Partneralimentatie afkopen

In het geval van een echtscheiding, zal er gekeken worden of er sprake is van een onderhoudsverplichting van de ene echtgenoot ten opzichte van de andere. Afhankelijk van de omstandigheden kan er sprake zijn van behoefte aan een bijdrage in zijn/haar levensonderhoud bij een van de partners en, indien de andere partner over voldoende draagkracht beschikt, zal een bedrag aan partneralimentatie vastgesteld worden. De wettelijke termijn waarover partneralimentatie dient te worden betaald, is tot op heden nog gelijk aan de duur van het huwelijk – voor zover dit niet langer dan 5 jaar heeft geduurd en kinderloos is gebleven – en in alle andere situaties bedraagt deze 12 jaar. Uiteraard is het wel mogelijk in onderling overleg daar andere afspraken over te maken

De vastgestelde/overeengekomen partneralimentatie wordt vervolgens veelal maandelijks bij vooruitbetaling betaald. Er zijn ook situaties denkbaar dat het niet wenselijk is om een langere periode iedere maand een bepaald bedrag aan de ander te betalen. Het is dan ook mogelijk om in onderling overleg overeen te komen dat de partneralimentatie wordt afgekocht. Een rechter kan dit overigens niet opleggen. Er wordt dan een afkoopsom in één keer betaald, waarmee partijen elkaar finale kwijting ten aanzien van de partneralimentatie verlenen. Voor kinderalimentatie is dit niet mogelijk.

Het voordeel van het afkopen van partneralimentatie zit met name in het feit dat partijen financieel onafhankelijk van elkaar zijn na de scheiding en er geen maandelijkse confrontatie meer is of kosten voor nieuwe procedures in verband met wijzigingen van de alimentatie in de toekomst, als gevolg van wijziging van omstandigheden in bijvoorbeeld inkomen.
De ontvangende partij ontvangt een groot bedrag in één keer dat zij/hij normaliter over meerdere jaren zou ontvangen.

Aan de andere kant kleven er ook nadelen aan afkoop van partneralimentatie. Ten eerste zal een groot bedrag in één keer opgehoest moeten worden en de mogelijkheid bestaat dat er onterecht geld betaald is, bijvoorbeeld in het geval de ontvanger na korte tijd al gaat samenleven met een nieuwe partner, zodat normaliter het recht op partneralimentatie zou zijn komen te vervallen. Ook andere situaties zijn denkbaar, zoals het verlies/verminderen van inkomen aan de zijde van de betalende partij, waardoor er door de afkoop achteraf gezien teveel is betaald.

Deze voor- en nadelen zullen op een rij gezet moeten worden en allemaal verdisconteerd moeten worden in de berekening van de afkoopsom. Tot slot kleven er nog de nodige fiscale aspecten aan het afkopen van partneralimentatie. Immers is de afkoopsom voor de betalende partij aftrekbaar en voor de ontvanger belast. Kortom: denkt u over het afkopen van de partneralimentatie dan is het verstandig u hierover goed te laten informeren: zowel juridisch als fiscaal!

Bron: Actuele Artikelen                         

Ruim kwart gescheiden ouders kiest voor co-ouderschap

Van de in 2010 gescheiden ouders koos 27% voor co-ouderschap. De kinderen wonen dan ongeveer net zo vaak bij de vader als bij de moeder. Twee jaar na de

had 80% nog steeds een co-ouderschap, zo blijkt uit het onderzoek Nieuwe families in Nederland, dat de Universiteit Utrecht in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft uitgevoerd.

Ruim 600.000 kinderen onder de 17 jaar woonden in 2015 niet in een gezin met twee eigen ouders. Dat zijn er bijna 200.000 meer dan in 1995. Het CBS verwacht dat die stijgende trend in de toekomst aanhoudt. Ruim de helft van de kinderen die niet bij beide eigen ouders wonen, maakten een scheiding van hun ouders mee. Een toenemend aantal kinderen woont al vanaf de geboorte in een eenoudergezin.

Uit de woongegevens kan niet worden afgeleid waar het kind werkelijk verblijft na een scheiding, omdat iemand maar op één adres kan worden ingeschreven. Uit het onderzoek blijkt dat 27% van de in 2010 gescheiden paren voor co-ouderschap heeft gekozen. De kinderen krijgen dus twee ouderlijke huizen. Bij 70% van de gescheiden paren gingen de kinderen (voornamelijk) bij de moeder wonen, bij 3% werd de vader de hoofdopvoeder. Ouders die kiezen voor co-ouderschap zijn relatief hoogopgeleid en hadden relatief weinig onderlinge conflicten rond de scheiding.

80% van de ouders die na hun scheiding kozen voor een gelijke verdeling van de dagelijkse opvoeding van hun kinderen, heeft ook twee jaar later nog co-ouderschap. In 15% van de gevallen is de woning van de moeder het hoofdverblijf geworden, bij 5% werd de vader de hoofdverzorger.

Hoogopgeleide ouders en ouders die weinig conflicten hadden bij de scheiding handhaven vaker de afgesproken co-ouderschapsregeling. Heel jonge kinderen, of juist oudere kinderen en kinderen met problemen, zijn twee jaar na het begin van een co-ouderschap wat vaker bij moeder of vader gaan wonen. Verder blijkt dat de co-ouderschapsregeling vaker gewijzigd wordt als de vader langer moet reizen naar zijn werk, of met een nieuwe partner gaat samenleven.

Bron: CBS.                        

Van: Sdu OpMaat Personen- en familierecht nieuws.

 

Ondanks detentie geen nihilstelling kinderalimentatie

De man is gedetineerd wegens ontucht met zijn stiefdochter. Zijn verzoek om nihilstelling van de door hem te betalen kinderalimentatie wordt afgewezen. De man verdient in detentie € 65 netto per maand. Nu hij feitelijk geen kosten voor levensonderhoud heeft, acht de rechtbank het redelijk dat de man gedurende zijn detentie € 30 per maand aan kinderalimentatie voldoet.

De feiten

M en V zijn met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk in 2007 zoon Z is geboren. Uit een vorige relatie heeft V een dochter (D). In 2015 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij V. De rechtbank stelt de door M aan V te betalen kinderalimentatie ten behoeve van Z vast op € 254 per maand.
In 2017 wordt M strafrechtelijk veroordeeld wegens ontucht met D. Sinds 16 maart van dat jaar is hij gedetineerd.

Het verzoek

M verzoekt de rechtbank de door hem aan V te betalen kinderalimentatie met ingang van 16 maart 2017 op nihil te stellen, nu hij sedert die datum in detentie is en geen inkomen heeft.

Beoordeling

Verwijtbaar
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie dient, bij beantwoording van de vraag of bij de vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige rekening moet worden gehouden met een inkomensdaling, allereerst te worden beoordeeld of de daling teweeg is gebracht door gedragingen van de onderhoudsplichtige zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een door M zelf teweeg gebrachte inkomensdaling. M had zich dienen te onthouden van de gedragingen die geleid hebben tot zijn detentie.

Niet herstelbaar

Wanneer de onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg heeft gebracht, komt het bij de bepaling van de draagkracht niet alleen aan op het inkomen dat de onderhoudsplichtige verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Of een door eigen toedoen ontstane inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, hangt in de eerste plaats af van de vraag of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en of de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.
M is thans gedetineerd en heeft om die reden geen regulier inkomen. Gelet op de voortduring van de detentie (tot begin mei 2018), is M niet in staat op dit moment, noch binnen afzienbare tijd, zijn inkomensverlies te herstellen.
Indien het inkomensverlies volledig buiten beschouwing wordt gelaten (en uitgegaan wordt van zijn oude fictieve inkomen als marktkoopman), zou dit met zich brengen dat M door de huidige verschuldigde kinderalimentatie zelf geen middelen meer ter beschikking heeft, hoe gering ook in detentie nodig, om noodzakelijke uitgaven te doen. Voorts zou dit impliceren dat M een schuld opbouwt wat betreft de onderhoudsbijdrage (dan wel schulden moet aangaan, zo daartoe de mogelijkheid zou bestaan) om aan zijn onderhoudsplicht te voldoen.

Feitelijk inkomen

De rechtbank ziet echter wel aanleiding om met het huidige feitelijke inkomen van M rekening te houden. Vast staat dat M ongeveer € 65 netto per maand verdient door te werken tijdens zijn detentie. Vanwege zijn detentie heeft M nagenoeg geen kosten voor levensonderhoud. Hij betaalt weliswaar voor de huur van een tv, bellen en toiletartikelen, maar niet voor onderdak, voeding en ziektekosten. Gelet hierop, en gelet op de zwaarwegende onderhoudsverplichting van M jegens Z, acht de rechtbank het redelijk indien M gedurende de periode van zijn detentie <en de daarop volgende vijf maanden een bedrag van € 30 per maand aan kinderalimentatie betaalt. De rechtbank gaat er vanuit dat M na een redelijke termijn van vijf maanden na zijn vrijlating (al dan niet onder voorwaarden, zoals een enkelband) weer in staat zal zijn om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, in die zin dat hij dan in staat geacht wordt geacht om de in 2015 opgelegde kinderalimentatie weer te betalen.

Rechtbank Midden-Nederland 10 november 2017, C/16/439180 / FA RK 17-2765 (niet gepubliceerd)

Bron: SDU

aanspraak op pensioen volgens de Boon van Loon regeling

Pensioen niet verdeeld?

Bent u gescheiden tussen 27 november 1981 en 30 april 1995, dan gelden de regels die vastgesteld zijn in het Boon van Loon arrest nog steeds. Mogelijk hebt u alsnog recht op de verdeling van pensioenrechten.

Voor 27 november 1981

Tegenwoordig geldt de regel dat na een echtscheiding het opgebouwde ouderdomspensioen onder de ex-partners moet worden verdeeld. Deze regel heeft niet altijd gegolden. Voor 27 november 1981 had een ex-echtgenoot slechts in bepaalde gevallen recht op een deel van het ouderdomspensioen van de ander. De Hoge Raad, ons hoogste rechtscollege, heeft voor deze situatie een stokje gestoken. In het Boon van Loon arrest van november 1981 besliste de Raad dat het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen onder de ex-partners moet worden verdeeld nadat zij zijn gescheiden. Deze regeling heeft erg lang gegolden, pas op 1 mei 1995 is deze regel vervangen door een wet. Nu geldt de Wet verevening pensioenrechten.

Boon van Loon

Vóór het Boon van Loon arrest werd het ouderdomspensioen vaak niet verdeeld na een echtscheiding. Toen der tijd betekende dit vaak dat de vrouw berooid achterbleef. Zij had vaak geen inkomen, de man daarentegen had een inkomen en een opgebouwd pensioen. Na 27 november 1981 moest het ouderdomspensioen echter verrekend worden, of te wel, het pensioen moest verdeeld worden tussen de man en de vrouw. Bent u gescheiden tussen 27 november 1981 en 30 april 1995, dan gelden de regels die vastgesteld zijn in het Boon van Loon arrest nog steeds.

Gemeenschap van goederen

Allereerst geldt dan dat het ouderdomspensioen alleen tussen de twee ex-partners hoeft te worden verdeeld wanneer er tijdens het huwelijk sprake was van een gemeenschap van goederen. Waren de ex-partners gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, dan zal er geen verdeling van het ouderdomspensioen plaatsvinden. Volgens Boon van Loon valt het ouderdomspensioen namelijk in de gemeenschap van goederen. Bij huwelijkse voorwaarden is deze gemeenschap niet aanwezig en hoeft er dus niet vereffend te worden.

De ex-echtgenoot krijgt dankzij Boon van Loon nu een aanspraak op een deel van het ouderdomspensioen van de ander. Dit betekent dat degene die het ouderdomspensioen heeft opgebouwd, zelf een deel van dat pensioen aan zijn ex-partner moet afstaan. Dit is vaak een lastige zaak en het is dan ook verstandig om een juridisch adviseur te raadplegen wanneer het om de verdeling het ouderdomspensioen gaat.

Welk deel wordt verdeeld?

Bij een echtscheiding heeft de ex-partner ook recht op het deel van het ouderdomspensioen dat is opgebouwd voordat de partners met elkaar in het huwelijk traden. Dit is tegenwoordig niet meer het geval. Dit betekent het volgende. Wanneer meneer A op twintigjarige leeftijd start met het opbouwen van ouderdomspensioen en op dertigjarige leeftijd trouwt met mevrouw B, wordt het pensioen dat in die periode is opgebouwd bij een scheiding ook meegerekend. Mochten meneer A en mevrouw B na tien jaar gaan scheiden, dan heeft mevrouw B recht op twintig jaar ouderdomspensioen van meneer A. Het ouderdomspensioen dat na de scheiding wordt opgebouwd, wordt natuurlijk niet meer verrekend.

Wet verevening pensioenrechten

Tegenwoordig geldt dus de Wet verevening pensioenrechten. Dit betekent dat een scheiding na 30 april 1995 volgens deze wet wordt geregeld. In de Wet verevening pensioenrechten is onder andere geregeld dat ook personen die niet in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, na dit huwelijk recht hebben op een verdeling van het ouderdomspensioen. Met andere woorden: mensen die onder huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd, moeten na een scheiding ook het ouderdomspensioen verdelen.

Hiernaast geldt nu dat alleen het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd, hoeft te worden verrekend. Dit betekent dat, wanneer het huwelijk slechts vijf jaar heeft geduurd, ook alleen voor die periode ouderdomspensioen hoeft te worden vereffend. Zo wordt voorkomen dat een kort huwelijk iemand zijn gehele pensioenrechten kost. De nieuwe wet gaat overigens alleen over de verdeling van het ouderdomspensioen. De verdeling van het nabestaande pensioen wordt daar niet geregeld.

Als laatste heeft de ex-partner tegenwoordig recht op uitbetaling van het ouderdomspensioen jegens het pensioenfonds. Dit was onder het Boon van Loon arrest nog alleen de ex-partner. Het pensioenfonds is dus de instantie die er voor moet zorgen dat de partner die recht heeft op een deel van het ouderdomspensioen van de ander dit geld dus ook krijgt. De scheiding moet dan natuurlijk wel zijn aangegeven bij het pensioenfonds.

Gescheiden voor 1981?

Bent u nog voor 1981 gescheiden? Dan gelden nog oude regels. In die tijd was de verdeling van het ouderdomspensioen alleen mogelijk onder bijzondere omstandigheden. Zo moet het huwelijk minstens achttien jaar hebben geduurd en moet er minstens één minderjarig kind zijn geweest tijdens dit huwelijk. Ook moet de ex-partner, degene die het pensioen heeft opgebouwd, geen andere compensatie hebben geboden voor het wegvallen van de pensioenrechten. Is sprake van alle drie de voorwaarden, dan heeft u recht op een kwart van het ouderdomspensioen van uw ex-partner.

Indien u twijfelt of u nog aanspraak kunt maken op pensioenaanspraken van uw ex-partner, stel dan een vraag aan Advocaten.nl via dit formulier. Advocaten.nl helpt u graag verder.

Huwelijkse voorwaarden en de aanspraak op verdeling van opgebouwd pensioen

Een vrouw ondertekent echtscheidingsconvenant terwijl zij met rechterlijke machtiging gedwongen is opgenomen op de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Convenant niet aangemerkt als verdeling vanwege wilsgebrek.

Een vrouw ondertekent echtscheidingsconvenant terwijl zij met rechterlijke machtiging gedwongen is opgenomen op de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Convenant niet aangemerkt als verdeling vanwege wilsgebrek. Vernietiging van notariële verdeling op grond van artikel 3:196 lid 2 BW. Bewijsopdracht man met betrekking tot schenking.

De feiten
M en V zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Tot de huwelijksgemeenschap behoort de echtelijke woning, die is bezwaard met hypotheek. Op 10 juli 2012 wordt V, zoals eerder ook al is gebeurd, krachtens een rechterlijke machtiging gedwongen opgenomen op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Vijf dagen later brengt M een bezoek aan V en laat haar een echtscheidingsconvenant ondertekenen, waarin staat: ‘Partijen komen overeen dat de overwaarde van de woning (…) gesteld dient te worden op € 50.000. Ten aanzien van deze waardebepaling verklaren partijen dat zij zich volledig bewust zijn van het feit dat de man met deze waardebepaling wordt overbedeeld, maar deze overbedeling volledig gerechtvaardigd wordt door het feit dat de vrouw niet in staat zal zijn om de kinderen van partijen op te voeden. Indien de werkelijke overwaarde zal worden bepaald, zal dat op de man een onevenredige financiële last leggen die ten koste zal gaan van de opvoeding en verzorging van de kinderen. De man zal de woning en alle daarmee verbonden verplichtingen overnemen (…) Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat de man aan de vrouw zal vergoeden een bedrag groot € 25.000. (…)’
In 2013 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. In maart 2014 treedt M in het huwelijk met zijn nieuwe partner X. Op 12 mei 2014 wordt bij notariële verdelingsakte de voormalig echtelijke woning aan M toebedeeld en geleverd. De dag erna wordt op de bankrekening van V het door M verschuldigde bedrag van € 25.000 bijgeschreven. Die zelfde dag wordt dit bedrag door X overgemaakt naar een bankrekening van M, met als omschrijving: ‘schenking aan [M].’

Vordering
V vordert dat de rechtbank (1) het echtscheidingsconvenant, voor zover dat betrekking heeft op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, alsmede de notariële verdelingsakte vernietigt en (2) M te veroordelen om aan haar € 25.000 terug te betalen.

Standpunten van partijen
V betoogt dat zij zowel in 2012 (tijdens het tekenen van het convenant) als in 2014 (bij het passeren van de verdelingsakte) niet in staat wast haar wil te bepalen en dat M daarvan op de hoogte was en daarmee rekening had behoren te houden. Voor de schenking van € 25.000 heeft zij nooit toestemming gegeven, aldus V.
M betwist de stellingen van V. Alles was het gevolg van weloverwogen beslissingen van beide partijen. Van wilsonbekwaamheid van V en/of misbruik van omstandigheden was geen sprake, aldus M, die zich voorts beroept op verjaring.

Beoordeling: Verjaring
De rechtbank overweegt als volgt. Voor de vraag of de rechtsvordering tot vernietiging van de verdeling is vervallen of verjaard, is in de eerste plaats van belang of het echtscheidingsconvenant een verdeling is als bedoeld in artikel 3:200 BW. Volgens de rechtbank is zulks het geval, nu het convenant voldoet aan de in artikel 3:182 BW gegeven definitie.
De door V gestelde wankelmoedigheid en versufte toestand ten tijde van het tekenen van het convenant worden bevestigd door de overwegingen uit de beschikking tot de rechterlijke machtiging en door het verslag van de opname van V. Kort na haar opname heeft M V in de psychiatrische kliniek bezocht en haar daar het convenant ter ondertekening voorgelegd, in een setting waarvan hij zich had kunnen en moeten afvragen of V in staat was de strekking en reikwijdte van de haar voorgelegde tekst in alle opzichten, ook qua consequenties voor de toekomst, te kunnen doorgronden. Gesteld noch gebleken is dat V zich over de tekst van het convenant – en de consequenties daarvan voor haar – op deskundige wijze heeft (kunnen) laten voorlichten of adviseren.

Voormelde gang van zaken leidt tot het oordeel dat de ondertekening van het convenant door V niet berust op een op de rechtsgevolgen zoals neergelegd in het convenant gerichte wil (artikel 3:33 BW). Derhalve kan de regeling van het convenant niet gezien worden als een rechtshandeling waaraan V als deelgenoot haar medewerking heeft verleend, zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Er is dan ook op 15 juli 2012 nog geen sprake van een verdeling, zodat ook niet op die datum de verval- of verjaringstermijn van artikel 3:200 BW is aangevangen. Deze termijn zal pas op zijn vroegst zijn aangevangen met de ondertekening van de verdelingsakte van 12 mei 2014. Op 11 mei 2017 is M door V in verband met deze zaak gedagvaard. Daarmee staat vast dat ten tijde van de dagvaarding de termijn van 3 jaar van artikel 3:200 BW nog niet was verstreken.

Benadeling voor meer dan een kwart

De rechtbank oordeelt dat het bewijsvermoeden van artikel 3:196 lid 2 BW van toepassing is. Vast staat dat op de woning een hypotheekschuld rustte van € 90.000 en dat de woning in 2012 ongeveer € 245.000 waard was. Dat leidt tot een in de gemeenschap vallende overwaarde van € 155.000. Aangezien partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, had V recht op € 77.500, terwijl aan haar slechts € 25.000 is toegekend. Er is dan ook sprake van benadeling van V van ruimschoots meer dan een kwart. Ingevolge artikel 3:196 lid 2 BW geldt dan ook dat V vermoed wordt te hebben gedwaald over de waarde van de woning. Nu M geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat moet worden uitgegaan van benadeling van een vierde of minder, staat vast dat de verdeling, zoals door partijen in de notariële akte is vastgelegd, vernietigbaar is. Aan de vordering tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant is echter het belang ontvallen, nu is geoordeeld dat over de daarin opgenomen verdeling geen wilsovereenstemming heeft bestaan en er op dat moment dus geen verdeling heeft plaatsgevonden.

Schenking

V stelt dat zij in mei 2014 niet een bedrag van € 25.000 aan M heeft willen schenken en dat zij X daarvoor nooit opdracht heeft gegeven. Daarmee stelt zij het bestaan van de schenkingsovereenkomst ter discussie. De rechtbank draagt aan M het bewijs op van de stelling dat V in mei 2014 de bedoeling had om hem voor een bedrag van € 25.000 te bevoordelen. Iedere verdere beslissing houdt de rechtbank aan.

Rechtbank Gelderland 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5407

(Gezamenlijk) ouderlijk gezag

Veel mensen zullen wel eens iets gehoord hebben over ‘ouderlijk gezag’. Feit is echter dat slechts een fractie van die mensen ook daadwerkelijk weet wat het betekent. In dit artikel leest u wat het ouderlijk gezag inhoudt, waarom het zo belangrijk is om dit te weten en wat de grote misverstanden hierover zijn.

Het ouderlijk gezag is het alomvattende recht van een ouder om zijn/haar kind op te voeden en te verzorgen, waarbij de ouder alle belangen van het kind behartigt. De ouder die het ouderlijk gezag heeft, is tevens de wettelijk vertegenwoordiger van een kind. Hebbenbeide ouders het ouderlijk gezag, dan spreekt men van ‘gezamenlijk gezag’. Een praktisch voorbeeld: de ouder die het ouderlijk gezag over een kind heeft, mag bepalen naar welke basisschool een kind gaat of welke medicijnen een kind mag krijgen. Is er sprake van gezamenlijk gezag, dan zullen ouders dit soort beslissingen dus steeds samen moeten nemen.

 Het ontstaan van ouderlijk gezag

Er bestaat een groot misverstand over het ontstaan van het ouderlijk gezag. Indien een kind wordt geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap van zijn/haar ouders, dan zullen de ouders van rechtswege het gezamenlijk gezag krijgen over een kind.

Maar wat nu als de ouders niet getrouwd zijn (of geregistreerd partner), maar als zij slechts samenwonen of slechts een samenlevingscontract hebben? In dat geval verkrijgt de vader dus niet automatisch het ouderlijk gezag over zijn kind! Evenmin is het voldoende om een kind te erkennen, want ook daardoor ontstaat er nog altijd geen ouderlijk gezag.

Indien ouders niet getrouwd zijn en geen geregistreerd partnerschap hebben, doen zij er verstandig aan om hun kind te herkennen en vervolgens het gezamenlijk gezag aan te vragen via de rechtbank. Hiervoor is het voldoende om een formulier in te vullen, dat onder meer verkrijgbaar is via de website www.rechtspraak.nl. Het kind dient dan uiteraard al wel erkend te zijn (bij de gemeente). Het formulier dient door beide ouders ingevuld en ondertekend te worden, waarna het bij de rechtbank kan worden ingediend. De rechtbank zal het gezamenlijk gezag dan inschrijven in het zogenaamde gezagsregister.

Ouderlijk gezag en omgang of alimentatie

Een ander misverstand is dat een ouder geen recht op omgang heeft of geen kinderalimentatie hoeft te betalen op het moment dat die ouder niet het ouderlijk gezag heeft. Ook een vader die niet het ouderlijk gezag heeft, heeft nog altijd het wettelijke recht op contact en omgang met zijn kind. Bovendien zijn beide ouders onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kind, ongeacht of zij nu het ouderlijk gezag hebben of niet.

In bepaalde gevallen kunt u het gezamenlijk gezag overigens slechts aanvragen via een advocaat (die daarvoor een verzoekschrift moet indienen bij de rechtbank). Dit gaat met name om de gevallen waarin één van de ouders niet de biologische ouder van een kind is, en deze personen toch het gezamenlijk gezag over een kind wensen.

Bron: Actuele Artikele                       

kindgebonden budget strekt niet in mindering op behoefte van alimentatiegerechtigde

Deze vraag werd door het gerechtshof Den Haag in een lopende procedure voorgelegd aan de Hoge Raad. Een dergelijke vraag, noemen we een prejudiciële vraag. In 2015 werd de Hoge Raad al gevraagd of het kindgebonden budget en de daarin begrepen alleenstaande ouderkop invloed had op de berekening van de hoogte van de behoefte van het kind. De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 9 oktober 2015 beslist dat dat niet het geval is, maar dat het kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop, moet worden meegenomen in de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

Thans lag de vraag voor of het ontvangen kindgebonden budget door de alimentatiegerechtigde in mindering zou moeten strekken op diens behoefte aan partneralimentatie of dat dit buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 7 juli 2017 deze vraag beantwoord. Het kindgebonden budget strekt niet in mindering op de behoefte van de alimentatiegerechtigde bij de bepaling van diens behoefte aan partneralimentatie. De Hoge Raad overweegt hierbij dat kindgebonden budget een inkomensafhankelijke inkomensondersteuning van de overheid is. Zou je dit als inkomen bij de alimentatiegerechtigde meenemen, dan zou dat inhouden dat de alimentatiegerechtigde minder partneralimentatie zou ontvangen, waardoor in feite de overheid een stuk van de behoefte van de alimentatiegerechtigde voor zijn rekening neemt in plaats van de alimentatieplichtige ex-echtgenoot.

De Hoge Raad is van mening dat het kindgebonden budget enkel voor de kosten van de kinderen bedoelt is en dat het te allen tijde ten goede moet komen aan de kinderen en om die reden volledig buiten de partneralimentatieberekening gehouden moet worden. Dit geldt ook indien het door de alimentatiegerechtigde ouder ontvangen kindgebonden budget het eigen aandeel van die ouder in de kosten van het kind overschrijdt.

De Hoge Raad heeft met deze uitspraak het ontvangen kindgebonden budget in de behandeling van de partneralimentatie gelijk getrokken met bijvoorbeeld de huurtoeslag en de zorgtoeslag: ook die toeslagen worden niet als inkomen meegenomen in de berekening van de behoefte aan partneralimentatie.

Bron: Actuele Artikelen                             

Aantal bezwaren tegen WOZ-waarde sterk gestegen

Het aantal huiseigenaren dat dit jaar bezwaar heeft aangetekend tegen de
WOZ-waarde van hun woning, die de basis vormt voor diverse belastingen, is met 20 procent gestegen. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de Waarderingskamer, meldt De Telegraaf.

Dit voorjaar werden 104.000 bezwaren tegen de door gemeenten vastgestelde hoogte van de Waardering Onroerende Zaken ingediend. In 2016 kregen de lokale overheden 87.000 bezwaren, een jaar eerder waren dat er 79.000.

Gemiddeld blijken de WOZ-waarden met 3,3 procent te zijn gestegen ten opzichte van vorig jaar, toen gemeenten in doorsnee een stijging van 1,2 procent doorvoerden. Nog niet bekend is hoeveel bezwaren zijn gehonoreerd.

Stijgende huizenprijzen

De aantrekkende woningmarkt, waardoor de huizenprijzen in grote delen van het land zijn gestegen, is een mogelijke verklaring voor de grote toename. Na de sterke stijging van de prijzen in 2016 worden er voor komend jaar nog hogere WOZ-waarden verwacht.

De WOZ-waarde wordt door gemeenten onder meer gebruikt voor de onroerendezaakbelasting (OZB). Daarnaast gebruiken waterschappen de waarde voor hun eigen heffingen.

Eigenwoningforfait

Ook de Belastingdienst hanteert de WOZ-waarde als basis voor diverse belastingen, waarvan het eigenwoningforfait het bekendst is. Dit is een heffing in de vorm van een percentage van de WOZ-waarde, dat de woningbezitter bij zijn inkomen moet optellen.

Voor huizen tot een miljoen euro bedraagt het forfait 0,75 procent. Dit betekent dat huiseigenaren bij een woning met een waarde van 300.000 euro 2250 euro extra bij hun inkomen moeten optellen.

Bron: NOS                             

In goede harmonie uit elkaar

De berichtgeving over echtscheidingen is in de media vaak negatief, het woord vechtscheiding valt zo vaak dat je haast zou denken dat iedere echtscheiding op een vechtscheiding uitloopt. Zeker als daar kinderen bij betrokken zijn, is dat voor alle betrokkenen een zeer traumatische ervaring. Ik kom deze zaken ook zeker in mijn praktijk  tegen, doch gelukkig gaan veel mensen in relatief goede harmonie uit elkaar. Zij hebben nadat ze de beslissing tot echtscheiding, of verbreking geregistreerd partnerschap of samenleving hebben genomen, ook goed nagedacht over de gevolgen daarvan. Niet alleen financieel, maar ook voor de kinderen.

Ouders die beseffen dat zij, ondanks het feit dat ze uit elkaar gaan, er samen moeten blijven zijn voor de kinderen. Een goed uitgewerkt ouderschapsplan maakt onderdeel uit van een dergelijke manier van uit elkaar gaan. Ouders en – voor zover de leeftijd van de kinderen dat toelaat – ook de  kinderen hebben serieus nagedacht over hoe de zorg voor de kinderen verdeeld zal worden na de scheiding. En daarbij wordt met zorg niet enkel de fysieke aanwezigheid van het kind bij de ene of de andere ouder bedoeld, maar juist ook de manier van opvoeding, welke niet persé gelijk hoeft te zijn overigens. Ook financieel verandert er veel. Er zijn verschillende manieren om de kosten van de kinderen te verdelen na de scheiding. In een situatie waar de kinderen het grootste deel van de tijd bij één van de ouders verblijft, zal veelal gekozen worden voor het betalen van kinderalimentatie door de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft aan de ouder waar het kind wel zijn hoofdverblijf heeft.

In de situatie waar de zorg qua tijd ongeveer gelijk verdeeld is, kiezen veel ouders voor een kinderrekening. Wel krijg ik vaak de vraag hoe daar dan precies mee om te gaan. Bij het hanteren van een kinderrekening wordt er vanuit gegaan dat beide ouders de dagelijkse kosten van levensonderhoud zoals eten, drinken en verzorging voor de kinderen à € 5,00 per dag (derhalve € 75,00 per ouder per maand) ieder zelf voldoen. Ook de kosten van vakantie met de betreffende ouder wordt door die ouder zelf voldaan; hiervoor wordt een bedrag ter grootte van 6% van de behoefte van de kinderen per ouder per maand gereserveerd; tevens worden de kosten van huisvesting door de betreffende ouder zelf voldaan, hiervoor wordt een bedrag ter grootte van 8% van de behoefte van de kinderen per maand per ouder gereserveerd. De kosten voor de middellange termijn zoals kleding, schoolgeld, schoolbenodigdheden, contributies, sportbenodigdheden, cadeaus enz. alsmede de kosten voor de lange termijn zoals fiets, computer, schoolreizen enz. worden van de kinderrekening voldaan. Bedragen tot € 100,00 kunnen zonder nader overleg met de andere ouder worden opgenomen, bedragen daarboven dienen altijd in overleg te worden opgenomen. Eén van de ouders houdt de administratie van de kinderrekening bij, welke op eerste vraag van de andere ouder aan hem/haar ter beschikking wordt gesteld.

Kortom het is belangrijk alle zaken rondom de kinderen goed van te voren te bespreken, zodat een goede regeling overeengekomen kan worden. Immers is een goed lopende kinderrekening beter dan dat de kinderen ‘het kind van de rekening te laten worden.’

Bron: Actuele Artikelen                      

onrechtmatige daad: een als een doen te beschouwen gedraging

Aan een aantal slepende procedures tussen twee (inmiddels) voormalig echtelieden is een einde gekomen door een uitspraak van de Hoge Raad, die voor de personenschadepraktijk relevant is.vTwee vragen worden beantwoord.
1) Wat moet worden verstaan onder ‘een als een doen te beschouwen gedraging’ in artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2) Welke kosten van rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking in het licht van de verhouding tussen artikel 6:96 lid 2 BW en artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Feiten en procesgang

Na het feitelijk uiteengaan, maar nog voor de echtscheiding, is de man op enig moment met een tractor ingereden op de vrouw. De vrouw heeft hierdoor medische behandelingen ondergaan (onder andere van psychiatrische/psychologische aard). De man werd strafrechtelijk veroordeeld tot en boete.

Voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft een notaris in 2004 een bindend advies uitgebracht. Hierover hebben de partijen diverse kortgedingprocedures gevoerd, waarin de vrouw werd veroordeeld om mee te werken aan de uitvoering van het bindend advies.

Nadat de voorzieningenrechter de man had gemachtigd om de echtelijke woning te gelde te maken en vrij van hypotheek en onbezwaard te leveren, heeft de vrouw de woning verlaten en is de woning in 2010 aan een derde geleverd. De man heeft beslag gelegd op het aandeel van de vrouw in de opbrengst, en stelde dat hij schade heeft geleden doordat de vrouw is  tekortgeschoten in het meewerken aan het tot stand komen en uitvoeren van het bindend advies, welke schade hij op de vrouw wenst te verhalen.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man, omdat dat de vrouw zowel de totstandkoming van het bindend advies heeft gefrustreerd, waardoor het advies twee jaar later tot stand is gekomen, als de uitvoering ervan. Het stelselmatig tegenwerken van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, die de man noodzaakte tot een jarenlange juridische strijd, is naar het oordeel van het hof in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Het hof besteedt beantwoordt specifiek de vraag of de handelwijze aan de vrouw kan worden toegerekend en verwijst daarbij (ambtshalve op de voet van art. 25 Rv) naar artikel 6:165 lid 1 BW in verband met de stellingen van de vrouw over haar medische (psychische) gesteldheid. Het hof oordeelt:

‘Voor zover de vrouw zich ter afwering van haar vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad heeft willen beroepen op haar psychische gesteldheid (…), in die zin dat haar handelen en/of nalaten niet toerekenbaar zijn, oordeelt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:165 lid 1 BW bestaat er geen beletsel om het handelen van een (volwassen) persoon onder invloed van een geestelijke (of lichamelijke) tekortkoming aan deze als onrechtmatige daad toe te rekenen. Voor zover de vrouw heeft willen aanvoeren dat zij door “het tractorincident” dan wel door deze vechtscheiding niet in staat was haar belangen te behartigen, heeft zij daarvoor te weinig feiten en omstandigheden aangevoerd, die het oordeel zouden kunnen dragen dat haar handelen (of nalaten) niet aan haar toe te rekenen is. Daarvoor is in elk geval onvoldoende dat er, zoals de vrouw stelt, sprake is van een ptss, een chronische pijnstoornis, burn-outklachten en niet aangeboren hersenletsel, nu de vrouw niet nader onderbouwt dat deze gestelde klachten haar in haar functioneren belemmerde.’

De vrouw komt in cassatie tegen het oordeel dat de aan haar verweten handelwijze haar is toe te rekenen op grond van artikel 6:162 jo. artikel 6:165 lid 1 BW. Volgens haar had de door het hof vastgestelde weigering van de vrouw om mee te werken aan het tot stand komen en uitvoeren van het bindend advies van de notaris door het hof vanwege de geestelijke stoornis niet mogen worden beschouwd als een als ‘doen te beschouwen gedraging’ zoals bedoeld in artikel 6:165 lid 1 BW.

De vrouw komt ook in cassatie van het oordeel dat zij de volledige kosten van rechtsbijstand van de man moet vergoeden. Zij stelt dat het hof het gesloten stelsel van rechtsmiddelen heeft miskend door te oordelen dat de vrouw ook de (werkelijke) advocaatkosten van de man moet vergoeden die betrekking hebben op de tussen de man en vrouw gevoerde (kortgeding)procedures.

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof over artikel 6:165 lid 1 BW in stand, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 6:165 lid 1 BW. De handelwijze van de vrouw is wel degelijk te beschouwen als een ‘als doen te beschouwen gedraging’:

‘Voor zover het hof de aansprakelijkheid van de vrouw heeft gebaseerd op het feit dat zij op diverse wijzen en tijdstippen heeft nagelaten de vereiste medewerking aan de totstandkoming of de uitvoering van het bindend advies te geven, heeft het hof dat kennelijk niet als een “zuiver nalaten” in zojuist bedoelde zin opgevat. Het hof heeft (door hem aldus omschreven) “stelselmatig niet mee willen werken” van de vrouw mogen aanmerken als “een als een doen te beschouwen gedraging” in de zin van art. 6:165 lid 1 BW.’

Het oordeel van het hof over de kosten van rechtsbijstand wordt echter door de Hoge Raad gecorrigeerd en hij kent aan de man uiteindelijk een aanzienlijke lagere schadevergoeding toe, waarbij de kosten van het geding in cassatie tussen partijen worden gecompenseerd.

Bron: Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade