kindgebonden budget strekt niet in mindering op behoefte van alimentatiegerechtigde

Deze vraag werd door het gerechtshof Den Haag in een lopende procedure voorgelegd aan de Hoge Raad. Een dergelijke vraag, noemen we een prejudiciële vraag. In 2015 werd de Hoge Raad al gevraagd of het kindgebonden budget en de daarin begrepen alleenstaande ouderkop invloed had op de berekening van de hoogte van de behoefte van het kind. De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 9 oktober 2015 beslist dat dat niet het geval is, maar dat het kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop, moet worden meegenomen in de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

Thans lag de vraag voor of het ontvangen kindgebonden budget door de alimentatiegerechtigde in mindering zou moeten strekken op diens behoefte aan partneralimentatie of dat dit buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 7 juli 2017 deze vraag beantwoord. Het kindgebonden budget strekt niet in mindering op de behoefte van de alimentatiegerechtigde bij de bepaling van diens behoefte aan partneralimentatie. De Hoge Raad overweegt hierbij dat kindgebonden budget een inkomensafhankelijke inkomensondersteuning van de overheid is. Zou je dit als inkomen bij de alimentatiegerechtigde meenemen, dan zou dat inhouden dat de alimentatiegerechtigde minder partneralimentatie zou ontvangen, waardoor in feite de overheid een stuk van de behoefte van de alimentatiegerechtigde voor zijn rekening neemt in plaats van de alimentatieplichtige ex-echtgenoot.

De Hoge Raad is van mening dat het kindgebonden budget enkel voor de kosten van de kinderen bedoelt is en dat het te allen tijde ten goede moet komen aan de kinderen en om die reden volledig buiten de partneralimentatieberekening gehouden moet worden. Dit geldt ook indien het door de alimentatiegerechtigde ouder ontvangen kindgebonden budget het eigen aandeel van die ouder in de kosten van het kind overschrijdt.

De Hoge Raad heeft met deze uitspraak het ontvangen kindgebonden budget in de behandeling van de partneralimentatie gelijk getrokken met bijvoorbeeld de huurtoeslag en de zorgtoeslag: ook die toeslagen worden niet als inkomen meegenomen in de berekening van de behoefte aan partneralimentatie.

Bron: Actuele Artikelen                             

Rechtbank wijst vorderingen OAD tegen Rabobank af

De rechtbank Midden-Nederland heeft vandaag de vorderingen afgewezen die de aandeelhouder van het OAD-concern heeft ingesteld tegen de Rabobank. De aandeelhouder verwijt de Rabobank dat -door ten onrechte de kredietovereenkomst met het OAD-concern op te zeggen- het faillissement van het OAD-concern is veroorzaakt, en daarmee het waardeloos worden van de aandelen. De aandeelhouder vordert van de Rabobank een vergoeding voor deze waardevermindering van de aandelen. Lees hier de uitspraak.

De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet toe. De rechtbank is van oordeel dat de aandeelhouder deze vordering niet kan instellen. Dat kan alleen (de curator van) OAD. De Hoge Raad heeft in diverse arresten uitgemaakt dat in beginsel alleen het concern zelf schadevergoeding kan vorderen vanwege waardevermindering van aandelen van degene die de waardevermindering heeft veroorzaakt door wanprestatie of onrechtmatig handelen, en niet de aandeelhouder(s).

Op dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad alleen een uitzondering gemaakt, als er ook specifiek tegenover de aandeelhouder onrechtmatig is gehandeld. Van deze uitzonderingssituatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Rabobank heeft de eisen die zij stelde aan het voortzetten van de kredietrelatie met OAD (waaronder kapitaalversterking) niet aan de aandeelhouder van OAD gesteld maar aan (het bestuur van) OAD. Dit betekent dat de Rabobank bij de aandeelhouder ook geen verwachting heeft kunnen wekken over de gevolgen van een geslaagde kapitaalversterking.

Source: rechtspraak.nl

centraal aandeelhoudersregister voor een veilig handelsklimaat

aandeelregister voor veilig handelsklimaat

Er komt een centraal aandeelhoudersregister. In de aanpak van financieel-economische fraude blijkt dat het nu veel tijd kost om te achterhalen wie zich schuilhoudt achter een Besloten Vennootschap (BV), niet-beursgenoteerde Naamloze Vennootschap (NV) of een constructie met meerdere vennootschappen. Dit legt een aanzienlijk beslag legt op de opsporingscapaciteit. Het voordeel van een centraal aandeelhoudersregister is dat het transparant maakt wie als aandeelhouder betrokken is bij een BV en niet beursgenoteerde NV.

Met een centraal aandeelhoudersregister is informatie over BV’s en niet-beursgenoteerde NV’s op één plaats beschikbaar. Dat is een belangrijke meerwaarde ten opzichte van de huidige situatie, omdat de registratie van aandeelhouders op dit moment door verschillende partijen gebeurt en dit geen volledig beeld geeft, niet altijd actueel is of niet toegankelijk voor het uitvoeren van controle en toezicht door de overheid.

. . . lees verder op Internet

Flexibilisering van het B.V.-recht

Per 1 oktober 2012 zal het B.V.-recht worden gewijzigd en vereenvoudigd. In dit artikel zullen enkele in het oog springende wijzigingen worden aangestipt.

De bekende eis van het verplichte minimumkapitaal van 18.000 euro om een B.V. op te kunnen richten wordt afgeschaft. Ook het verplichte maatschappelijke kapitaal gaat op de schop. Als minimumeis komt te gelden dat ten minste één aandeel met stemrecht moet worden gehouden door een ander dan de B.V. In concreto houdt dat in dat straks een B.V. kan worden opgericht met slechts één geplaatst aandeel van 0,01 euro. En dat aandeel behoeft zelfs niet meteen te worden volgestort. Ook de verplichte bankverklaring in geval van storting op aandelen in geld bij de oprichting wordt afgeschaft. Hetzelfde geldt voor de verplichte accountantsverklaring in geval van inbreng in natura. Met deze wijzigingen komt de verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke inbreng van kapitaal primair bij het bestuur te liggen. Verder wordt de mogelijkheid om aandeelhouders bij de statuten verplichtingen op te leggen verruimd. Veel afspraken die nu worden verankerd in een aandeelhoudersovereenkomst kunnen een plek krijgen in de statuten. Een in het oog springende wijziging betreft het afschaffen van de momenteel verplichte blokkeringsregeling. Binnen bepaalde grenzen is men vrij een eigen blokkeringsregeling op te stellen waarin bijvoorbeeld een mechanisme van prijsbepaling is opgenomen.

Naast het afschaffen van verschillende regels worden er ook nieuwe regels ingevoerd. Indien er enige uitkering wordt gedaan ten laste van de B.V. moet een zogenoemde uitkeringstest worden uitgevoerd. Het bestuur dient dan te beoordelen of de B.V. als gevolg van de uitkering kan blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Bij die beoordeling dienen de liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit in ogenschouw te worden genomen. In beginsel dient men één jaar vooruit te kijken. Bij het te lichtvaardig instemmen met het doen van uitkeringen riskeren de bestuurders persoonlijke aansprakelijkheid. In geval van een faillissement zal de curator de bestuurder aanspreken bij handelen te kwader trouw.

Het bovenstaande betreft een greep uit een fors aantal wijzigingen van groot en klein formaat. Laat u zich tijdig adviseren over mogelijke gevolgen in uw eigen onderneming!

. . .