag in de bijstand, de alleenstaande ouderkorting en het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie (aftrek kinderalimentatie) vervallen.
Het kindgebonden budget wordt verhoogd en de zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’ wordt ingevoerd.
Alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor kindgebonden budget, komen ook in aanmerking voor de verhoging (de alleenstaande ouderkop).

De wijzigingen hebben vanaf 1 januari 2015 gevolgen voor de berekening van de kinderalimentatie.

De kinderalimentatie wordt berekend aan de hand van de behoefte van het kind enerzijds en de draagkracht van de ouders anderzijds.
Behoefte wordt berekend aan de hand van het netto gezinsinkomen ten tijde van de scheidingen is voorts afhankelijk het aantal kinderen en hun leeftijd. Hiervoor gelden vaste tabellen die in de rechtspraak worden gehanteerd (de zogenaamde Tremanormen)

Het aan een van de ouders toekomende kindgebonden budget wordt daar nog van afgetrokken voor het vaststellen van de behoefte dat de ouders worden geacht om maandelijks in te vullen door een eigen kinderbijdrage.

Verhoging kindgebonden budget
Op 1 januari 2015 wordt voor alleenstaande ouders een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,00 ingevoerd (de alleenstaande ouderkop). De adviesgroep die de Tremanormen ontwikkelt voor de rechterlijke macht beveelt aan om dit totale kindgebonden budget in mindering te doen strekken op het gevonden tabelbedrag. Als de berekening uitwijst dat de kinderbijslag als het kindgebonden budget samen in de behoefte van het kind voorzien, dan is die aanvullende behoefte dus niet aanwezig. In dat geval is er volgens de toekomstige normen is er geen aanspraak meer op kinderalimentatie. In veel gevallen zal er echter toch behoefte zijn aan aanvullende kinderbijdrage.

Voor meer informatie over de berekening van behoefte en draagkracht kunt u zich wenden tot Advocaten.nl. Informatie over de tremanormen kunt u hier downloaden

Kinderalimentatie niet meer forfaitair aftrekbaar.
De afschaffing van de aftrekmogelijkheid van de kinderbijdrage die de alimentatieplichtige had werkt ook door in de berekening van het alimentatiebedrag. Die aftrek zorgde immers voor een lichte verhoging van de draagkracht (lagere belastingdruk), die na 1 januari 2015 verdwijnt. De draagkracht van de alimentatieplichtige wordt dus lager, terwijl het alimentatiebedrag ongewijzigd blijft. Het gevolg is dat een groter deel van het inkomen van de alimentatieplichtige aan kinderbijdrage wordt besteed dan nu het geval is. Bij de invoering van de wet is men er van uit gegaan dat de alimentatieplichtige een herziening van het alimentatiebedrag kan verzoeken.

Indien een alimentatieplichtige derhalve in de situatie verkeert dat hij of zij de kinderbijdrage voor uw kinderen kan aftrekken, kan het eindigen van die aftrekmogelijkheid na 1 januari 2015 aanzienlijk zwaarder drukt op het netto inkomen niet. Komt deze niet met de andere ouder een alimentatieverlaging overeen , dat zou deze onder omstandigheden aan de rechter een wijziging kunnen verzoeken.
Voor een dergelijk verzoek aan de rechtbank is een advocaat nodig. Voor meer informatie over een (her)berekening van de alimentatie en informatie over de kosten en de duur van een gerechtelijke procedure kunt u zich richten tot  Advocaten.nl.

Indexeringspercentage alimentatie 2015
Jaarlijks wordt door de minister van Justitie het percentage vastgesteld waarmee de kinder- en partneralimentatie worden verhoogd. Deze verhoging is gekoppeld aan de gemiddelde stijging van de salarissen en het prijsniveau in Nederland. Het indexeringspercentage voor (kinder)alimentatie voor 2015 is vastgesteld op 0,8%. Ontvangt u kinder- danwel partneralimentatie, dan kunt u het door u te ontvangen bedrag per 1 januari 2015 dus verhogen met 0,8%.