Dwangakkoord bij faillissementen wordt mogelijk voor ondernemers in moeilijkheden

Met ingang van 1 juli 2020 wordt de Faillissementswet aangepast. Als uw bedrijf in financiële problemen is, kunt u een akkoord sluiten met uw schuldeisers. De rechtbank kan overgaan tot homologatie (bevestiging) van dit akkoord. Schuldeisers of aandeelhouders die niet met het akkoord instemmen, kunnen toch aan het akkoord worden gebonden.

  • Ook buiten faillissement wordt een dwangakkoord mogelijk. Voorwaarden is dat de grote meerderheid van de schuldeisers een doorstart ondersteunt. Dan kan een enkele of een minderheid van schuldeisers of aandeelhouders deze doorstart niet tegenhouden.
  • U mag als ondernemer in financiële moeilijkheden een akkoord sluiten met schuldeisers om daarmee problematische schulden te herstructureren. De rechter kan deze overeenkomst goedkeuren (homologatie).

De Wet homologatie onderhands akkoord in faillissement (WHOA) gaat naar verwachting in op 1 juli 2020. De ingangsdatum van deze (wets)wijziging is nog niet definitief en is afhankelijk van goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer.

Vóór meer informatie over schuldsanering voor bedrijven in moeilijkheden kunt u bellen naar 0900-advocaten of een graag stellen via ons formulier op advocaten.nl.

Bron: ondernemersplein

Besluit overplaatsing van werknemer op grond van eenzijdig wijzigingsbeding kritisch getoetst

Ondanks dat de CAO een eenzijdige wijziging mogelijk maakt dient een besluit voor een overplaatsing van een werknemer, maar ook een non-actiefstelling, goede degelijk onderbouwd te zijn na afwegining van alle belangen, en met geen lichter alternatief kan worden volstaan

Op 3 september 2019 oordeelde de kantonrechter over de toepassing van een eenzijdig wijzigingsbeding in een CAO.

De CAO voor de werknemer, een leerkracht, bepaalde dat de werknemer zonder zijn toestemming overgeplaatst kan worden In verband met zwaarwichtige omstandigheden.

De werknemer was sinds 2012 in dienst als groepsleerkracht op een school en sinds 2018 voor onbepaalde tijd in dienst. Na een onderzoek in 2019 naar de teamcultuur bij deze school waar de werknemer werkte is door de onderzoekers aanbevolen dat enkele teamleden, waaronder de werknemer, dienen te worden overgeplaatst naar een andere school. Volgens de CAO was en dergelijke overplaatsing, een eenzijdige wijziging, wel mogelijk.

De werkneemster vorderde in kort geding dat dit besluit zal worden teruggedraaid.

De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam bepaalde op 3 september allereerst dat het eenzijdig wijzigingsbeding in de CAO voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:613 BW. De kantonrechter toetst derhalve aan dit artikel maar beslist tevens dat de maatregel deze toets niet kan doorstaan. De afweging van de belangen van de werknemer en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid spelen hier een rol.

Ondanks de CAO een eenzijdige wijziging mogelijk maakt dient een besluit op grond van een dergelijke bepaling degelijk onderbouwd te worden. En die ontbrak in dit geval.

Volgens de kantonrechter was de onderbouwing zwak en niet feitelijk, en is het oneigenlijk dat de werkgever anonieme verklaringen in het onderzoeksrapport gebruikt om de overplaatsing van de werkneemster te bewerkstelligen, terwijl doel van het onderzoek was het doorgronden van de cultuur op de school. De werkneemster heeft ook niet de gelegenheid gekregen om haar gedrag aan te passen. De kritiek die nu wordt geuit, is niet eerder met haar besproken.

Bovendien bepaalde kantonrechter dat de werkgever in dit geval had moeten kijken naar minder vergaande oplossingen. Zoals bijvoorbeeld een coachingstraject, of iets dergelijks

De kern van de uitspraak is dat voor een overplaatsing, maar ook voor een non-actiefstelling goede redenen aanwezig moeten zijn en niet met een lichter alternatief kan worden volstaan

Dit geldt in het bijzonder indien de overplaatsing een disciplinaire strekking heeft zoals in dit geval. Volgens de kantonrechter maakt het daarbij in wezen. Geen verschil of wordt getoetst aan artikel 7:613 BW
of aan 7:611 BW.
De uitspraak leest u hier.

Meer informatie omtrent geschillen bij overplaatsing of non-actiefstelling kunt u contact opnemen met 0900 Advocaten of een e-mail zenden aan advocaten.nl via ons vragen formulier?

Meldplicht buitenlandse werkgevers en zelfstandigen met een tijdelijke opdracht

Een opdrachtgever van een buitenlandse dienstverrichter moet vanaf 1 maart 2020 controleren of de buitenlandse werknemers zijn gemeld en of de melding klopt. Bij fouten moet de opdrachtgever dit aanpassen in het online meldloket.

Bent u opdrachtgever van een buitenlandse dienstverrichter? Of bent u zelf een buitenlandse dienstverrichter? Buitenlandse werkgevers moeten hun werkzaamheden en de komst van werknemers die tijdelijk in Nederland gaan werken, vooraf melden. Dit doen zij via het Nederlandse online meldloket.

De opdrachtgever moet controleren of de buitenlandse werknemers zijn gemeld en of de melding klopt. Bij fouten moet de opdrachtgever dit aanpassen in het online meldloket.

De meldingsplicht geldt voor zelfstandigen in sommige sectoren en werkgevers uit de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland die tijdelijk in Nederland gaan werken. Dit zijn:

  • zelfstandigen en werkgevers die met eigen personeel naar Nederland komen
  • multinationale bedrijven die medewerkers detacheren naar een eigen vestiging in Nederland bureaus die uitzendkrachten in Nederland laten werken

De meldingsplicht gaat in op 1 maart 2020.

Werkgevers en zelfstandigen kunnen hun tijdelijke opdrachten die op of na 1 maart 2020 beginnen vanaf 1 februari 2020 alvast indienen.

Bron: ondernemersplein

Dronkenschap tijdens werk geen reden voor ontslag op staande voet

Zorgvuldig onderzoek en hoor en wederhoor moet dient altijd vooraf te gaan aan een ontslagbesluit van de werkgever. Ook indien daar enkele dagen of langer overheen gaan, om onderzoek te doen naar de feiten en juridisch advies in te winnen.

Een werknemer van een fabrikant van meetapparatuur met meer dan 20 dienstjaren krijgt in augustus 2015 een waarschuwing in verband met dronkenschap tijdens werktijd. De bedrijfsarts die de werknemer observeerde wilde het geval op dat moment niet medicaliseren omdat er volgens hem geen structureel alcoholprobleem was.

Het pas ingevoerde alcohol- en drugsbeleid, dat voorziet in interventie door middel van een hulpplan, is dan pas 1 maand van kracht, maar dat werd dus niet toegepast.

Op 17 mei 2016 is het weer raak met deze werknemer. Bij een blaastest wordt een alcoholpromillage van 7x de toegestane hoeveelheid vastgesteld en de fietstas van de medewerker bevat een fles wodka. De medewerker wordt op staande voet ontslagen zonder te zijn gehoord.

De werknemer vecht het ontslag aan. Artikel 7:677 BW bepaalt dat zowel werkgever als werknemer de arbeidsovereenkomst onverwijld kunnen opzeggen om een dringende reden. Dit is het zogenaamde ontslag op staande voet.

In artikel 7:678 BW noemt een aantal gevallen opgesomd van die dringende redenen. Een daarvan luidt “wanneer hij de werknemer zich na waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag”.

De werknemer voerde in cassatie aan dat hij onder meer aan dat hem, als het ontslag al in stand zou blijven, een transitievergoeding had moeten worden toegekend.

Hoewel de kantonrechter en het hof hem hierin ongelijk gaven bepaalde de Hoge Raad dat de werknemer ingevolge artikel 7:673 BW aanspraak heeft op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, behalve als die opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer.

De kantonrechter en het hof hadden de transitievergoeding afgewezen met de overweging er dat sprake was van een dringende reden en dus van ernstige verwijtbaarheid.

De vraag of er sprake was van ernstige verwijtbaarheid, nu de werknemer in beroep had aangevoerd dat hem van zijn liederlijk gedrag wegens zijn alcoholverslaving geen verwijt kon worden gemaakt, was onvoldoende onderzocht.

De Hoge Raad verwees de zaak daarom terug naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Door een alcoholverslaving – en deze werknemer was een alcoholist – als een ziekte te beschouwen is het de vraag of dit de werknemer kan worden verweten. Artikel 7:677 BW stelt echter niet als voorwaarde voor het ontslag op staande voet dat de dringende reden aan de werknemer kan worden verweten.

Uiteindelijk oordeelt het Gerechtshof in 2018 dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en dat de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot 17 mei 2016zal wordt hersteld.

Het Hof komt tot dit oordeel omdat alle omstandigheden in aanmerking genomen de fles wodka in de fietstas en een hoog bloed/alcohol promillage van de werknemer aanleiding voor de werkgever had moeten zijn om te onderzoeken of van een structureel alcoholprobleem sprake was bij deze werknemer.

De werkgever kon niet afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts een jaar tevoren.
Ook het niet horen van de werknemer over het voorval wordt de werkgever aangerekend. Daaruit had wellicht kunnen blijken dat er een structureel alcoholprobleem was, en dan zou het inmiddels ingegane hulpplan in gang moeten worden gezet. De rechter neemt ook in aanmerking dat de werknemer een lang dienstverband had zonder problemen, en achteraf bleek dat de werknemer zelf succesvol zijn alcoholprobleem had weten te bestrijden. Op grond daarvan is het ontslag niet rechtsgeldig gegeven. Het dienstverband werd dus hersteld en de werkgever dienst 2,5 jaarsalaris met terugwerkende kracht uit te betalen.

De conclusie is dat zorgvuldigheid belangrijker is dan snelheid bij een ontslag op staande voet, hoe groot de verontwaardiging en overtuiging bij de werkgever mag zijn. Zorgvuldig onderzoek en hoor en wederhoor moet dient altijd vooraf te gaan aan een besluit van de werkgever. Ook indien daar enkele dagen of langer overheen gaan, om onderzoek te doen naar de feiten, juridisch advies in te winnen, maar ook om een afgewogen beslissing voor te bereiden, heeft dat altijd nut. Dat een ontslag volgens de wet onverwijld moet worden gegeven wil niet zeggen dat de werkgever overhaast te werk moet gaan. Ook het beoordelen van het gedrag van de werknemer tegen het licht van de eigen bedrijfsbeleid, en onderzoek naar de arbeidsverleden van de werknemer is cruciaal om een ontslag op staande voet met succes te kunnen handhaven.

Een andere belangrijke conclusie is dat werkgevers die een uitgedacht bedrijfsbeleid ontwikkelen om zorgvuldig met hun werknemers om te gaan ook geacht worden hier zelf strikt naar te handelen. Door alleen een beleid op papier te zetten maar verder de handelswijze onveranderd te laten loopt de werkgever een extra risico. Meer informatie leest u op deze website. U kunt ook bellen met 0900 advocaten of per email een vraag stellen.

‘Co-ouderschap is niet vanzelfsprekend het beste’

Familiesocioloog Anne-Rigt Poortman onderzoekt de effecten van co-ouderschap op kinderen

Na een scheiding woont ongeveer een kwart van de kinderen afwisselend bij de vader en de moeder. Maar hoe goed is zo’n ‘gelijke’ omgangsregeling voor de betrokken kinderen? NEMO Kennislink voelt familiesocioloog Anne-Rigt Poortman aan de tand over de invloed van co-ouderschap op het welzijn van kinderen.

Was het vroeger doodgewoon dat een kind na de scheiding (hoofdzakelijk) bij de moeder woonde, tegenwoordig is er een groeiend aantal kinderen dat om en om bij beide ouders woont. Op het eerste oog lijkt het de ideale oplossing. Kinderen hoeven niet te kiezen tussen beide ouders als het op de woonsituatie aankomt, wat flink wat stress kan schelen. En van vervreemding of het helemaal niet meer zien van een van de ouders is ook geen sprake. De Finse socioloog Jani Turunen ziet co-ouderschap om die reden ook wel als een nieuwe vorm van stabiliteit na een scheiding; van pijnlijke breuken tussen een van de ouders en het kind is immers geen sprake.

Lees verder

/

Warmtewet verandert, warmte komt in huurrecht

De nieuwe Warmtewet gaat naar verwachting in op 1 juli 2019.

Huurt u een bedrijfsruimte en levert uw verhuurder u ook warmte? Verhuurders die warmte leveren aan hun huurders vallen straks niet meer onder de Warmtewet, maar onder het huurrecht. De levering van warmte maakt vanaf dan deel uit van de huurovereenkomst. Er zijn geen aparte leveringsovereenkomsten meer nodig.

De nieuwe Warmtewet heeft nog meer gevolgen:

Er komt een maximumtarief voor koud en lauw water.

De kosten van warmtekostenverdelers kunnen worden doorberekend aan verbruikers.

De warmteleverancier mag verbruik corrigeren voor de ligging van een bedrijfsruimte in een gebouw, bijvoorbeeld een appartementencomplex. Dat mag ook als gevolg van leidingverliezen via transportleidingen.

Een warmteleverancier mag elk jaar 1 grote storing in het warmtenet hebben zonder daarvoor te moeten betalen. De storing moet dan wel binnen 24 uur zijn opgelost. De grens voor de duur van een ernstige storing gaat van 4 uur naar 8 uur.

Let op: De ingangsdatum van deze (wets)wijziging is nog niet definitief. Inwerkingtreding is afhankelijk van goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer of afkondiging van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) of ministeriële regelingén publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant.

Bron

Online aanbieden kansspelen wordt legaal

Online gokbedrijven met vergunning mogelijk. Ook komt er een landelijk register voor spelers met een gokverslaving.

U kunt straks met een vergunning online kansspelenaanbieden in Nederland. Bijvoorbeeld poker, casinospelen en sportweddenschappen. Nu is het niet mogelijk legaal kansspelen via internet aan te bieden. U mag straks tussen 6 en 22 uur geen kansspelen aanbieden via open tv-zenders.

Als vergunninghouder moet u aan eisen voldoen op het gebied van kansspelverslaving. Bovendien betaalt u mee aan een fonds dat bijdraagt aan het tegengaan van kansspelverslaving. Ook krijgt u geen vergunning wanneer u eerder een boete hebt gekregen van de Kansspelautoriteit.

Centraal register uitsluiting kansspelen

Er komt een landelijk register uitsluiting van kansspelen. Hierin worden spelers met verslavingsproblemen opgenomen. Opname in dit register gebeurt vrijwillig of gedwongen. Is een speler opgenomen in het register? Dan kan hij minimaal 6 maanden niet deelnemen aan kansspelen via internet. Ook mag hij niet naar binnen in een speelautomatenhal of een casino.

Naar verwachting gaat de wet Kansspelen op Afstand in op 1 juli 2020.

Bron: Ondernemersplein

Strengere spelregels voor ondernemende overheden

Ondernemende overheden moeten hun marktactiviteiten beter motiveren, inspraak voor ondernemers organiseren en besluiten elke vijf jaar evalueren.

Overheden die economische activiteiten uitvoeren die ook door bedrijven kunnen worden aangeboden krijgen te maken met strengere spelregels.

Ondernemende overheden moeten hun marktactiviteiten beter motiveren, inspraak voor ondernemers organiseren en besluiten elke vijf jaar evalueren.

De regels geleden voor ondernemers die diensten of producten aanbieden die mogelijk ook door overheden worden geleverd.

Met het wetsvoorstel wordt de algemeenbelanguitzondering in de wet markt en overheid (hoofdstuk 4b Mededingingswet) aangescherpt via motiveringseisen, meer inspraak voor ondernemers en een verplichte periodieke evaluatie van gemaakte uitzonderingen. Het wetsvoorstel bevat ook technische wijzigingen in het concentratietoezicht en een wijziging in het Burgerlijk Wetboek om de bepalingen over privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht op nationale overtredingen toe te passen.

Het verwachte effect van het wetsvoorstel is dat overheden ondernemers eerder en vaker in hun proces betrekken, waardoor algemeenbelangbesluiten van een betere onderbouwing worden voorzien. Daarmee zal mogelijk ook minder snel van de algemeen belang uitzondering gebruik worden gemaakt door overheden, wat voor ondernemers tot effect zal hebben dat ze minder ongelijke concurrentie van overheden zullen ervaren. Voor overheden die hun huidige algemeen belang uitzonderingen niet goed hebben gemotiveerd zal het effect zijn dat ze bij het nemen van nieuwe besluiten en bij het evalueren van huidige besluiten meer werk zullen moeten verrichten. De lasten zullen voor die overheden dus (beperkt) toenemen.

De wijzigingen die met dit wetsvoorstel in het concentratietoezicht worden aangebracht zijn voornamelijk van technische aard. Het betreft het in lijn brengen van bepalingen met de EG-concentratieverordening en de geldende praktijk. Daarom zijn de gevolgen voor het bedrijfsleven (regeldruk en nalevingslasten) naar verwachting zeer beperkt.

De wijzigingen die in het Burgerlijk Wetboek worden aangebracht geven uitvoering aan de eerdere toezegging om de Europese regels over het vorderen van schade als gevolg van een inbreuk op het Europese mededingingsrecht ook van toepassing te verklaren op zuiver nationale overtredingen van het mededingingsrecht. De wijziging maakt het voor gedupeerden van een nationale overtreding eenvoudiger om hun schade te verhalen.

Wanneer de wijziging van de Wet markt en overheid ingaat, is nog niet bekend.

Bron: overheid

Gevangenisstraf voor bedreiging naar drie jaar

De afgelopen jaren zijn verschillende burgemeesters bedreigd vanuit het criminele circuit. Met een verdubbeling van de huidige wettelijke strafmaat wordt onderstreept dat de overheid dergelijk gedrag zeer hoog opneemt en vastbesloten is hieraan een eind te maken.

De praktijk laat zien dat bedreigingen op verschillende manieren steeds heftiger worden. Het maakt grote inbreuk op de levens van betrokkenen.

Grapperhaus: ‘Ik vind het van het allergrootste belang dat wij ons als overheid, maar zeker ook als maatschappij in geheel, fel tegen deze ontwikkeling verzetten’. Dit raakt niet alleen bestuurders, maar ook privépersonen, ambtenaren en hulpverleners.’

Zo komen persoonlijke bedreigingen voor op sociale media, wordt er druk op bestuurders of ambtenaren uitgeoefend en worden boeren bedreigd als zij hun schuur niet ter beschikking stellen voor wietteelt. Ook bijvoorbeeld Rotterdamse havenmedewerkers en vastgoedondernemers zijn de dupe van criminele activiteiten. Het kan zelfs onderdeel zijn van het bedrijfsmodel van criminelen, in het bijzonder geldt dit voor de ondermijnende criminaliteit. Als dan bijvoorbeeld een besluit van de gemeente moet worden beïnvloed, gebeurt dit door de burgemeester te bedreigen. Zelfs door brand te stichten of wapens te gebruiken.

Extra maatregelen voor burgemeesters en bestuurders

Het huidige strafmaximum volstaat niet meer voor de buitensporige dreigementen, die er bijvoorbeeld voor zorgden dat burgemeesters moesten onderduiken. Met een verhoging, respectievelijk verdubbeling van het strafmaximum krijgt de maatschappelijke impact van bedreiging meer weerslag in de wet en laat de overheid bovendien zien dat bedreiging van ambtsdragers absoluut niet wordt getolereerd.

De afgelopen jaren zijn verschillende burgemeesters bedreigd vanuit het criminele circuit. Met een verdubbeling van de huidige wettelijke strafmaat wordt onderstreept dat de overheid dergelijk gedrag zeer hoog opneemt en vastbesloten is hieraan een eind te maken. Ook andere vertegenwoordigers van het openbaar bestuur kunnen worden bedreigd. Daarom geldt de voorgestelde extra strafverhoging ook voor bedreiging van andere bestuurders, zoals wethouders en gedeputeerden. Minister Grapperhaus komt nog voor het zomerreces met een wetsvoorstel.

Huurders winkelruimte worden beter beschermd

Uit diverse bronnen blijkt dat winkeliers steeds vaker bij renovatie uit hun panden worden gezet, terwijl geen enkele rekening wordt gehouden met
hun belangen. Verhuurders van bedrijfsruimte maken de afgelopen jaren namelijk steeds vaker gebruik van de ruimte en mogelijkheden die artikel 7:296 hen biedt. De huidige constructie van dit artikel brengt, volgens de indieners, een zeer ongewenst situatie voor huurders van bedrijfsruimte
met zich.

De huurbescherming van huurders van winkelruimten wordt verbeterd:
De verhuurder van een winkelruimte mag aan het einde verhuurder van een winkelruimte mag aan het einde van de 1e huurperiode (van 5 jaar of langer) de huur niet meer opzeggen omdat hij wil gaan renoveren.

Als de verhuurder van een winkelruimte gaat renoveren en de huurder daardoor moet verhuizen, betaalt hij aan de huurder een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten.

Onderdeel 1: Met het invoegen van de zinsnede «of van bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 290» wordt geregeld dat in het geval dat verhuizing van huurders van bedrijfsruimte noodzakelijk is in verband met een voorgenomen renovatie, de verhuurder verplicht is aan de huurder een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten te verstrekken. De bijdrage zal ten minste het bedrag bedragen dat door middel van de op te stellen ministeriële regeling wordt vastgesteld (zie onderdeel 2). Met deze wijziging wordt de situatie van huurders van woonruimten en huurders van bedrijfsruimte gelijkgetrokken waar het een minimumbijdrage betreft indien verhuizing noodzakelijk is in verband met een voorgenomen renovatie en de huurovereenkomst behouden blijft.

Onderdeel 2: Dit onderdeel regelt dat bij ministeriële regeling de minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten voor de huurders van bedrijfsruimte wordt vastgesteld. Deze wordt nu al vastgesteld voor de huurders van zelfstandige woningen als bedoeld in artikel 234 en woonwagens en standplaatsen als bedoeld in de artikel 235 en 236, in de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie (Staatscourant 2010 nr. 2982). Middels deze wijziging zal een vergelijkbare regeling opgesteld worden ten aanzien van de huurders van bedrijfs-ruimte. Indien de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft, zal de minimumbijdrage die in de regeling wordt vastgesteld, jaarlijks voor 1 maart worden gewijzigd.

regeling is bedoeld voor

  • verhuurders van winkelbedrijfsruimten;
  • huurders van winkelbedrijfsruimten (winkeliers)

De ingangsdatum van deze (wets)wijziging is nog niet definitief. Inwerkingtreding is afhankelijk van goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer of afkondiging van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) of ministeriële regelingén publicatie in het Staatsblad.