Indirecte onterving; onterven, maar dan anders

Je kinderen onterven is een lastige beslissing, maar soms onvermijdelijk. Men kan dat ook op een indirecte manier doen, zodat het wat minder uitgesproken klinkt .

Maar wat houdt indirecte onterving precies in?

Bij het onderwerp onterving wordt er inderdaad gesproken over directe en indirecte onterving. Hoewel dit geen formele juridische termen zijn, bestaat er wel een verschil tussen het expliciet onterven van een kind bij naam (direct) en het benoemen van andere erfgenamen of het vinden van alternatieve oplossingen (indirect). Hierdoor wordt vaak gezegd dat onterving op drie verschillende manieren kan plaatsvinden.

Een directe onterving van uw jongste dochter kan worden bewerkstelligd door dit expliciet te vermelden in uw testament.

Daarnaast is er de mogelijkheid van indirecte onterving. Hierbij benoemt u specifiek de namen van de erfgenamen (in dit geval uw andere kinderen) in het testament, maar laat u de naam van het kind dat u wenst te onterven weg.

De derde aanpak is een combinatie van beide vormen; het betreffende kind erft niet, maar wordt wel vermeld in uw testament door haar (slechts) een legaat toe te kennen ter grootte van haar legitieme portie. Op die manier behoudt zij het recht op het deel dat ze anders zou ontvangen als ze aanspraak zou maken op haar legitieme portie, ondanks de onterving. Omdat het onterfde kind geen erfgenaam meer is, maar enkel recht heeft op haar legitieme portie, heeft zij geen betrokkenheid bij de afwikkeling van de nalatenschap; ze wordt dan slechts beschouwd als een schuldeiser.

Directe onterving is helder, maar wordt vaak als erg pijnlijk ervaren door veel ouders. Indirecte onterving is wat milder, maar heeft als nadeel dat als de volgende erfgenamen wegvallen, het indirect onterfde kind alsnog erfgenaam wordt. Het toekennen van een legaat ter grootte van de legitieme portie wordt meestal als de mildste aanpak gezien door de meeste ouders. Ongeacht welke aanpak u kiest, raad ik u aan te overwegen om een overweging op te nemen in het testament waarin u uitlegt waarom u hebt gekozen voor onterving. Dit verandert de situatie natuurlijk niet, maar uit ervaring blijkt dat het voor het onterfde kind vaak makkelijker is om de onterving te aanvaarden met een dergelijke uitleg.

Het Onterfde Kind En De Legitimaire Massa

Door onterving ontstaat een recht op de legitieme portie. Hoewel dit slechts een vordering in geld is, ontstaan vaak probleem bij de vaststelling van deze vordering. Een onterfd kind, ook wel legitimaris genoemd, heeft immers alleen een vordering, maar is niet betrokken bij de verdeling van de nalatenschap. Hoe wordt deze vordering berekend en welke regels gelden bij vaststelling van de de legitimaire massa.

Kinderen en de echtgenoot zijn de wettelijke erfgenamen. Is er geen testament, dan erven zij alle gelijke delen. Een ouder kan een echtgenoot of een kind onterven door een testament te maken. Wordt in een testament een ander als enig erfgenaam benoemd, of een wettelijk erfgenaam uitgesloten, dan is er sprake van onterving. Huwt een een vader van kinderen na het overlijden van zijn echtgenoot opnieuw, en overlijdt de vader zonder een testament te maken, dan zijn de kinderen feitelijk onterft, al hebben zij wel een vordering op de nieuwe echtgenoot.

In één geval geldt in de wet een remedie tegen de onterving. De wet bepaalt dat het onterfde kind een beroep kan doen op de legitieme portie. De legitieme geldt niet voor de echtgenoot of eventueel andere erfgenamen bij versterf in de 2e of 3e graad, en ook niet voor stiefkinderen. Echter wel weer kleinkinderen; als een kind vóór de ouder overlijdt, en zelf kinderen had, dan worden die kinderen legitimaris door plaatsvervulling.

De legitieme portie
De wet kent aan een kind uit de erfenis van zijn ouder een minimaal deel. Het kind kan niet voor minder dan dit deel worden gekort in zijn wettelijke rechten.

Een kind dat is onterfd en die recht heeft op de legitieme portie wordt ook ‘legitimaris’ genoemd. De legitimaris heeft 5 jaar na het overlijden de tijd om zijn deel op te eisen.

Dit opeisen moet de legitimaris doen bij de executeur of de erfgenamen. De wet bepaalt hier dat de legitimaris geen aandeel in alle goederen kan eisen, maar slechts een bedrag, dat een deel vertegenwoordigd van de waarde van de gehele nalatenschap. Hoe deze wordt berekend wordt hier uitgelegd, dat handelt over de legitimaire massa.

De legitieme portie is een vordering in geld, en in omvang de helft van de waarde die hij als wettelijk erfgenaam zou ontvangen, als hij niet onterft was. Een onterfd kind die één broer heeft zou dus 50% erven van de nalatenschap van een ouder. Is de broer tot enig erfgenaam aangewezen dan is het kind dus onterfd, maar heeft in elk geval recht op een bedrag in geld, dat 25% van de omvang van de nalatenschap bedraagt. Hij moet dan binnen 5 jaar vorderen bij de broer.

De legitimaire massa.
Het wettelijk erfdeel wordt berekend over de waarde van de nalatenschap. De legitieme portie (de helft van het wettelijk erfdeel) wordt echter niet berekend over de waarde van de nalatenschap maar over de legitimaire massa. Dit is de legitimaire aanspraak.

Het is voor de legitimaris belangrijk dit onderscheid in de gaten te houden, omdat deze bepaling voorkomt dat zijn legitieme portie toch niet via een vermindering van de nalatenschap door toedoen van de erflater alsnog lager wordt dan de helft van een wettelijke erfdeel.

De legitimaire massa is de waarde van een erfenis op de dag van overlijden, maar vermeerderd met de giften van de erflater voorafgaande aan het overlijden gedaan. De kosten van de nalatenschap, zoals beheerskosten, begrafenis of crematie, kosten van de bewindvoerder of executeur etc worden hier nog van afgetrokken.

De wet bepaalt in artikel 4:65 BW
De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan.

Stel dat de broer, die tot enig erfgenaam is aangewezen, tijdens het leven van de ouder al aanzienlijke sommen geld heeft ontvangen, en laten we aannemen dat de ouder 10 jaren vóór zijn overlijden al de helft van zijn vermogen heeft geschonken aan de de broer als enig erfgenaam, dan zou de onterfde broer die schenking in de berekening moeten betrekken om de legitimaire massa te kunnen vaststellen.

De wet bepaalt dus dat die giften voor de vaststelling van de legitimaire aanspraak fictief moeten worden “ingebracht”, dus opgeteld bij de waarde van de nalatenschap op de dag van het overlijden. De hoofdregel is de vijfjaarstermijn in artikel 4:67 BW sub e BW: Als de gift binnen vijf jaar voor het overlijden van de erflater is gedaan, wordt de gift meegenomen in de berekening van de legitimaire massa.

Artikel 4:67 BW geeft een opsomming welke door de erflater gedane giften in aanmerking moeten worden genomen voor de bepaling van de legitimaire massa, ook indien deze giften langer dan 5 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Niet elke gift wordt in aanmerking genomen. Kleine giften, voor zover gebruikelijk, blijven buiten beschouwing, giften aan de echtgenoot, en giften in verband met kosten van levensonderhoud doorgaans ook.
Bij de berekening van de legitieme porties worden de volgende door de erflater gedane giften in aanmerking genomen:
a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld;
b. giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten;
d. giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;
e. andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.

Een curieuze regel is die van art 4:67 sub d:
de giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;

Als voorbeeld kan hier gelden:
Een alleenstaande moeder met twee kinderen, broer A en zus B, schenkt een woning met een waarde van € 500.000,- aan haar B. Acht jaar nadat B de schenking kreeg overlijdt de moeder. De nalatenschap bestaat nog uit uit een bankrekening met € 20.000,- en er zijn geen schulden. Beide kinderen zijn ieder voor de helft erfgenaam. Feitelijk is broer A onterft, althans ernstig gekort in zijn rechten.
Het saldo van de nalatenschap is dus niet meer dan € 20.000,-.
Als A. en B. beiden de nalatenschap aanvaarden en broer A. een beroep op zijn legitieme portie doet, zou de legitimaire massa (€ 500.000 + € 20.000 =) € 520.000 bedragen. Zijn wettelijk erfdeel zou € 260.000 bedragen, dus de legitimaire aanspraak van A. is € 130.000. Op die legitimaire aanspraak wordt zijn aandeel in het saldo van de nalatenschap nog in mindering gebracht, dus verminderd met € 10.000,- . Zijn legitimaire tekort is nu dus € 120.000. Broer A kan nu zus B aanspreken door de aanspraak van B op de nalatenschap in te korten, maar ook op de (waarde van de) gift van B.
Volgens de concrete opvatting zou zuster B echter eenvoudig deze aanspraak van A kunnen ontlopen: door de nalatenschap te verwerpen zonder zich haar legitieme voor te behouden, zullen de giften die langer dan vijf jaren voor het overlijden van de erflater zijn uitgevoerd volgens artikel 4:67 sub d niet meer voor inkorting vatbaar zijn. Door verwerping is B immers geen legitimaris meer in de ruime zin (zij is dan geen erfgenaam meer). De uitzondering van art 4:67 sub d is dan van toepassing: de schenking wordt meegerekend “mits zij erfgenaam is“.
Het maakt hierbij overigens niet uit of B zou zijn onterfd en B de legitieme niet zou opeisen.

In de literatuur is ook de opvatting beleden dat een dergelijke zienswijze niet redelijk is. Op die wijze wordt A immers ernstig benadeeld, en de wetsregel geeft dan niet het door de wet gewenste resultaat. De abstracte zienswijze gaat er van uit de in artikel 4:67 sub d wordt bedoeld met “mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is” de legitimaris in ruime zin wordt bedoeld, ongeacht of deze zich bediend van de “legitieme”. In deze abstracte opvatting maakt het niet uit dat B de nalatenschap verwerpt; de bepaling van artikel 4:67 sub d wordt geabstraheerd van de door een kind werkelijk een beroep op de legitieme is of kan worden gedaan.

In de abstracte opvatting kan A dus altijd inkorten en daarvoor B aanspreken.
In één uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden wordt de abstractie visie gevolgd.
“Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat voor het zijn van ‘legitimaris’ in de zin van artikel 4:67 lid d BW niet relevant is of een beroep op de legitieme portie is gedaan of niet. Het woord ‘legitimaris’ in artikel 4:67 lid d duidt de persoon aan die aanspraak kan maken op een legitieme portie, niet slechts de persoon die dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Steun voor deze uitleg biedt de omschrijving die het hiervoor vermelde artikel 4:63 lid 2 BW geeft van legitimarissen, te weten afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen.”

Dit lijkt een meer redelijke opvatting te zijn waarvoor meerdere argumenten gelden. Het gaat te ver om al deze argumenten hier te noemen maar voor meer informatie kunt u bellen met 0900- advocaten of een bericht zenden aan Advocaten.nl.

U bent onterfd: ontvangt u niets of de legitieme?

De wet geeft een kind dat is onterft enige bescherming. Artikel 4:63 BW bepaalt dat een kind een vordering heeft, de legitieme portie, en dat dit een vordering in geld is. Een legitimaris wordt dan een schuldeiser van de nalatenschap. Hij heeft geen recht op goederen, zoals een schilderij, maar kan alleen betaling in geld vorderen.

Veel babyboomers staan op het punt dat zij gaan denken over hun nalatenschap en hun erfgenamen, de kinderen. Indien de relatie tussen ouder en kind te wensen over laat, kiezen zij er soms voor om een kind te onterven. In beginsel betekent onterven dat het kind niets erft. Het erfdeel van de onterfde wast aan bij de overige erfgenamen. Onterven kan uitsluitend door dit in een testament te bepalen.

Het onterfde kind is geen erfgenaam

Een kind dat is onterfd heet een legitimaris. Ook het kind van een onterfde, die de nalatenschap verwerpt, is een legitimaris. De wet geeft de legitimaris wel enige bescherming. Artikel 4:63 BW bepaalt dat een kind een vordering heeft, de legitieme portie, en dat dit een vordering in geld is. Een legitimaris wordt dan een schuldeiser van de nalatenschap. Hij heeft geen recht op goederen, zoals een schilderij, maar kan alleen betaling in geld vorderen.

Hij heeft daarmee gelijke rechten als andere schuldeisers, en is dus niet betrokken bij de afhandeling van de nalatenschap. Hij is uitdrukkelijk geen erfgenaam en dient dus gewoon de afwikkeling van de nalatenschap door de erfgenamen af te wachten.

Hoe wordt vordering van de onterfde berekend?: de legitieme

De legitieme bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 a genoemde personen. ( artikel 4:64 lid 1BW). Eenvoudiger gesteld is de legitieme portie het gedeelte van de erfenis van de ouder waarop het kind altijd recht heeft. De legitieme portie is de helft van wat een kind zonder testament zou krijgen.

Dus als A en B drie kinderen hebben (C, D en E) en A komt te overlijden, dan zijn er 4 erfgenamen B, C, D en E die elk 1/4  erven. De kinderen hebben een legitieme van 1/2 van 1/4 , dus 1/8. Wanneer een onterfd kind dus een beroep doet op zijn legitieme heeft hij een vordering gelijk aan 1/8 van ‘de waarde waarover de legitieme porties worden berekend’. Deze waarde is de legitimaire massa.

Legitimaire massa

De legitimaire massa moet dan worden berekend aan de hand van de waarde van de goederen van de nalatenschap. Dit zijn alle goederen die er waren op de dag van het overlijden, maar daar moet bij worden opgeteld bepaalde schenkingen (giften) die de erflater tijdens leven aan erfgenamen heeft gedaan; en afgetrokken de schulden zoals genoemd in artikel 4:7 lid 1 BW.

Geschillen over de legitimaire massa

Veel geschillen ontstaan tussen erfgenamen onderling en met de legitimaris bij het vaststellen van de legitimaire massa Daarbij gaat het vaak over de vraag welke giften van de erflater in aanmerking genomen moeten worden bij het berekenen van de legitimaire massa. Zo komt het vaak voor dat een kind reeds een aanzienlijke gift ontvangt. Deze gift wordt dan door deze regeling weer `fictief ingebracht´ (inbrengplicht) , en dus als het ware weer herverdeeld. Is de gift relatief groot ten opzichte van de gehele nalatenschap dan zou dit voor het begiftigde kind een aanzienlijke vermindering van haar erfdeel kunnen betekenen. Volgens de wet wordt die erfgenaam daarmee echter niet gekort of benadeeld. Dit is nu eenmaal de wijze waarop de wet een dergelijk vermogen berekend. De waarde die overeenkomt met 1/8 deel van de legitimaire massa is dan de legitieme portie.

Inbrengplicht is afgeschaft

In het oude erfrecht (voor 1 januari 2003) werd hetgeen wat de kinderen bij leven kregen geschonken, in mindering gebracht op hun latere erfenis; de waarde van de schenking en het erfdeel werden dan met elkaar verrekend. Het kind kon alleen van deze inbrengplicht worden vrijgesteld als de ouders dat bij de schenking zelf of in een testament hadden bepaald.

Door de inbrengplicht werd de gelijkheid van alle erfgenamen gewaarborgd omdat bij de   verdeling van de nalatenschap uiteindelijk iedere erfgenaam evenveel ontving

In het erfrecht na 1 januari 2003 is die inbrengplicht in beginsel afgeschaft en geldt dat schenkingen aan kinderen die erfgenaam zijn niet hoeven te worden ingebracht in de nalatenschap van de ouder, tenzij de ouder dit ten tijde van het verrichten van de schenking of in zijn testament heeft bepaald. Indien het niet de bedoeling is dat de schenking ingebracht wordt in de nalatenschap, dan moet dat worden bepaald bij het doen van de schenking.

Wanneer eist de onterfde zijn legitieme op?

De onterfde legitimaris die een beroep doen op legitieme portie moet dat tijdig doen. Allereerst kunnen de erfgenamen (bijvoorbeeld de executeur) de legitimaris een redelijke termijn stellen. Verklaart de legitimaris binnen deze termijn niet dat hij zijn legitieme wenst te ontvangen dan vervalt zijn recht. Een verklaring dient schriftelijk te worden gedaan.

Dit geldt ook indien een erfgenaam die niet is onterfd de erfenis verwerpt. Verwerping vaan de nalatenschap kan via de griffie van d e rechtbank of bij een notaris geschieden. Gelijktijdig kan de erfgenaam zijn recht op de legitieme voorbehouden. Doet hij dat niet gelijktijdig met die verwerping dan vervalt eveneens zijn recht en ontvangt hij dus niets.

In het algemeen is een legitieme portie opeisbaar zes maanden na het overlijden. De belangrijkste uitzondering hierop is de situatie waarbij er sprake is van de zogenaamd langstlevende beding. In dat geval kan de legitimaris de legitieme portie pas opeisen bij het overlijden van de langstlevende ouder.

De uiterlijk vervaltermijn voor het opeisen van de legitieme is vijf jaar nadat de legitimaris  kennis heeft genomen van het overlijden.

Welke rechten heeft de legitimaris?

Iemand die onterfd is, hoeft niet volgens de wet niet geïnformeerd te worden. Hij moet dus zelf achter zijn geld aan. De legitimaris is immers geen erfgenaam, en hij is in beginsel ook geen schuldeiser, zolang hij geen  beroep doet op de legitieme. Daarmee komt het vaak voor dat de onterfde volledig in het duister tast. Indien hij een beroep op de legitieme doet dan zal hij wel moeten kunnen vaststellen hoe hoog zijn vordering  op de nalatenschap is

De Rechtbank Midden-Nederland heeft in een recente beslissing aangegeven op welke informatie een legitimaris recht heeft op grond van de wettelijke bepaling (4:78 BW). Dit zijn in elk geval alle gegevens om die vordering te kunnen vaststellen. Die kan de legitimaris opvragen bij een executeur en de erfgenamen.

Informatie om legitieme portie te bepalen

artikel 4:78 lid 1 BW bepaalt dat “alle daartoe strekkende inlichtingen” dienen te worden afgegeven. De informatie is dus beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. De rechtbank veroordeelde in dit geval de executeur tot het verstrekken van de volgende stukken:

  • de aangifte en, zodra aanwezig, de aanslag erfbelasting;
  • bankafschriften  (of een print van de internetpagina’s) van schenkingen die 180 dagen voor het overlijden zijn verricht;
  • bankafschriften  (of een print van de internetpagina’s) van de betaal- en beleggingsrekeningen op overlijdensdatum;
  • de (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting voor het jaar van overlijden en het jaar ervoor.
  • informatie over giften als bedoeld in 4:67 BW;
  • informatie over levensverzekeringen en polissen;
  • WOZ beschikking van de tot de nalatenschap behorende woning.

Maar in andere gevallen kan meer of minder informatie worden verstrekt, al naar gelang de omstandigheden.

Indien dus de erfgenamen de benodigde stukken niet vrijwillig afgeven, of indien in redelijkheid kan worden betwijfeld of alle informatie correct is (achterhouden van vermogen door de erfgenamen),  kan de legitimaris op de voet van artikel 843a RV en art. 3:299 BW een verzoek bij de kantonrechter indienen om alle informatie op te vragen die nodig is voor het berekenen van de legitieme portie.  De legitimaris kan ook een verzoek bij de rechtank doen tot een verplichte notariële boedelbeschrijving.

Vrij en onbezwaard geld ontvangen

Als vaststaat dat de legitimaris recht heeft op een legitieme portie dan dient hij de legitieme  vrij en onbezwaard te ontvangen. Dat wil zeggen dat er door de erfgenamen geen voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uitkering. Hij is immers een gewone schuldeiser van de nalatenschap.

Hebt u advies of rechtsbijstand nodig bij uw vordering jegens erfgenamen, bel dan met 0900-0600 of vul een formulier in